Openbaring 3:1-6
I. De voorrede, ons aantonende:
1. Aan wie de brief gericht wordt: aan den engel der gemeente, die te Sardis is. Sardis was een oude stad van Lydië, aan den voet van den berg Tmolus. Men zegt dat zij de hoofdstad van dat deel van Azië was, en de eerste stad in dat deel der wereld, die door de prediking van Johannes bekeerd werd. Maar ook de eerste, die zich tegen het Christendom verzette en een van de eerste, die in bouwvallen herschapen werd en nog in puin ligt, zonder gemeente of enige bediening.
2. Door wie de boodschap gezonden werd, de Heere Jezus, die zich zelven hier noemt die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren, naar Hoofdstuk 1:4, waar gesproken wordt van de zeven Geesten, die voor den troon zijn.
A. Hij heeft de zeven Geesten, dat is, de Heilige Geest met al Zijn verscheidenheid van krachten, gaven en werkingen, want Hij is persoonlijk een, ofschoon verscheiden in openbaring. Hij wordt hier zevenvoudig genoemd naar het getal der gemeenten en der engelen van de gemeenten, om aan te tonen dat iedere dienaar en elke gemeente ene bedeling en mate van den Geest gegeven is om daarmee te arbeiden, een voorraad van geestelijken invloed voor dien dienaar of die gemeente, om hen door volharding en uitbreiding te verbeteren, welke mate des Geestes hun niet weer onttrokken wordt tenzij ze haar door misbruik of achteruitgang verbeuren. De gemeenten hebben, evenals de afzonderlijke gelovigen, haar geestelijken voorraad en fonds, en aangezien deze brief gericht werd aan een verachterenden dienaar en een verslappende gemeente, wordt hun zeer geschikt in herinnering gebracht dat Christus de zeven Geesten, dat is den Geest zonder mate en in volkomenheid, heeft, en dat zij zich tot Hem mogen wenden om Zijn werk in hen te verlevendigen.
B. Hij heeft de zeven sterren, de engelen der gemeenten, zij zijn door Hem geplaatst, en aan Hem verantwoording schuldig, hetgeen hen getrouw en ijverig maken moet. Hij heeft dienaren om te zenden, en geestelijke invloeden aan Zijne dienaren mede te delen tot welzijn van de gemeenten. De Heilige Geest werkt gewoonlijk door de dienaren, en hun dienst zal niet krachtig zijn zonder den Heiligen Geest, dezelfde goddelijke hand houdt beiden.
II. Den inhoud van den brief. Het is opmerkenswaardig, dat Christus in de overige brieven begint met het goede, dat in de gemeenten was, te prijzen en dan er toe overgaat om aan te tonen wat verkeerd was, maar in dezen en in dien aan Laodicea begint Hij met:
1. Ene bestraffing, en wel een zeer scherpe.
Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft en gij zijt dood, vers 1. Huichelarij en een betreurenswaardig verval van den godsdienst zijn de zonden, waarvan deze gemeente beschuldigd wordt door Hem, die haar en haar werken volkomen kende.
A. Deze gemeente had een groten naam verkregen, een zeer eervollen naam, dien van een bloeiende gemeente zijn. Zij was beroemd om haar levenden en levenskrachtigen godsdienst, haar zuiverheid in de leer, haar enigheid onder de leden, haar overeenstemming in eredienst en ordelijkheid. Wij lezen niet dat er enige ongelukkige verdeeldheid in haar gevonden werd. Alle dingen schenen goed in orde te zijn, zover de mensen dat konden beoordelen.
B. Deze gemeente was niet in werkelijkheid wat zij heette te zijn. Zij had den naam van te leven, maar zij was dood, er was een gedaante van godzaligheid, maar de kracht was er niet, den naam dat zij leefde, maar niet het levensbeginsel. Indien er al geen totaal gemis van leven was, dan was er toch een grote dodigheid in hun zielen en in hun dienst, een grote dodigheid in hun dienaren en in de bediening, in hun gebed, in hun prediking, in hun wandel. En een grote dodigheid in de gemeente, in horen, in bidden, in omgang. Het weinigje leven, dat er nog was in zeker opzicht, lag op sterven, zieltogende.
