Hooglied 1:7-11
I. Hier is de nederige bede, die de bruid doet aan haar beminde, de herderin aan de herder, de kerk en iedere gelovige aan Christus, om een vrijer en inniger gemeenschap met Hem. Zij keert zich af van de dochters van Jeruzalem aan wie zij beide haar zonden en haar leed geklaagd had, en ziet op naar de hemel om hulp voor en verlichting van beide, vers 7, waar wij hebben te letten:
1. Op de titel, die zij aan Christus geeft: Gij, die mijn ziel liefhebt. Het is de ontwijfelbare hoedanigheid van alle ware gelovigen dat hun ziel de Heer Jezus Christus liefheeft, hetgeen beide de oprechtheid en de kracht van hun liefde te kennen geeft, zij hebben Hem lief met geheel hun hart, en zij, die dit doen, kunnen vrijmoedig tot Hem komen en nederig bij Hem pleiten.
2. Op haar dunk van Hem als de goede Herder van de schapen, zij twijfelt niet, of Hij weidt Zijn kudde en doet haar neerliggen op de middag. Jezus Christus voorziet Zijn schapen beide van voedsel en van rust, zij worden niet uitgehongerd, maar goed gevoed, niet verstrooid op de bergen, maar samen geweid in grazige weiden, en op het hete van de dag worden zij aan stille wateren gevoerd, waar Hij ze doet neerliggen onder een koele verkwikkende schaduw. Is het met Gods volk op middaghoogte van uitwendige benauwdheden en inwendige strijd? Christus heeft rust voor hen, Hij draag hen in Zijn armen, Jesaja 40:11.
3. Haar verzoek aan Hem om toegelaten te worden in Zijn gezelschap: Zeg mij waar Gij weidt. Zij, die wensen dat hun gezegd wordt dat hen geleerd wordt, wat voor hen van belang is om te weten en te doen, moeten zich wenden tot Jezus Christus, en Hem bidden hen te leren hun te zeggen: "Zeg mij, waar ik U kan vinden, waar ik met U kan spreken, waar Gij weidt en Uw kudde verzorgt, opdat ik daar iets van Uw gezelschap mag genieten." Merk hier terloops op dat wij in liefde tot onze vrienden en om hun gezelschap te hebben hen niet in verzoeking mogen brengen om hun werk te veronachtzamen, maar van hen moeten begeren te genieten op zo'n wijze, dat dit er mee bestaanbaar is, of liever, dat wij, zo wij kunnen ons bij hen moeten voegen om hen te helpen in hun werk. Zeg mij, waar gij weidt, en daar zal ik bij U neerzitten, met U wandelen, mijn kudde weiden met de Uwe, en U noch mijzelf hinderen, maar mijn werk medebrengen." Zij, wier zielen Jezus Christus liefhebben, begeren vurig gemeenschap met Hem te hebben door Zijn woord, waarin Hij tot ons spreekt en door het gebed, waarin zij spreken tot Hem, en te delen in de voorrechten van Zijn kudde, en van de zorg, die Hij draagt voor Zijn kerk om haar van voedsel en rust te voorzien, kunnen wij leren zorg te dragen voor onze eigen ziel, die ons toevertrouwd werd, want waarom zou ik zijn als één die zich verstopt bij de kudde of zich ter zijde afwendt achter de kudde, de kudde van Uw metgezellen, die voorgeven dit te zijn, maar in werkelijkheid Uw mededingers zijn." Zich af te wenden van Christus naar andere liefhebbers is hetgeen door godvruchtige zielen gevreesd wordt, en dat zij meer dan iets anders afbidden. "Gij zou niet willen dat ik mij terzijde afwend, neen, noch dat ik zou wezen als éen, die zich ter zijde afwendt, zeg mij dan, o zeg mij, waar ik nabij U kan wezen, en ik zal u nooit verlaten."
