33. a) De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (
Mattheus 24:32-
35.
Markus 13:28-
31).
a)Psalm 102:27. Jesaja 51:6. Hebreeën 1:11.
Naar alles wat de Schrift over Christus' wederkomst mededeelt heeft deze in vier akten plaats, die elk een dubbel moment bevat, een straffend tegen de tegenstanders en een zegen aanbrengend voor de vrienden. De eerste akte is de verwoesting van Jeruzalem, waardoor aan de ene kant de berg uit de weg geruimd en in de zee geworpen, aan de andere kant de uit zijn grond uitgerukte moerbeziënboom in de zee verplant wordt (vgl. de verklaring bij Hoofdstuk 17:6). De tweede akte is de verschijning van de Mensenzoon, die in Openbaring 11:11, is genoemd, tot wederopneming van Israël, die ook in Hoofdstuk 13:35 wordt gevonden en aan de Christenheid, zoals zij tot hiertoe bestond, een gericht van vernietiging aanbrengt, om daarna de daaruit geredde kerk door het bouwen van een nieuwe tempel te Jeruzalem (Ezechiel 40-48) tot nieuw leven op te wekken en nader te brengen tot het doel van de volmaaktheid. De derde akte is de verschijning tot vernietiging van de anti-christ en zijn aanhang en tot oprichting van een uitwendig heerlijk rijk in Israël (Openbaring 19:11-20:6 De vierde akte is de wederkomst, die nu werkelijk zichtbaar is, tot vernietiging van de legerbende van Gog en Magog en de oplossing van de tegenwoordige wereld, alsook ten gerichte over de levenden en de doden en tot verheerlijking van hemel en aarde (Openbaring 20:7-21:8). De door ons vroeger meermalen behandelde wet van de geschiedenis van het Godsrijk, volgens welke de vervulling van een profetie, als zij eenmaal niet volledig genoeg was, zich zolang in steeds nieuwe wendingen voortzet, totdat de toestand van verwezenlijking geheel gedekt is met de zin en de woorden van het voorspelde, wordt dus ook bevestigd ten opzichte van hetgeen de Heere over Zijn komst heeft gezegd. Nu maakt ook dit hier de uitlegging van Zijn profetische woorden zo moeilijk, dat de vier akten niet gestreng uit elkaar zijn gehouden, integendeel juist in elkaar worden geschoven en zo bijna het voorkomen hebben van een enkele akte. Eerst de geschiedkundige verwezenlijking kan de uiteenzetting van de vier ontwikkelingsfasen op geheel bevredigende wijze teweeg brengen, tot die tijd moet onze kennis van de Schrift zich tevreden stellen met het erkennen van de hoofdgrondtrekken. Terwijl nu Lukas omtrent de eerste akte, de wederkomst van Christus ten gerichte over Jeruzalem, al een scheiding in het eerste deel van de eschatologische rede van de Heere zover heeft gemaakt, dat deze akte geheel uitsluitend op de voorgrond treedt en er nog slechts weinig van de verdere toekomst van Christus bijgekomen is, heeft daarentegen Mattheüs in de scheiding van de tweede en derde akte voor de vierde de voorrang van meerdere juistheid. Dit hangt samen met de tijd waarin en de kring van lezers, waarvoor de heilige evangelisten schreven. Mattheüs had een nog niet voorbijgegane genadetijd van Israël voor zich, die hij daarom tot een stuk met de heerlijke toekomst van het uitverkoren volk kon verbinden, Lukas stond daarentegen al midden in het gericht over Jeruzalem en overzag nauwkeurig hoever de profetie van de Heere vervuld was, daarentegen gaf zijn belangstelling in de heidenwereld aanleiding de beide delen van de middelste toekomst van Christus in het licht van het eigenlijke einde, van de zichtbare openbaring van de Mensenzoon van de hemel te plaatsen en de overgang van die evangelist tot deze vormt Markus Ligt in de persoon van Christus zo'n overvloed van stof, dat alle bijzondere kanten van het godsdienstig-zedelijk leven in gelijke mate door Hem worden beheerst en nu één evangelist niet bij machte was Zijn beeld volledig weer te geven, maar ter vermijding van eenzijdigheden vier van hen