2. Onze Heere geeft deze ontaarde gemeente den best-mogelijken raad. Wees wakende en versterk het overige, dat sterven zou, vers 2.
A. Hij raadt hen om wakende te zijn. De oorzaak van hun zondige dodigheid en hun verval was, dat zij hun waakzaamheid afgelegd hadden. Zodra wij ophouden waakzaam te zijn, verliezen wij grond, en daarom moeten wij terugkeren tot onze waakzaamheid, tegen de zonde, den Satan en al wat verwoestend is voor het leven en de kracht der godzaligheid.
B. Te versterken hetgeen overig was en sterven zou. Sommigen verstaan dit van de mensen, er waren enigen overgebleven, die hun oprechtheid bewaard hadden, maar zij liepen gevaar van met de overigen onder te gaan. Het is moeilijk voor ons zelven het leven en de kracht der godzaligheid te behouden, wanneer wij zien dat een algemene dodigheid en achteruitgang rondom ons de overhand verkrijgen. Ook kan het betrekking hebben op hun praktijken, want er volgt: Ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God, vers 2. Er ontbreekt iets aan die werken, zíj zijn de schil maar missen den kern, er is een geraamte maar geen ziel, een schaduw maar geen lichaam. Het inwendige ontbreekt, de werken zijn hol en ledig, de gebeden zijn niet vervuld met heilige begeerten, de aalmoezen niet met ware weldadigheid, de rustdagen niet met ware toewijding der ziel aan God, er zijn geen inwendige genegenheden in overeenstemming met de uitwendige daden en uitdrukkingen. Welnu, overal waar de geest ontbreekt, kan de vorm niet lang blíjven bestaan.
C. Zij moeten zich hervatten. Gedenkt dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, vers 3. Zij moeten niet alleen gedenken wat zij ontvangen en gehoord hebben, welke boodschap zij van God ontvangen hadden, welke tekenen van Zijne barmhartigheid en genade jegens hen, welke leerredenen zij gehoord hadden-maar hoe zij het ontvangen en gehoord hadden, welke indrukken de barmhartigheden Gods in het begin op hun zielen gemaakt hadden, welke aandoeningen zij hadden voelen werken onder Zijn Woord en instellingen, de liefde van hun bruidsdagen, de vriendelijkheid van hun jeugd, hoe welkom het Evangelie en de genade Gods hun geweest waren toen zij die eerst ontvangen hadden. Waar is de zegen, waarvan zij toen gewaagden?
D. Zij moesten bewaren wat zij ontvangen hadden, opdat zij niet alles zouden verliezen, en zich bekeren, het in oprechtheid berouwen dat zij zoveel van het leven der godsvrucht verloren hadden en gevaar liepen er niets van over te houden. 3. Christus dringt Zijn raad aan met een vreeslijke bedreiging voor het geval, dat zij dien zouden verachten. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure Ik over u komen zal, vers 3. Merk op:
A. Wanneer Christus de Zijnen verlaat met Zijn genadige tegenwoordigheid, komt Hij over hen in oordeel. En Zijn rechterlijke tegenwoordigheid zal zeer vreeslijk zijn voor hen, die Zijn genadige tegenwoordigheid verzondigd hebben.
B. Zijn rechterlijke nadering tot een dode, vervallen gemeente zal verrassend zijn. Haar dodigheid zal haar in valse gerustheid brengen, en wanneer die een toornig bezoek van Christus aan haar veroorzaakt, zal zij voorkomen dat zij Zijn komst bemerken en er zich op voorbereiden.
C. Zulk een komst van Christus zal haar verlies berokkenen, Hij zal komen als een dief, om haar te beroven van haar overgebleven blijdschap en barmhartigheden, niet ten onrechte, maar in gerechtigheid en rechtvaardigheid, om al het misbruik dat zij er van gemaakt heeft.