A. Waarom zou ik onder verdenking wezen, er uitzien alsof ik aan iemand anders behoorde, en niet aan U? Waarom zouden de kudden van onze metgezellen van mij denken dat ik U verlaten heb en aan een andere herder ben gaan toebehoren?" Goede christenen zullen bevreesd zijn om aan de personen van hun omgeving reden of aanleiding te geven om aan hun geloof in Christus te twijfelen en aan hun liefde tot Hem, zij zouden niets willen doen, dat hun de schijn geeft van zorgeloos en onbekommerd te zijn omtrent hun ziel, of van liefdeloosheid jegens hun broeders of van onverschilligheid of ongenegenheid jegens de heilige inzettingen. En wij behoren God te bidden om ons te leiden in de weg van onze plicht en er ons op te houden, opdat wij zelfs de schijn niet hebben van achtergebleven te zijn, Hebreeën 4:1.
B. "Waarom zou ik blootstaan aan de verzoeking om af te wijken, en aan deze verzoeking sta ik bloot als ik van U afwezig ben." Wij moeten vurig begeren om een gevestigde vrede te hebben met God en door Christus in gemeenschap met Hem te zijn opdat wij niet als verloren voorwerpen zijn die door de eerste de beste voorbijganger opgeraapt kunnen worden.
II. Het genaderijke antwoord dat de Bruidegom geeft op dit verzoek, vers 8. Zie, hoe bereid God is om het gebed te verhoren, inzonderheid gebeden om onderwijs, terwijl zij nog spreekt hoort Hij.
Merk op:
1. Hoe liefderijk Hij tot haar spreekt, O gij schoonste onder de vrouwen. Gelovige zielen zijn schoon in de ogen van de Heer Jezus schoner dan alle anderen. Christus ziet schoonheid in heiligheid, al is het dat wij haar niet zien. De bruid had zich zwart genoemd, maar Christus noemt haar schoon. Zij, die gering zijn in hun eigen ogen, zijn zoveel te meer beminnelijk in de ogen van Jezus Christus. Het blozen over hun eigen mismaaktheid zegt Dr. Durham, is het voornaamste van hun schoonheid.
2. Hoe zacht Hij haar bestraft om haar onwetendheid in deze woorden: Indien gij het niet weet, te kennen gevende dat zij het had kunnen weten, en dat het haar eigen schuld is zo zij het niet weet. Hoe! weet gij niet waar Mij en mijn kudde te vinden? Vergelijk Christus' antwoord op een gelijksoortige vraag van Filippus, Johannes 14:9. Ben Ik zo lange lijd met u en hebt gij mij niet gekend, Filippus? maar,
3. Met welk een tederheid Hij er haar mee bekend maakt waar zij Hem kan vinden. Indien de mensen zeggen: Zie, hier is de Christus, of, zie, Hij is daar, geloof hen niet, ga niet uit, Mattheus 24:23, 26. Maar:
A. Wandel op de weg van de goeden, Spreuken 2:20. Volg het spoor, vraag naar de goeden ouden weg, let op de voetstappen van de schapen, en ga hen na. Het dient nergens toe om stil te zitten en te roepen: "Heer, toon mij de weg," maar wij moeten ons moeite geven om de weg te zoeken, en wij kunnen hem vinden door te zien waar de voetstappen van de schapen heenleiden, wat de praktijk van de godvruchtige altijd geweest is, laat die praktijk ook de onze zijn, Hebreeën 6:12, 1 Corinthiers 11:1.
B. Zit onder het bestuur van goede leraren, "weid uzelf en uw geiten bij de woningen van de onderherders. Breng hen, die aan uw zorg zijn toevertrouwd, mee," waarschijnlijk was het de gewoonte om de lammeren en geitjes aan de zorg van de vrouwen toe te vertrouwen, aan de herderinnen zij zullen allen welkom wezen, de herders zullen u niet hinderen, zoals de herders de dochters van Rehuël gehinderd hebben, Exodus 2:17. Zij zullen u verder helpen, blijf daarom bij hun woningen." Zij, die gemeenschap met Christus willen hebben, moeten zich ijverig en nauwgezet aan de heilige inzettingen houden, zich voegen bij Zijn volk, en achtgeven op de leraren, Zijn dienstknechten. Zij, die het opzicht hebben over een gezin, moeten de leden ervan meenemen naar godsdienstige bijeenkomsten, laat hun geiten, hun kinderen en hun dienstboden, het voordeel hebben van de woningen van de herders.