ons Zijn leven moesten beschrijven, zo heeft ook de wederkomst van de Heere zoveel kanten aan zich (17:22), dat wederom een enkel vat de hele inhoud van hetgeen Hij de discipelen daar op de Olijfberg verkondigde, niet kon bevatten. Wij geloven echter dat, evenals Markus van de vier in Markus 13:3 genoemde discipelen Petrus vertegenwoordigt, met wie zijn broeder Andreas verbonden is, Mattheüs daarentegen Jakobus en Lukas Johannes weergeeft, waarop reeds het woord in Vers 24 , vergeleken met Openbaring 11:2 moest wijzen; eveneens is de uitdrukking "die op de ganse aardbodem gezeten zijn" (Vers 35) van de aardse en vleselijk gezinde mensen, die zich hier beneden thuis voelen en een goed en aangenaam leven voor hun hoogste geluk houden, een, die in het boek van de Openbaring eer vaak wordt gebruikt (Openbaring :10; 6:10; 8:10; 11:10. 12:12; 13:8, 14). Deze gedachte leidt ons nu ook meer tot de beantwoording van de vraag: van waar komt het, dat van Christus' woord in Mattheus 24:36 en Markus 13:32 bij Lukas geen spoor wordt gevonden? In Johannes werd te zijner tijd de verdere geldigheid van dat woord daardoor opgeheven, dat de Heere hem de Openbaring p Patmos gaf en daar zeker ook dag en uur, ten minste in de voornaamste omtrekken ontvouwde 10:7). Dit zou er ons verder toe leiden dat het evangelie van Lukas niet reeds ten tijde van de dood van de apostel Paulus, het einde van het jaar 63 na Christus gereed was, waarvoor vele omstandigheden schijnen te spreken, maar pas in de tijd tussen de vlucht van de Jeruzalemse gemeente naar Pella en de verwoesting van de stad 66-70 na Christus. Wij zullen daarover handelen in het slotwoord op de Handelingen.
Evenals een adventstijd ons in het Kerstfeest inleidt, zo zal ook een adventstijd het laatste komen van Christus aankondigen en voorbereiden. Wij willen nader letten op de drie tekenen, die onze tekst ons aan de hand doet, om in het dreigend gevaar een versterkte roepstem te horen tot behartiging van het woord: "Houd wat u heeft, opdat niemand uw kroon neemt!" Zon, maan en sterren zullen hun schijnsel verliezen: dat is het eerste teken. Zon en maan zijn lichten van de hemel, de zon is het oorspronkelijke licht waaruit de dag geboren wordt, met welke glans het pad van de mensen wordt verlicht (Johannes 11:9). De maan is het afgeleide licht dat aan de zon wordt ontleend, dat wel geen dag voortbrengt en geen leven teweeg kan brengen, maar toch de verschrikkingen van de nacht verzacht en haar ontzettend duister door haar glans verlicht. Zon en maan zijn op deze, evenals op vele plaatsen van de heilige Schrift het beeld van de menselijke waarheid en van de in haar dienst staande wetenschap (?) In de tijd die de eerste verschijning van Christus voorafging was de glans van deze beide lichten uitgeblust; het was duister geworden op aarde in het rijk van de geestenwereld; de mensen hadden de menselijke waarheid veranderd in de leugen, zoals de apostel zegt (Romeinen 1:25, 28) en hadden het schepsel geëerd en gediend meer dan de Schepper, waarom God ze had overgegeven in verkeerden zin om dingen te doen die niet betamen. Met de geboorte van Christus werd het weer licht op de aarde en uit het licht van de goddelijke openbaring ontsproot een christelijke kunst en wetenschap die veel beloofde. In de laatste tijd nu, die aan de laatste komst van Christus voorafgaat, zullen weer, maar op veel omvattender wijze, deze beide lichten worden verduisterd en hun schijnsel verliezen. U zult wellicht zeggen daarvan nu niets op te merken, omdat het geloof in voortdurende groei is en dat de menselijke wetenschap nooit heerlijker triomfen heeft gehad. Ja, het is waar, er is een verlangen onder de mensen ontstaan, een verlangen naar een eeuwige waarheid, naar een vastheid voor de zielen, naar een vrede die de wereld niet kent; maar