4. Onze gezegende Heere laat deze zondigende dienaren en gemeente niet geheel zonder troost en bemoediging. Temidden Zijner oordelen gedenkt Hij Zijner barmhartigheden. In vers 4 :
A. Vermeldt Hij eervol het getrouwe, maar kleine, overblijfsel in Sardis. Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. Zij hadden niet ingewilligd met de toenemende verdorvenheid en bevlekking van den tijd en de plaats, waarin zij leefden. God let op ook het kleinste overblijfsel van degenen, die Hem verwachten, en hoe kleiner in aantal zij zijn, des te dierbaarder zijn zij in Zijn oog.
B. Hij geeft hun een zeer genadige belofte.
Zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn, in de stola, de witte klederen van rechtvaardigmaking, en aanneming, en vertroosting, -of in de witte klederen van eer en heerlijkheid in de toekomende wereld. Zij zullen wandelen met Christus in de heerlijke dreven van het hemelse paradijs, en welke kostelijke omgang zal daar zijn tussen Christus en hen, die daar met Hem zullen mogen wandelen! Deze eer is het gevolg van hun oprechtheid, welke hun getrouwheid voor hen bereid heeft, en het is in Christus niet vreemd dat Hij hun die bewijst, ofschoon het geen wettelijke maar een evangelische waardigheid is, die hun hier gegeven wordt, geen verdienste maar genade. Zij, die hier met Christus wandelen in de reine klederen van werkelijke, praktische heiligheid en zich onbesmet bewaren van de wereld, zullen in de toekomende wereld met Christus wandelen in de witte klederen van eer en heerlijkheid, dat is de daarop volgende beloning.
III. Wij komen nu tot het slot van dezen brief, waarin wij, evenals vroeger, hebben:
1. Een grote beloning beloofd aan den overwinnenden Christen, vers 5, en deze komt zeer veel overeen met hetgeen reeds gezegd was. Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen. De reinheid der genade zal beloond worden met volmaakte reinheid der heerlijkheid. De heiligheid, wanneer zij volmaakt is, zal haar eigen beloning zijn, de heerlijkheid is de volmaking van de genade, het verschil is niet in soort maar in graad. Hier wordt een andere belofte bijgevoegd, die in dit geval zeer eigenaardig past: En Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijnen Vader en voor Zijne engelen, vers 5. Merk op:
A. Christus heeft een boek des levens, een naamrol van allen, die het eeuwige leven beërven zullen. Dat is:
a. Het boek der eeuwige uitverkiezing.
b. Het boek der gedachtenis van allen, die voor God geleefd en in boze tijden het leven en de kracht der godzaligheid bewaard hebben.
B. Christus zal de namen van Zijn uitverkorenen en getrouwen niet uit dit boek des levens uitdoen. De mensen kunnen opgeschreven zijn in de registers der gemeente, als gedoopten, als degenen die belijdenis afgelegd hebben, als bezittende een naam dat zij leven, en die naam kan uit die boeken uitgedaan worden, wanneer blijkt dat het slechts een naam was, een naam van leven maar zonder geestelijk leven. Dezulken verliezen dikwijls dien naam nog voor hun dood, zij worden door God overgegeven om zelf hun namen uit te doen door grove en openbare goddeloosheid. Maar de namen van hen, die overwinnen, zullen nooit uitgedaan worden.
C. Christus zal dat boek des levens overleggen, en de namen van de getrouwen, die daarin staan, belijden voor God en al de engelen. Hij zal dit doen als hun Rechter, wanneer de boeken zullen geopend worden, Hij zal het doen als hun Leidsman en Hoofd, die hen zegepralend ten hemel leidt, en hen Zijnen Vader voorstellen. Zie hier Mij en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt. Hoe groot zal deze eer en beloning zijn!
2. De oproeping tot algemene aandacht besluit deze boodschap. Elk woord van God vereist de aandacht der mensen, hetgeen soms schijnt meer bijzonder tot een bepaalde groep van mensen gericht te zijn, heeft toch altijd iets leerrijks en onderwijzends voor allen.