III. De hoge lof, die de Bruidegom toekent aan Zijn bruid. Ten huwelijk gegeven te worden betekent in het Hebreeuwse dialect geprezen te worden, Psalm 78:63, zo wordt deze bruid hier geprezen, haar man prijst haar, Spreuken 31:28, hij prijst haar zoals gebruikelijk is in gedichten, door beelden of gelijkenissen.
1. Hij noemt haar Zijn vriendin, vers 9, het is een liefkozende benaming, die dikwijls gebruikt wordt in dit boek, Mijn vriendin, Mijn gezellin, Mijn vertrouwelinge."
2. Hij vergelijkt haar bij de sterke en statige paarden in de wagens van Farao. Egypte was beroemd voor de beste paarden, Salomo had de zijnen van daar en Farao had ongetwijfeld de schoonste en beste, die het land opleverde voor zijn wagens. De kerk had geklaagd over haar eigen zwakheid en het gevaar, waarin zij was om haar vijanden ten prooi te worden. "Vrees niet," zegt Christus, "Ik heb u gemaakt als een groep van paarden, Ik heb kracht in u gelegd, zoals Ik kracht gelegd heb in het paard, Job 39:22, zodat gij met heilige stoutmoedigheid om de vrees zult lachen, en niet ontsteld zult worden. De Heer zal u stellen als het paard van Zijn majesteit in de strijd, Zacheria 10:3. Ik heb u vergeleken bij Mijn paarden, die over Farao's wagens hebben getriomfeerd de heilige engelen, vurige paarden," Habakuk 3:15. Gij betrapt met Uw paarden de zee. Zie ook Jesaja 63:13. Wij zijn zwak in onszelf, maar indien Christus ons maakt als paarden, sterk en kloekmoedig, dan behoeven wij niet te vrezen wat al de machten van de duisternis tegen ons doen kunnen.
3. Hij bewondert de schoonheid en de sieraden van haar aangezicht, vers 10. Bekoorlijk zijn uw wangen zijn lieflijk tussen de sieraden van het hoofd, haar krullen, volgens sommigen, of strikken van list, uw hals in de parelsnoeren, zoals zij door personen van hoge rang gedragen worden. De inzettingen van Christus zijn de sieraden van de kerk, de genadegaven en de vertroostingen van de Geest zijn de sieraden van iedere gelovige ziel en verfraaien haar, zij maken haar van grote waarde in de ogen van God. De sieraden van de heiligen zijn vele, maar allen ordelijk gerangschikt in snoeren en ketenen, waarin een wederzijds verbond is met en afhankelijkheid is van elkaar. De schoonheid ligt niet in iets van henzelf, in de hals of in de wangen, maar in de versierselen die ze doen uitkomen. Het was heerlijkheid, die Ik op u gelegd heb, spreekt de Heer Jahweh, Ezechiël 16:14, want wij waren niet alleen naakt, maar verontreinigd geboren.
IV. Zijn genaderijk voornemen om nog aan haar versierselen toe te voegen, want waar God ware genade gegeven heeft, zal Hij nog meer genade geven, wie heeft aan die zal gegeven worden. Is de kerk kloekmoedig in haar tegenstaan van de zonde zoals de paarden in Farao's wagens? Is zij lieflijk of schoon in de beoefening van de genade als met parelsnoeren en gouden ketenen? Zij zal nog meer verfraaid en versierd worden, vers 11. Zij zullen u gouden sieraden maken, ingelegd of geëmailleerd met zilveren stipjes. Al wat ontbreekt zal aangevuld worden, totdat de kerk en ieder ware gelovige er toe komt om volmaakt te zijn in schoonheid, zie Ezechiël 16:14. Dit wordt hier ondernomen om gedaan te worden door de samenwerkende krachten van de drie Personen van de Goddelijke Drieëenheid, Wij zullen het doen, zoals in Genesis 1:26, "Laat ons mensen maken, en evenzo: Laat ons hem opnieuw maken en hem volmaken in schoonheid." Dezelfde, die de oorsprong is zal de voleinder zijn van het goede werk en het kan niet mislukken.