dat zijn toch slechts weinigen; onder de menigte wordt het steeds donkerder, zij weten altijd minder van het zalige licht, zij worden ondanks Christelijke scholen, leraars en predikers steeds minder bewogen door de ervaring van een leven in Christus en onze gelovigen, zij zijn zo koud, zo dood, het woord heeft ook voor zo velen onder hen zijn glans verloren: het geeft kracht meer, het maakt niet meer vrolijke zalige mensen, niet meer moedige belijders, niet meer dappere strijders; het Christendom is bij velen in een gevoelsleven ontaard, ach bij velen is het tot een zaak van mode geworden, het heeft een met de wereld overeenkomstige gedaante aangenomen en slechts zelden heeft men van onze Christenen het gevoel dat hun leven voortkomt uit de verborgen omgang met de Heere, dat hun gezindheid huiswaarts en hemelwaarts gericht is. En de maan, de wereldse wetenschap, die uit de Schrift moest putten, aan de eeuwige waarheid haar licht moest ontlenen, wat is zij duister geworden sinds zij geen licht meer van de zon ontvangt! Waar is het ongeloof stouter dan onder de wijzen van deze wereld? En deze stoute wetenschap, die zich de krachten van de natuur wist onderdanig te maken, wat heeft zij, dronken van het bewustzijn van haar almacht en alwetendheid, aan de zuilen geschud, die het heiligdom dragen! En omdat zij het heiligdom van de Heere verwoestte, omdat zij niet bouwde, maar neerstortte, omdat zij de mensen geen eeuwige vastheid wist te geven, maar hen de laatste, de enige steun verbrak, daarom moest op de verduistering van de zon en de maan het tweede teken volgen: "De sterren zullen van de hemel vallen. " De sterren zijn lichtgevende werelden in de verwijderde ruimte van de hemel; zij zijn daar in een onmetelijk aantal uitgestrooid, zodat op welk punt van onze ronde aarde de mens ook moge staan en naar de hemel kijken, overal ziet hij de gouden sterren, die wel een zwak, maar toch zeker licht uit de verre wolken tot hem dragen en in hun verre, fonkelende en trillende glans hem de gindse wereld afbeelden, die met mat maar zeker licht in het duistere van ons leven schijnt. Daarom zijn de sterren het beeld van de hoop, want de sterren ziet men niet als de zon schijnt, in het vrolijk genot van het leven is er geen ruimte voor de hoop, maar als de zon is neergedaald, als de nacht zijn duistere schaduw over de aarde uitbreidt, dan fonkelen de sterren de hoop ontstaat uit de nacht van rouw en aanvechting. Wanneer echter de zon voor de mensen in het geheel niet meer aanwezig is, voor altijd verduisterd is, als het geloof op aarde wegsterft, dan zinken de sterren weer, dan wordt ook de hoop begraven, die zelfs nog in de duistere tijd aan de bovenwereld vasthield, dan zal men de bittere vruchten smaken, die de vroegere prediking van het ongeloof ten gevolge had. Ja, het is gemakkelijk met het heilige te spotten, met menselijke wijsheid de wonderen van de bijbel aan te vallen, het woord van God als priesterbedrog en als een toom voor het volk voor te stellen, maar ontneem eerst de mensen het geloof in de eeuwige liefde van God, die in de Heiland vrijwillig het leven in de dood overgaf, verscheurt de laatste draden, die hen met hun God en Heiland nog verbindt, wat zal er plaats hebben als de nood komt? Dan zullen de ongelukkigen willen bidden en het niet kunnen, want het heilige is hen in het leven een spot geweest. Hun oog zal naar boven zien en daar geen God vinden en wanneer de mens die bronnen van troost en van hulp van boven en van binnen verdroogd zijn, dan zullen de machten van de duisternis over en in hem plaats verkrijgen en verwoestende krachten zullen van hem uitgaan, de ziel in zijn binnenste zal hem jagen om dood en verderf in de menselijke maatschappij te brengen. Dan zal echter het derde teken komen, dat niet zal kunnen worden afgewend: