Genesis 9:24-27
I. Hier komt Noach tot zichzelf. Hij ontwaakte van zijn wijn, de slaap had hem genezen, en, naar wij kunnen veronderstellen, zó genezen, dat hij naderhand nooit meer in die zonde is gevallen. Zij, die slapen, zoals Noach sliep, moeten ontwaken zoals hij ontwaakt is, en niet zoals de dronkaard, die, als hij ontwaakt is, zegt: "ik zal hem nog meer zoeken, Spreuken 23:35.
II. De geest van de profetie komt over hem, en gelijk de stervende Jakob, zegt hij aan zijn zonen, wat hun wedervaren zal, vers 25.
1. Hij spreekt een vloek uit over Kanaän, de zoon van Cham, in wie Cham zelf vervloekt is, hetzij omdat deze zoon nu meer schuldig was dan de overigen, of omdat de nakomelingen van deze zoon later uitgeroeid moesten worden uit hun land. ten einde plaats te maken voor Israël. En Mozes verhaalt het hier, om Israël te bemoedigen in de oorlog tegen Kanaän, hoewel de Kanaänieten een geducht volk waren, waren zij toch van oudsher een vervloekt volk, en de ondergang gewijd. De bijzondere vloek is: een knecht van de knechten, dat is: de laagste en verachtelijkste knecht, zal hij zijn, zelfs van zijn broederen. Zij, die door geboorte zijn gelijken waren, zullen door het recht van de verovering zijn heren zijn. Dit verwijst gewis naar de overwinningen, die Israël over hen behaald heeft waardoor zij allen of gedood werden, of schatplichtig werden gemaakt, Jozua 9:23, Richteren 1:28, 30, 33, 35, hetgeen omstreeks acht honderd jaren daarna gebeurd is. God bezoekt dikwijls de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, inzonderheid als de kinderen de boze neigingen erven van hun vaderen, en hun slechte praktijken navolgen, en niets doen om de overgang van die erfenis te verhinderen. Op diegenen wordt terecht schande gelegd, die schande leggen op anderen, inzonderheid hun ouders smaden en smart aandoen. Een oneerbiedig kind, dat zijn ouders bespot, is niet meer waardig een zoon genaamd te worden, maar verdient tot een huurling gemaakt te worden, ja, tot een knecht van de knechten onder zijn broederen. Hoewel nu een vloek Gods langzaam werkt, zal hij toch vroeg of laat zijn werking doen. Op de Kanaänieten rustte een vloek van slavernij, en toch hadden zij gedurende lange tijd de heerschappij, want een geslacht, een persoon kan onder de vloek Gods liggen, en toch nog lang voorspoedig zijn in de wereld, totdat hun mate van de ongerechtigheid, gelijk die van de Kanaänieten, vol is. Velen zijn getekend voor het verderf, die nog niet rijp zijn voor het verderf. En daarom: Uw hart zijn niet nijdig over de zondaren.
2. Hij legt een zegen op Sem en Jafeth.
a. Hij zegent Sem, of liever, hij zegent God voor hem, maar zo, dat het hem recht geeft op de grootst-mogelijke eer en geluk, vers 26. Hij noemt de Heere de God van Sem, en zalig, driewerf zalig, is "het volk, wiens God de Heere is," Psalm 144:15. Alle zegeningen zijn hierin begrepen. Dit was de zegen, gelegd op Abraham en zijn zaad, de God des hemels "heeft zich niet geschaamd hun God genoemd te worden," Hebreeën 11:16. Sem wordt wel genoegzaam beloond voor zijn eerbied jegens zijn vader door de eer, die God zelf op hem legt, om zijn God te zijn, hetgeen een genoegzame beloning is voor al onze diensten en al ons lijden om Zijns naams wil. Hij geeft Gode de eer van het goede werk, dat Sem gedaan had, en, in plaats van hem te zegenen en te loven, die slechts het werktuig was, zegent en looft hij God, die de werker is. De eer van hetgeen te eniger tijd door onszelf of anderen goed gedaan is, moet nederig en dankbaar toegebracht worden aan God, die alle goed werk in ons en voor ons werkt. Als wij van de mensen goede werken zien, dan moeten wij niet hen, maar "onze Vader verheerlijken", Mattheus 5:16. Zo heeft David in werkelijkheid Abigail gezegend, toen hij God zegende, die haar had gezonden, 1 Samuël 25:32, 33, want het is een eer en een gunst om voor God te mogen arbeiden en door Hem gebruikt te worden in goed doen. Hij voorziet en voorzegt dat Gods genaderijke handelingen met Sem en zijn geslacht van zodanige aard zullen zijn, dat het voor geheel de wereld zal blijken, dat Hij de God is van Sem, voor wie Hem door velen dankzegging zal worden toegebracht. Gezegend zij de Heere, de God van Sem. Er wordt te kennen gegeven, dat de kerk gebouwd en bestendigd zal worden in de nakomelingen van Sem, want uit hem kwamen de Joden, die gedurende lange tijd het enige belijdende volk waren, dat God in de wereld had. Sommigen denken, dat dit ziet op Christus, die de Heere God was, die in Zijn menselijke natuur uit de lenden van Sem zou voortkomen, want van hem, voor zoveel het vlees aangaat, is Christus gekomen. Kanaän wordt inzonderheid hem dienstbaar gemaakt. Kanaän zij hem een knecht. Zij, die de Heere tot hun God hebben, zullen zoveel van de eer en de macht van deze wereld ontvangen, als Hij goed voor hen acht.
