10. En ik, geheel overweldigd door de waardigheid van degene, die mij zo'n boodschap in de naam van God overbracht, viel neer voor zijn voeten, om hem te aanbidden (
Handelingen 10:25 v.), omdat ik geloofde in hem de Heere zelf voor mij te hebben. En hij zei: a) "Zie, dat u dat niet doet; ik ben slechts een van de dienstknechten van de Heere en zo uw mededienstknecht en een mededienstknecht van uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben. Ik getuig door hetgeen ik u zo-even bevolenheb te schrijven slechts van Jezus, maar ben niet de Heere. Aanbid God (
Hoofdstuk 22:8 v.). Want de getuigenis van Jezus, als Hij die een mens mededeelt, zoals u hier door mededeling van de Openbaring eschiedt, is de geest van de profetie, zodat hij, die de getuigenis ontvangt, daardoor vanzelf met de geest van de profetie vervuld wordt Re 22:6.
a) Handelingen 14:14
Wij moesten vroeger streng vasthouden, dat onder de vrouw, die zwanger was en grote weeën had om te baren (Hoofdstuk 12) het verbondsvolk van het Oude Testament moest worden verstaan, waaruit Christus naar het vlees voortkomt (Romeinen 9:5) en niet de verbondsgemeente van het Nieuwe Testament, die ten gevolge van Israëls verharding voornamelijk uit heidenen was opgericht, als men het gezicht van de vrouw met de zon echt wil verklaren. Zo moeten wij ook nu vasthouden, dat de bruid van het Lam, de vrouw, waarmee de Heere Zijn bruiloft wil houden, eveneens Israël is, namelijk het nu tot Christus bekeerde, in Zijn eigen olijfboom weer ingelijfde (Romeinen 11:23) Israël. Zonder twijfel spreekt Paulus voor de tijd, dat het rijk van God van Israël was genomen en de heidenen gegeven, van de gemeente uit deze vergaderd, geheel onder hetzelfde beeld (Efeze 5:22, 2 Corinthiërs 11:2 Zo zouden de gedachten, die vele theologen voeden, alsof nu deze verbondsgemeente uit de heidenen, of de Kerk als het Israël van God in de rechten en in de plaats van het Israël naar het vlees getreden was en de erfenis voor zich volledig verkregen had, zodat onmiddellijk aan haar Gods beloften voor de laatste tijd vervuld zouden worden en Israël naar het vlees alleen daardoor zalig zou kunnen worden, dat het overgaat tot de Kerk, zeer juist zijn. Inderdaad zou het aldus zijn, zoals men veelal beweert, dat reeds met zijn overgaan tot de Kerk Israël ook in geestelijke zin weer tot het bezitten van zijn land komt, terwijl een terugkeren in het werkelijke Kanaän een in de grond onverschillige zaak zou zijn en alleen van ondergeschikte betekenis (het overblijfsel naar de verkiezing van de genade uit Israël heeft een betere erve verkregen, schrijft Hengstenberg, namelijk de aarde van het een einde tot het andere en de hemelse heerlijkheid. In het bezit van deze erfenis ziet het op het oude land Kanaän neer en daaraan nog enig gewicht toe te kennen zou een treurig anachronisme zijn), als het aan de genade van de Heere was gelukt, de verbondsgemeente uit de heidenen opgericht, tot een welversierde bruid toe te bereiden en de Kerk te maken tot een vrouw, die ook getrouw is aan Hem, met wie zij getrouwd is. Wij zagen echter onder de 7 vormen van de Kerk in Hoofdstuk 2, 8 slotte zo een, die de Heere uit Zijn mond moet spuwen. Wij zien in Hoofdstuk 11:8 de Christenen tot een Stad geworden, die geestelijk genoemd wordt "Sodoma en Egypte, waar ook onze Heere gekruisigd is" en wij zien in Hoofdstuk 17:1, de vrouw zitten op het scharlakenrode dier, dat vol namen van godslastering is. Men zal toch wel niet menen, dat in deze stad de Joden in te leiden zou kunnen heten ze in Kanaän te brengen? en met zo'n vrouw zich te verbinden, opdat de beloofde dag van de bruiloft komt, dat zal men toch wel niet het Lam willen toeschrijven? Men zal wel daartegen zeggen, dat de uitwendige, ontaarde Christenheid toch niet de echte, de ware Kerk is, dat integendeel gesproken wordt