de zee en de watergolven zullen groot geluid geven. De zee is volgens de profetie van de Schrift het minste van de schepping, omdat zij de mens geen woonplaats aanbiedt, ook niet aan de andere schepselen van de wereld, omdat slechts de mindere schepselen in haar wonen. Daarom zal ook de nieuwe wereld geen zee meer hebben (Openbaring 21:1). De zee scheidt de mensen van elkaar, zij plaatst zich als een brede kloof tussen landen en volken en slechts met moeite wordt op de schepen de kloof overschreden, de noodzakelijke verbinding weinig maar nooit zonder gevaar teweeggebracht. Wanneer echter de zee woedt en de watergolven bruisen, dan is ook deze anders reeds moeilijke en zeldzame verbinding afgebroken, dan ligt het een volk gescheiden van het andere en kunnen zij zich niet verenigen. Die het toch in deze tijd van stormen en aardbevingen, die tot in de diepte doordringen, wilden beproeven de vereniging te onderhouden, die komen bij die poging om de vermetele schipper met zijn gebrekkig vaartuig wordt door de verbolgen golven in de duistere diepte geslingerd. Het schrikwekkend beeld van de verbolgen watergolven, die de laatste zwakken band van de menselijke maatschappij geheel verbreken, doelt dus op het gehele wegsterven van de liefde, dat noodzakelijk dan plaats moet hebben, als geloof en hoop zullen zijn uitgeblust. Dit is het laatste, het verschrikkelijkste teken. Alle vallenden, alle verschrikkelijke gerichten van God kunnen worden gedragen zolang de mens nog met de mens is verbonden. Al is het dat verwoestende oorlogen de volken onderling verdelen, zo zal de oorlog nog zo lang kunnen verdragen worden als er nog enige banden van liefde aanwezig zijn, die de mens aan de mens verbinden zolang hij nog thuis in het stille heiligdom van de familiekring een plaats van liefde vindt, een beschermend toevluchtsoord uit de strijd en de verdeeldheid van de buitenwereld. Wanneer echter ook deze laatste band van een scheurt, wanneer ook dit heiligdom door de vlammen van de tweedracht wordt aangestoken, als eerst degenen, die door de sterkste banden van bloed, van gewoonten en woning ten einde elkaar gelukkig te maken, tegen elkaar opstaan, wanneer er in vader en moederharten geen liefde meer leeft voor de kinderen, als in de kinderen de eerbiedige liefde voor hun ouders is vernietigd, wanneer de heiligste gevoelens van het menselijk hart in het tegendeel daarvan worden veranderd, in moord van ouders, echtgenoten, broeders en kinderen, dan heeft de toestand van de menselijke zaken haar einde bereikt, want de krachten van de maatschappij, die alleen bestand zijn, werken om haar te verwoesten en - "als een rijk tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal het bestaan?" Hoe het op dit punt met de liefde in het heiligdom van de familiekring onder geslachten bij hoge en lage standen gesteld is, daarover zou ik behalve hetgeen de openbare bladen van tijd tot tijd over zodanige wandaden berichten, uit het verkeer, waarin mijn ambt mij leidt, een reeks van geschiedenissen kunnen vertellen, die de haren te bergen doen rijzen; maar ik mag het niet, juist omdat velen het te graag horen, dan dat men zou kunnen geloven, dat zij er de rechte smart over zonden voelen. Wanneer nu profeten heden ten dage de tijd, waarin wij leven, in rozenkleurig licht voorstellen, als zij van zedelijke vooruitgang spreken, als zij een algemene zegen en een verbroedering van de wereld als zeer nabij geloven, o, dan voelt men het wee nog smartelijker in het hart; want het ergste in het kwade is het als de mensen het nabijzijnd gevaar niet bemerken, als zij de worm niet zien, die aan de kern knaagt, omdat dan onverwacht als uit een heldere hemel de bliksemslag van de verwoesting neervalt en hem uit alle hemelen en zoete dromen wakker schudt tot een ontzaglijke werkelijkheid.
