Psalm 104:31-35
De psalmist eindigt deze overdenking met:
1. Lof te spreken van God, hetgeen in deze psalm voornamelijk bedoeld is.
A. Hij moet geloofd worden,
a. als een groot God, en een God van weergaloze volmaaktheid. De heerlijkheid des Heeren zij tot in eeuwigheid, vers 31. Zij zal duren tot aan het einde des tijds in Zijn werken van de schepping en van de voorzienigheid, zij zal duren tot in eeuwigheid in de gelukzaligheid en aanbidding van heiligen en engelen. Des mensen heerlijkheid verwelkt, Gods heerlijkheid is eeuwig, schepselen veranderen, maar in de Schepper is geen verandering.
b. Als een genadig God, de Heere verblijde zich in Zijn werken. Hij heeft nog het welgevallen in de voortbrengselen van Zijn wijsheid, dat Hij gehad heeft toen Hij "alles zag wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed, en op de zevenden dag heeft gerust." Wij doen dikwijls hetgeen waarin wij ons bij nadere beschouwing niet kunnen verblijden, maar dat ons veeleer mishaagt en dat wij ongedaan wensen. Maar God verblijdt zich altijd in Zijn werken, omdat zij alle met wijsheid gemaakt zijn. Wij hebben berouw van onze daden van milddadigheid maar God heeft nooit berouw van de Zijne Hij verblijdt zich in de werken van Zijn genade, Zijn genadegiften en roeping zijn onberouwelijk.
c. Als een God van almachtige kracht, als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij, vers 32 niet instaat zijnde om Zijn toornige blik te verduren, zij beeft, zoals de Sinai gebeefd heeft voor het aangezicht des Heeren. Als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. De vulkanen, of brandende bergen, zoals de Etna, zijn zinnebeelden van de kracht van Gods toorn over hoogmoedige, onverootmoedigde zondaren. Indien een toornige blik en een aanraking zulke uitwerkingen teweegbrengen, wat zal dan het gewicht van Zijn zware hand niet doen, en de werking van Zijn uitgestrekte arm niet teweegbrengen? Wie kent de sterkte van Zijn toorn? Wie durft hem dan trotseren? God verblijdt zich in Zijn werken, omdat zij Hem alle onderworpen en gehoorzaam zijn, en evenzo zal Hij een welbehagen hebben in degenen, die Hem vrezen en die beven voor Zijn woord.
B. De psalmist zelf zal zeer ijverig zijn in Hem te loven vers 33. "Ik zal de Heere zingen in mijn leven, ik zal mijn God psalmzingen, ik zal Hem loven als Jehovah, de Schepper, en als mijn God, een God in verbond met mij, en dat wel niet alleen thans, maar zolang ik leef, en terwijl ik nog ben." Omdat wij ons leven en bestaan van God hebben, en van Hem afhankelijk zijn voor het onderhoud en het voortduren ervan, moeten wij zolang wij leven en ons bestaan hebben God blijven loven, en als wij geen leven, geen aanzijn hebben op aarde, dan hopen wij een beter leven en bestaan te hebben in een betere wereld, en daar dit werk op betere wijze te zullen doen, en in beter gezelschap.
2. Van blijdschap te spreken voor zichzelf vers 34. Mijne overdenking van Hem zal zoet wezen, invloed ten goede oefenen, en daarom zal zij zoet wezen. Gedachten van God zullen het lieflijkst zijn als zij het krachtigst zijn. Goddelijke overdenkingen te hebben is een zeer lieflijke plicht voor allen, die geheiligd zijn. "Ik zal mij in de Heere verblijden, het zal mij een genot zijn Hem te loven, ik zal blijde zijn met iedere gelegenheid om Zijn heerlijkheid te verkondigen, en ik zal mij altijd verblijden in de Heere, en in Hem alleen. Al mijn blijdschap zal haar middelpunt hebben in Hem, en in Hem zal zij volkomen wezen.
3. Van verschrikking te spreken voor de goddelozen, vers 35.
a. De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Zij, die de God van macht tegenstaan en tegen Hem strijden, zullen gewis verdaan worden, wie zich verhardt tegen de Almachtige kan niet voorspoedig zijn.
b. Zij, die rebelleren tegen het licht van zo'n overtuigend bewijs van Gods bestaan, en weigeren Hem te dienen, die alle schepselen dienen, zullen rechtvaardiglijk verdaan worden. Zij, die deze aarde doen zuchten onder de last van hun goddeloosheid, welke God aldus vervult van Zijn schatten, verdienen om er van verdaan te worden, dat zij ervan worden uitgespuwd.
c. Zij, die zelf van harte begeren God te loven, kunnen niet anders dan een heilige verontwaardiging koesteren tegen hen die Hem lasteren en onteren, en een heilige voldoening smaken in het vooruitzicht van hun verderf, en van de eer, die God hierdoor zal verwerven. Ook dit moet hun stof zijn tot lof." Als zondaars verdaan worden van de aarde laat dan mijne ziel de Heere loven, dat ik niet weggeraapt ben met de werkers van de ongerechtigheid, maar door de bijzondere genade Gods van hen ben onderscheiden. Als de goddelozen niet meer zijn, dan hoop ik God te loven tot in eeuwigheid, en daarom: looft de Heere, laat allen, die rondom mij zijn zich met mij verenigen in God te loven. Hallelujah, lofzingt Jehovah." Dit is de eerste maal dat wij het woord Hallelujah ontmoeten, en hier wordt het gebruikt bij gelegenheid van het verdaan worden van de goddelozen, en als wij het voor het laatst ontmoeten dan is het bij een zelfde gelegenheid, als het NieuwTestamentische Babylon verdaan wordt, dan is het refrein van het lied Hallelujah, Openbaring 19:1, 3, 4, 6.