van die onzichtbare Kerk, bestaande uit hen, die de Heere als de Zijnen kent en die verstrooid waren over de hele aardbol, of met andere woorden, van de gemeente van heiligen, die in weerwil van alle uitwendig verderf van de Kerk toch altijd, al is het vaak in een zeer gering aantal van leden, aanwezig is. Intussen staat het gezicht (Hoofdstuk 14:1-5) toch niet om niet in het boek van de Openbaring. Het toont ons zo duidelijk en bepaald als mogelijk is een gesloten gemeente van heiligen; een schare, staande bij het Lam op de berg Zion, van degenen, die met vrouwen niet bevlekt zijn, maar maagden zijn en in wier mond geen bedrog is gevonden. Deze zijn diezelfde honderd vierenveertig duizend, die reeds in Hoofdstuk 7:1, zijn genoemd, en daar uitdrukkelijk als de verzegelden uit de twaalf geslachten van Israël werden voorgesteld. Slechts een bodemloze willekeur in de uitlegging kan beweren, dat van de twaalf stammen van de kinderen van Israël hier niet in Joodse maar in Israëlitisch-Christelijke zin sprake is, nadat Paulus in Romeinen 11:26 uitdrukkelijk heeft gezegd, dat nog eens geheel Israël zal zalig worden. De heilige ziener zou ons juist op een dwaalweg hebben geleid, als hij elke stam in het bijzonder zelfs bij name genoemd en het getal heeft aangewezen, voor elk bestemd en voor alle stammen gelijk en dan toch zou hebben bedoeld, dat niet van Juda, Ruben, Gad, Aser enz. werd gesproken, maar van Grieken, Romeinen, Germanen, negers enz. en dat men de twaalf duizend uit iedere stam niet zou moeten houden voor gelijke getallen, maar voor een onbekend X, dat hier zo groot en daar zo groot en in een derde, vierde enz. geval weer zo groot zou zijn. Ja, zonder twijfel hetzelfde Israël naar het vlees bedoeld, waarvan ook Paulus spreekt, dan kan met verstand in Hoofdstuk 14:1, die tijd worden gedacht, dat het woord van deze apostel tot werkelijkheid is geworden, dat Israël tot de kennis van Jezus Christus is gekomen en in zijn vaderland teruggebracht. En hoe belangrijk dit terugvoeren in de geschiedenis van de leidingen van God met Zijn uitverkoren verbondsvolk is, dat leert men uit de profeten van het Oude Testament en vooral wordt dat aangewezen in Ezechiel 47:13; 48:35 de tijd van de verstrooiing van Israël onder de heidenen, die nu nog voortduurt, kan het woord van Hengstenberg, boven aangehaald, als in het algemeen juist gelden. Als zich nu enige Joden tot Christus keren en het geloof aannemen, moeten zij de heilige Christelijke Kerk voor hun vaderland, voor het geestelijk Kanaän aanzien, waaraan zij zijn teruggegeven (Hooglied 1:8). Maar Israël als volk te herstellen, het als geheel zalig te maken, is de Heere niet mogelijk, als Hij het niet terugbrengt in het land, oorspronkelijk gegeven en tot een blijvende erve bestemd. En nu kunnen wij juist weer uit de profeet Ezechiël leren, waardoor het is, dat Israël, als het eens bekeerd zal zijn en het deksel van zijn hart zal zijn weggenomen, omdat ook in alle leden een geheel verootmoedigde en gereinigde gemeente zal vormen en om ons van die uitdrukking te bedienen, een kerkvorm zal scheppen, zoals die de wereld slechts eenmaal en voor korte tijd heeft gezien in de eerste apostolische Kerk. Wij hebben bij de verklaring van die profeet op de afzonderlijke belangrijke punten opmerkzaam gemaakt en willen hier niet alles herhalen. Deze Zionsgemeente is dan die, die op onze plaats onder de vrouw moet worden verstaan, die zich bereid heeft. Haar is gegeven zich te bekleden met rein en schoon lijnwaad en zo is het ook duidelijk, waarom later, als het rijk van de heerlijkheid van de hemel verschijnt, dit als het nieuwe Jeruzalem wordt voorgesteld. Het zou volstrekt onmogelijk zijn, als de geschiedenis van het Godsrijk op aarde sloot met het profeten- en Christus-moordende Jeruzalem, dat, nadat het de Heere zelf aan het kruis had