Wij stellen op de voorgrond, dat Jeruzalems verwoesting van geheel dit onderwijs het hoofdonderwerp is. Maar deze gebeurtenis kon beschouwd worden en wordt hier werkelijk beschouwd van twee verschillende kanten: de historische en de ideale. Uit het eerste oogpunt wordt zij allereerst voorgesteld. De Heere geeft voortekenen voor, omstandigheden bij, gevolgen van die omkering op, waarvan men binnen weinige jaren getuige zou wezen en geen van de voortekenen, die Hij hier aangeeft, of zij zijn aanvankelijk reeds binnen de grenzen van een mensenleven in het aanzijn getreden. Als men zich slechts wacht om beeldspraak eigenlijk op te vatten en haar op gelijke wijze als in de profetische schriften verklaart, men zal hier geen zwarigheid vinden. Maar dat historisch feit heeft tevens symbolisch-typische strekking. Het doet in het klein aanschouwen wat zich eens aan het eind der eeuwen in het groot zal herhalen en ook de voortekenen, hier opgegeven, zijn, waar zij bij de verwoesting van stad en tempel aanvankelijk gezien worden, slechts spiegel van wat later de afloop van deze hele tegenwoordige huishouding aankondigt. Vraagt men nu, op welke manier de Heere het een met het ander verbindt, wij willen ons liefst beroepen op het kenmerkende van het profetisch visioen, dat de toekomst als iets tegenwoordigs aanschouwt en de gebeurtenissen als in perspectief ziet verschijnen, zodat de tijdruimte, die tussen de ene en andere ligt, voor het oog van de geest terugtreedt. De tussen tijdvakken, die het een van het andere scheiden, worden voor de blik van de ziener als het ware vernauwd en aan elkaar geschoven; de afstanden krimpen samen en het tijdperk van het einde der eeuwen vertoont zich, of het slechts een tijdstip onmiddellijk na het tegenwoordige was. - Vraagt men al verder met welk recht de Heere in Jeruzalems verwoesting tegelijk een symbool van Zijn laatste wederkomst ziet, wij wijzen op het geheel enig belang van de eerstgenoemde gebeurtenis. Aan de ene kant is het historisch bewezen dat de val van de Joodse staat de volstrekt noodzakelijke voorwaarde was om het Christendom uit de perken van een begrensde nationaliteit te verheffen, tot wereldgodsdienst te verheffen en zo de openbaring van Jezus' heerlijkheid, zichtbaar in de triomf van Zijn rijk over de heidense wereld, voor te bereiden. En van de andere kant mogen wij het symbolisch karakter niet voorbijzien, dat ook in de profetische schriften aan Jeruzalem en de tempel wordt toegekend. Zion staat daar niet slechts als plaatselijke zetel, maar ook als zinnebeeld van de hele theocratie, in haar vastheid en schoonheid beschouwd en de hele Christelijk geworden wereld kan in zeker opzicht een nieuw, geestelijk Jeruzalem heten. Is het een wonder dat het oordeel over Jeruzalem als zinnebeeld wordt voorgesteld van geheel het wereldgericht? En heeft men eindelijk tegen de volkomen waarheid van deze samenvoeging bezwaar, omdat het dan toch altijd twee zeer verschillende gebeurtenissen zijn, die hier aanéén zijn geschakeld, wij antwoorden eerst dat de Heere, naar de vatbaarheid van Zijn jongeren sprekend, zich niet anders uitdrukken kon, omdat Hij eerst wilde aanvangen hun lang gekoesterde voorstellingen van de grond af aan te bestrijden. Ten tweede dat het karakter van Zijn laatste toekomst als een onzekere en onverwachte gebeurtenis, waartegen waakzaamheid te aller ure vereist werd, Hem vanzelf verbood, de verzekering, dat zij eens na vele eeuwen geschieden zou, op de voorgrond te plaatsen. Ten derde dat de Heere op aarde, naar Zijn eigene verklaring, de dag en het uur niet wist van een gebeurtenis, die van de menselijke kant beschouwd, door het ongeloof of het geloof van de wereld vertraagd en bespoedigd kon worden en dat Hij dus moeilijk een scherpe grenslijn tussen de ene en de andere gebeurtenis kon trekken. Ten slotte dat het ook in dit onderwijs niet aan sporen ontbreekt voor de meer opmerkzame toehoorder dat Hij aan uitstel van Zijn laatste toekomst gedacht heeft. Men lette op de waarschuwing tegen zorgeloosheid, die alleen bij zo ongedacht een uitstel heersend kon worden (Mattheus 24:37-39); aan het "vertoeven" van de bruidegom in de gelijkenis (Mattheus 25:5), aan "de lange tijd" waarna de Heere rekening van de aan vertrouwde talenten komt eisen (Mattheus 25:19). En waartoe anders de waarschuwing tegen het gedrag van de dienstknecht, die in zijn hart spreekt: "Mijn heer vertoeft te komen" dan om hem ook met het denkbeeld van langduriger wachten gemeenzaam te maken? Voegen wij hier ten slotte bij dat het de Heere minder te doen was om de jongeren een volledig onderricht omtrent de verborgenheden van de toekomst te geven, dan wel om hen door een blik op dit geheimzinnig verschiet tot waakzaamheid en hoop te stemmen, dan is er volstrekt geen reden om zich aan de wijze, waarop Hij dit onderricht inkleedt, te stoten.