b. Hij zegent Jafeth, en in hem de eilanden van de heidenen, die door zijn zaad werden bevolkt, vers 27. God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten.
Volgens sommigen behoort dit geheel en al tot Jafeth, en geeft het te kennen, hetzij:
Ten eerste. Zijn uitwendige voorspoed, dat zijn zaad zó talrijk zal zijn, en zó zegevierend dat zij meesters zullen wezen van Sems tenten, hetgeen vervuld werd toen het volk van de Joden het voornaamste van Sems geslacht, schatplichtig was, eerst aan de Grieken, en daarna aan de Romeinen, die beide van het zaad van Jafeth waren. Uitwendige voorspoed is geen onfeilbaar teken van de ware kerk, de tenten van Sem zijn niet altijd de tenten van de overwinnaar. Of:
Ten tweede. Het duidt de bekering van de heidenen en hun toebrenging tot de kerk aan, en dan zouden wij het willen lezen: God zal Jafeth overreden, want dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord-, en dan, aldus overreed zijnde, zal hij in Sems tenten wonen, dat is: Joden en heidenen zullen tezamen verenigd zijn in de schaapskooi van het Evangelie. Nadat velen uit de heidenen tot de Joodse Godsdienst zullen toegetreden zijn, zullen beide een zijn in Christus, Efeziers 2:14, 15, en de Christelijke kerk, die voor het merendeel opgebouwd is uit heidenen, zal de Joden opvolgen in de voorrechten van het lidmaatschap van de kerk, daar deze er zich door hun ongeloof uitgeworpen hebben, en dan zullen de heidenen in hun tenten wonen, Romeinen 11:11. Het is alleen God, die hen wederom in de kerk kan brengen, die er zich van afgescheiden hebben. Het is de kracht Gods, die het Evangelie van Christus een kracht doet zijn tot zaligheid, Romeinen 1:16. En wederom: er worden zielen in de kerk gebracht, niet door kracht of geweld, maar door overreding, Psalm 110:3. Zij worden getrokken door mensenzelen, overreed door rede om Godsdienstig te zijn.
Anderen verdelen dit tussen Jafeth en Sem daar Sem niet direct gezegend was, vers 26.
Ten eerste. Jafeth heeft de zegen van de aarde beneden, God breide Jafeth uit, vermeerdere zijn zaad, verruime zijn grenzen. Jafeths nageslacht bevolkte geheel Europa, een groot deel van Azië, en misschien Amerika. God moet erkend worden in al onze uitbreidingen. Hij is het, die de landpalen vergroot en het hart verruimt. En wederom: Velen wonen in grote tenten, die niet, zoals Jafeth, in Gods tenten wonen.
Ten tweede. Sem heeft de zegen van de hemel hierboven. Hij, dat is God, zal in Sems tenten wonen, dat is: "Uit zijn lenden zal Christus voortkomen, en in zijn zaad de kerk in stand blijven." Het geboorterecht moest nu verdeeld worden tussen Sem en Jafeth daar Cham voor goed uitgesloten werd. Zij delen gelijkelijk in de vorstelijke waardigheid, Kanaän zal beide tot knecht zijn. Het dubbele deel is aan Jafeth gegeven, die God zal uitbreiden, maar het priesterschap is aan Sem geschonken, want God zal in Sems tenten wonen, en voorzeker zijn wij gelukkiger indien God in onze tenten woont, dan wanneer wij er al het goud en al het zilver van de wereld in hadden. Het is beter, om met God in tenten te wonen dan zonder Hem in paleizen, in Salem, waar Gods tabernakel is, is meer voldoening dan in al de eilanden van de heidenen.
Ten derde. Beiden hebben zij heerschappij over Kanaän, Kanaän zal hun een knecht zijn, zoals sommigen de tekst lezen. Als Jafeth zich met Sem verenigt moet Kanaän voor die beide vallen. Als vreemdelingen vrienden worden, worden vijanden knechten.