genageld, ook diegenen gegeseld, vervolgd en gedood heeft, die Hij na het oprichten van de Kerk tot hen had gezonden (Mattheus 23:34 v.). Jeruzalems naam zou dan de samenvatting zijn van de boosheid en van de hele goddelijke vloek, maar niet de drager van de genadige raadsbesluiten van God. Daarentegen vertoont de geschiedenis van de ontwikkeling van de laatste dingen, zoals het profetische woord die voorstelt, ons een Jeruzalem, dat tot een stad is geworden, die genoemd wordt: "De Heere is aldaar" (Ezechiel 48:35), tot een stad, waar de Heere Zijn rijk van genade heeft kunnen bouwen tot aan de op aarde hoogst mogelijke volkomenheid. Jeruzalem heet daarom ook het rijk van de heerlijkheid, waaraan ook wij denken, als wij zingen: "Jeruzalem, dat ik u bemin". De gelovigen uit de heidenen treden van die tijd, dat Israël weer tot de bruid van het Lam is geworden, in die verhouding, die vanaf het begin bestaan heeft: de goede Herder leidt hen, die niet van deze stal zijn, tot Zijn kudde; de heidenen worden aan Israël toegevoegd. Dit wordt verwezenlijkt bij de oprichting van het duizendjarig rijk, als de onthoofden om de getuigenis van Jezus en om het woord van God en zij, die het dier noch zijn beeld hebben aangebeden en zijn kenteken niet hebben aangenomen, weer worden levend gemaakt, om met Christus te leven en te regeren duizend jaren (Hoofdstuk 20:4). Bij het laatste oordeel wordt dat ook verwezenlijkt, omdat zij, die de eeuwige zaligheid wordt beloofd, als gasten worden toegelaten tot het avondmaal van het Lam, dat tot viering van Zijn bruiloft wordt gehouden (Vers 9 vgl. Mattheus 25:9). Ons hoofdstuk is geheel zo nauw verwant met Hoofdstuk 14, dat wij, evenals de bruiloft van het Lam in het bijzonder op Israël als de vrouw of de verloofde zag, die wij in Hoofdstuk 14:1-5 voor ons hadden, zo nu de genodigden tot het avondmaal de uitverkorenen uit de heidense volken zijn, die reeds bij hun sterven een zekere mate van zaligheid hebben verkregen (Hoofdstuk 14:13), maar nu in het volle bezit ervan moeten komen (vgl. Hoofdstuk 20:6).
Wat het einde van het geloof, de zaligheid van de zielen aangaat, wordt voor de geredden uit de heidenen in vergelijking met de uitverkorenen van Israël geen mindere mate beweerd, doordat Israël als de bruid wordt voorgesteld, waarmee het Lam bruiloft houdt, terwijl de heidenen slechts de gasten bij het bruiloftsmaal zijn. Dat evenwel op die weg tot dat einde Israël een zekere voorrang heeft, die wij Christenen uit de heidenen niet terzijde kunnen stellen, om ons met eigen inbeeldingen te verheffen en onze kerkvormen voor het non plus ultra te houden, zoals meestal geschiedt, daarop heeft reeds Paulus in Romeinen 11:18, Ro opmerkzaam gemaakt en de kerkelijke ontwikkelingen van deze tijd zullen hoe langer hoe meer zo worden, dat deze apostolische vermaning ons beter dan tot hiertoe ter harte zal gaan (vgl. het slotwoord op de profeet Ezechiël).
Wij voegen bij onze uitlegging nu nog enkele opmerkingen over bijzonderheden uit hetgeen de uitleggers bij het hele gedeelte, Vers 1-10, hebben gezegd: "Het hallelujah komt voor de eerste maal voor in Psalm 104:35, bij het blijde uitzien op hetgeen God tot wegneming van de ergernissen uit Zijn rijk zal doen: "De zondaars zullen van de aarde verdaan worden en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof de Heere, mijn ziel! Hallelujah! " Het is daarom ook nu des te merkwaardiger, dat zich nu in deze dierbare getuigenis van de Openbaring, waarin reeds vele aanbidding van God is voorgekomen, het hallelujah voor de eerste maal daar wordt gehoord, waar het zeer nabij komt van hetgeen met de bovenstaande woorden wordt gezegd: De zondaars zullen van de aarde verdaan worden enz., omdat namelijk de grote hoer reeds is geoordeeld en het ook de overige tegenstanders van God en Christus zeer hard zal zijn.
