18. a) Dat dan niemand u overheerst naar zijn wil, om u af te trekken, dat u zijn wijze van handelen zou aannemen en de weg verlaten, die u volgens uw hemelse roeping van God in Christus Jezus moet bewandelen (
Filippenzen 3:14.
1 Corinthiërs 9:24 Wandel niemand in nederigheid en dienst van de engelen, zich begevend tot hetgeen gering en laag en krachteloos is en zijn vertrouwen stellend op de hemelgeesten, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, maar slechts een beeld van zijn fantasie is (
1 Timotheus 1:4 Titus 3:9), tevergeefs, zonder oorzaak of enige grond opgeblazen zijnde door het verstand van zijn vlees. Hij denkt dat hij op de weg, door hemingeslagen, een toonbeeld van heiligheid zal worden, terwijl hij toch in waarheid een mens blijft, zelfzuchtig en door zijn vlees beheerst.
a) Jeremia 29:8 Mattheus 24:4 Efeze 5:6. 2 Thessalonicenzen 2:3. 1 Johannes 4:1
Die door de engelen, als door middellaars, tot God wil gaan, ontkent ten eerste de volmaaktheid en voldoendeheid van die voldoening, die Jezus, als het vertegenwoordigend Verbondshoofd heeft daargesteld. Erkende hij die toch ten volle, dan zou hij naast Jezus geen andere middelaars van voorspraak zoeken, maar hij zou met vrijmoedigheid tot de genadetroon gaan op die verse en levende weg, die Jezus heeft ingewijd door Zijn goddelijk bloed. - Die door de engelen, als middellaars van voorspraak, tot God wil gaan en daarom de engelen zelf aanbidt, verdonkert en verloochent Jezus als het bestierend en gezagvoerend Hoofd. Want niet alleen doet hij de engelen delen in die eer, die alleen God en het Lam toekomt, maar hij toont ook te wantrouwen, òf aan de voldoendeheid en macht van Jezus òf aan Zijn goedwilligheid, om hem al het nodige te schenken. - En evenzo verzaakt men ook Jezus, als het vervullend Hoofd, wanneer men bij engelen heil en troost zoekt, zoals elk vanzelf begrijpt.