Het onderwerp van de lof van de gemeente is tweevoudig, ten eerste dat de Almachtige het rijk heeft aanvaard, vervolgens dat de bruiloft van het Lam is gekomen; beiden gaan met elkaar hand aan hand; het eerste is de negatieve zijde (de grond van de heerschappij van God is de overwinning van de vijanden), het tweede is de positieve zijde, zodra de vijanden van God neer zijn neer geworpen, begint de verheerlijking van de Kerk.
Evenals het eerste koorgezang het verledene bezingt, de oordelen, die over Babel zijn gekomen, zo handelt het tweede over de toekomst, in zoverre het volledige komen van het rijk van God nabij is. Tot hiertoe mocht het de schijn hebben, alsof God van de heerschappij had afstand gedaan en de wereld aan de machten van de bozen had overgelaten, om ongehinderd voort te gaan, nu is echter vooral door Babylons val bewezen, zoals Hij het ook vervolgens door de val van het beest zal tonen, dat Hij toch God de Heere, de Almachtige, d. i. de Alleenheerser is, wie het rijk toekomt en van nu aan is Zijn heerlijkheid niet meer een verborgen, door vijandige machten gekruisigd en schijnbaar verduisterd, maar voor de hele wereld openbaar en bestaande in volle ongehinderde werking. Hij heeft bezit van het rijk genomen, daarom Hallelujah! maar de heerschappij van God, die nu komen zal, is die van de duizend jaren.
Drie dingen moeten de gelovigen weten (Hoofdstuk 14:13; 19:9; 21:5 : 1) hoe goed God het meent en maakt met hen, die Hij door de dood aan de laatste verdrukkingen onttrekt; 2) wat een zaligheid hun is bescheiden, die tot deelneming aan het duizendjarig rijk zijn verkoren; 3) dat God zeker nog eens alles nieuw maakt en alle gelovigen deel zullen hebben aan de heerlijkheid van de eeuwige wereld.
De bijzondere aanleiding, die Johannes bewoog om neer te vallen voor de geleidende engel, die naast hem stond, kunnen wij vinden in de omstandigheid, dat de engel zei: "deze zijn de waarachtige woorden van God. " Eerst had Johannes de engel juist beschouwd, maar door het hier gezegde kwam hij tot het vermoeden, dat de Heere zelf tot hem sprak.
Het afwijzend woord van de engel zegt hem nu: ik ben niet meer dan u, een drager van de goddelijke openbaring en van de Geest van God.
Juist diezelfde Geest, wil de engel zeggen, die door hen spreekt en handelt, die de getuigenis van Jezus hebben, die is het ook, die door mij spreekt.
De mens wordt door Jezus, als Hij Zijn getuigenis aan een mens mededeelt, met de geest van de profetie vervuld. Reeds de eerste eenvoudige getuigenis, dat wij kinderen van God zijn (Romeinen 8:21) is van profetische aard, in zoverre wij eerst in Zijn rijk komen tot de vrijheid van de kinderen van God, dus tot het werkelijk genot van het kindschap. Hier, binnen de Openbaring, die Jezus Christus van de Vader heeft ontvangen om die verder aan Zijn knechten te geven (Hoofdstuk 1:1) wordt de getuigenis van Jezus volkomen tot inspiratie (ingeving), tot de geest van de profetie. Die de getuigenis van Jezus heeft, heeft ook deel aan de Geest, die de profetie voortbrengt en deze leert verstaan, omdat alle profetie Jezus Christus tot inhoud heeft en dus de erkentenis en de belijdenis van Jezus Christus de sleutel van de toekomst is.
Hoe is het nu mogelijk, dat het tegenover dit woord van de engel tot die verering van de engelen, ja zelfs van mensen en hun beeldtenissen is kunnen komen, die ondanks de nietswaardige onderscheiding tussen verering en aanbidding, van de laatste in niets verschilt! Inderdaad, als wij niet wisten, dat de Kerk, die zich aan deze zonde schuldig maakt, de vrouw in Hoofdstuk 17 was, dan moest tegenover dit woord van de engel zo'n aanbidding ondenkbaar voorkomen.
Stof in de rijkste overvloed is er aanwezig tot vreugde en vrolijkheid, tot jubelen en juichen en ter verheerlijking van God, omdat de hoogtijd van het Lam is gekomen en Zijn Bruid zich heeft toebereid. De bruiloft van het Lam is Christus' wederverschijning, bij welke gelegenheid de bruidegom met de bruid samenkomt en de jonkvrouwen uitgaan de bruidegom en de bruid tegemoet. Eerst aan de Zaterdagavond van deze wereld heeft de zichtbare vereniging van Christus met Zijn gemeente op aarde plaats. Vroeger was die vereniging een onzichtbare. Pas op de wereld-Zaterdagavond zijn alle zielen toegebracht, die het aandeel aan de bruiloft van het Lam is weggelegd en, hoewel ook velen vroeger voleindigd zijn, zo is toch dan eerst de schare van de eerstelingen van de schepping voltallig en dan pas de tijd gekomen, dat Jezus zichtbaar ten dage van Zijn legerkracht de aarde betreedt, waar Hem Zijn gewillig volk, met het prachtgewaad van de heiligheid bekleed, volgt. Psalm 110:3 Op deze dag zal de bruid luistervol in haar verheerlijkt opstandingslichaam prijken, wanneer de eersten van ons geslacht in zonnepracht, met Jezus, de grote Zon, van de hemel neerdalen en gedurende het Duizendjarig Rijk op aarde wonen, ofschoon zij zich niet altijd, evenmin als Jezus na Zijn opstanding, zichtbaar zullen vertonen.
De morgenschemering van de dag van de eeuwige bruiloft is aangebroken en de grote zegepraal over de heidense volken, die dorstend knielen aan de bron van het leven, nadat zij hun vijandschap tegen het kruis hebben afgelegd. Reeds bereidt zich de vrouw van het Lam, om olie te hebben in haar lampen, opdat zij, wanneer het morgenrood daagt, de Heere der heerlijkheid waardig ontvangt en zich met Hem zet aan de bruilofstmaaltijd. Maar de lofzingende schare blikt ver heen over de stil verborgen bruiloft van de strijdende Kerk met haar bloedbruidegom; zij gaat verder dan de innige gemeenschap van de Heere Jezus met de Zijnen gedurende de dagen van de beproeving; verder dan dat Hij met hen was al de dagen tot aan de voleinding van de wereld. Zij vestigt het oog op de toekomstige onvergankelijke openbaring van Zijn liefde, zoals de zegepralende Kerk die ondervindt bij Zijn terugkomst. De tijd van Zijn kruisdood tot aan de dag van Zijn glorievolle terugkomst, wordt aangemerkt als een afwezigheid van de Bruidegom, terwijl de strijdende bruid op aarde zich verheugt in de toekomstige vereniging. Maar ofschoon tot nog toe slechts een verloofde, wordt zij reeds "wijf" genoemd, naar Bijbels spraakgebruik. Wij worden zo hier reeds verder verplaatst dan de overwinning over de tien koningen, verder dan de duizend jaren, verder dan de laatste overwinning, die over Gog en Magog. Bij voorraad wordt hier gezinspeeld op hetgeen later 1) zal voorkomen, wanneer geheel zal zijn vervuld hetgeen eenmaal profetisch werd gezongen:
Dan zal, na zoveel gunstbewijzen, `t Gezegend heidendom `t Geluk van dezen Koning prijzen, Die Davids troon beklom. Geloofd zij God, dat eeuwig wezen, Bekleed met mogendheên! De Heer, in Israël geprezen, Doet wond'ren, Hij alleen. Dit moet verschrikkelijk zijn voor de vrienden van Babylon. God laat de Zijnen zingen over het lot van deze stad. Is het wonder, dat de modernen de God van de Bijbel niet kunnen verdragen? Toch heeft de Heere reeds lang aan Zijn vijanden doen verkondigen dat het daartoe komen zou; dat Hij in hun verderf zal lachen. Bezien wij de zaak wat nauwkeuriger, dan vervalt het stuitende van de Hallelujah's en ze worden zeer begrijpelijk. Wat staat er? Hallelujah! de zaligheid en de heerlijkheid en de eer, en de kracht zij de Heere, onze God! Dit was tot dusver verhinderd door de hoererijen van Babylon; deze maakten het onmogelijk, dat de mens zijn geluk, zijn heerlijkheid, eer en kracht in God vond en aan God wijdde. Op dubbele wijze had Babylon dat onmogelijk gemaakt, namelijk door de mensen te verleiden en door het doden van de goedgezinden. Van Gods zijde was alles gedaan om haar te genezen; zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft! Het antwoord van Babylon op deze liefde is het doden van de Zoon en voortgezette opstand tot openbare godslastering toe, ja in haar laatste tijdperk brengt Babylon het zover, dat zij al wat bovennatuurlijk is, haat en God en godsdienst als de oorzaak van alle ellende op aarde aanmerkt. Daarom vervolgt zij onder de antichrist allen, die niet met haar instemmen. Zij graaft voor Gods kinderen een kuil, maar valt er zelf in. Daarom zijn de Hallelujah's in de hemel allezins redelijk.
Het Lam is Christus, de vrouw van het Lam is Zijn gemeente, soms in het algemeen genomen en wordt ook vaak Zijn bruid genoemd, soms de Joodse Kerk in tegenstelling tot de heidenen (Jesaja 54:1). Want de kinderen van de eenzame zijn meer dan de kinderen van de getrouwde. Na hun verlating zouden zij de Heere weer noemen: mijn man (Hosea 2:15) En de Heere zei van hen Vers 18 : Ik zal u ondertrouwen in eeuwigheid. Zij zouden, nadat zij zouden geweest zijn Lo-ruchama, Lo-ammi (Hosea 1:8, 9) weer genoemd worden Ammi, Ruchama, mijn volk, mijn ontfermden (Vers 12). Deze Joodse natie komt hier voor onder de benaming van de vrouw van het Lam; de bruiloft is hun hereniging met Christus door bekering tot Hem en geloof in Hem. Dat de Joodse natie weer bekeerd en aangenomen zal worden is in het brede en duidelijk bewezen. Het is gans te geloven, dat die grote zaak en verandering van de Kerk in de Openbaring iet is verzwegen en nergens vindt men ze dan in de zesde schaal (Hoofdstuk 16:12) en hier, waar de zesde schaal verklaard wordt. Dit kan op de Kerk uit de heidenen niet toegepast worden, omdat die nu al van de tijden van de Apostelen af uit heidenen bestaan heeft en nu ook al lang Babel had verlaten en zich openbaar in de wereld vertoond heeft, en omdat hier van deze zaak gesproken wordt als van die, die het eerst gebeurde en die zo groot was dat hemel en aarde daarover verwonderd en verblijd waren, evenals de aanneming van de Joodse natie het leven uit de dode zal zijn (Romeinen 11:15 een bruiloft, die het begin van een huwelijk is. De bekering van de Joden wordt onder anderen beschreven door de vergeving van de zonden of rechtvaardigmaking (Jeremia 31:34). Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken. Alsmede door bekering (Hosea 3:5): Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren. En evenzo wordt gesproken van de vrouw van het Lam. Zijn vrouw heeft zich bereid; zij heeft haar vorig zondig en ongelovig leven verlaten en zich begeven tot geloof, hoop en liefde en grote ijver tot de Heere en zij is bekleed met rein blinkend fijn lijnwaad, dat de rechtvaardigmakingen van de heiligen zijn, de afwassingen van de zonden in het bloed van Christus en de gehoorzaamheid van Christus, waarmee zij bekleed zijnde, aangenaam is bij God.
Zoals de eerste komst van Christus een bruiloft was genoemd (Mattheus 22:2), waardoor Hij de heidenen Zich toevoegt en hen nodigt te komen tot Zijn huwelijksbed, zo zal het veel meer de tijd van Zijn bruiloft zijn, als Hij weer de Joden zal aannemen in liefde en gemeenschap, die de eersten waren, wie Hij liefde toedroeg. Door deze bruiloftsmaaltijd wordt zonder twijfel verstaan de vreugd en feesttijd van de Kerk, die geestelijk is en in het laatste van de dagen zal toegebracht worden. Als Joden en heidenen tot één lichaam zullen gebracht zijn, waardoor de Kerk heerlijk versierd met hemelgaven van de Heilige Geest, de innigste gemeenschap van Jezus Christus en allerlei genadegiften, die uit de gerechtigheid van de Heiland tot haar zullen overstromen, overvloedig genieten zal, nadat haar vijanden verwoest en vernield zullem zijn. De bruiloft zelf beeldt de innigste vereniging af van Christus met Zijn Kerk, door onderlinge trouwbelofte en huwelijksverband verzegeld, om een geestelijk nageslacht te verkrijgen, dat de hele aarde vervullen moet (Hosea 11:8). De bruiloftsmaaltijd stelt de genadegiften voor, die uit kracht van Jezus gerechtigheid tot verzadiging en vreugde geschonken worden. De kleren van `s Heilands bruid zijn de voortreffelijke deugden en gaven, waarmee zij bekleed en versierd is.