11. En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun gezweren (
vers 2), wier brandende kwellingen nu, nadat die enige tijd hadden opgehouden, terugkeerden; en zij bekeerden zich niet van hun werken, want pijnen hebben op zichzelf nog geen verbeterende kracht, de tegenstand van het menselijk hart kan er zich over heen zetten en erbij verharden.
Omdat meteen de eerste plaag over hen wordt gebracht, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden, schijnt het, alsof wij hier in de tijd van de heerschappij van de antichrist (Hoofdstuk 13:14) zijn verplaatst, dus naar onze berekening in de tijd van 1992 = 1995 ½ na Christus. Deze opvatting van de plaats wordt reeds daardoor aan het wankelen gebracht, dat plagen over de mensen van de eigenlijke antichristische periode niet meer worden gebracht met het doel om hen tot bekering te brengen (Vers 21), zoals toch bij de vijf eerste plagen nog het geval is (Vers 9, 11), zo zijn er bovendien nog bepaalde aanwijzingen in onze tekst daarvoor, dat die tijd vooralsnog niet bedoeld is. Ten eerste brengt de zevende schaal vol toorn het oordeel over Babylon (Vers 19); volgens het hele verband van de gezichten van de Openbaring oet echter Babylon eerst gevallen zijn, voordat de antichrist tot zijn volle heerschappij kan komen; ten tweede kan van een verduistering van het rijk van het dier (Vers 10) geen sprake zijn in de tijd, dat dit rijk in de volle ontwikkeling van zijn macht is. Dienvolgens is het ontwijfelbaar zeker, dat wij bij de verklaring van de vijf eerste plagen geen standpunt mogen nemen in de antichristische tijd zelf, maar dat moeten doen in die tijd, die het voorspel daartoe is en als het ware de grond bereidt, waaruit de paddestoel van het antichristische rijk opgroeien zal. Letten wij nu nader op de geschiedenis van Frankrijk, dat wij reeds als de zetel van het rijk van het beest hebben leren kennen, dan werd daar in 1792 (dus 200 jaren vóór het begin van het eigenlijke antichristische rijk) een geheel nieuwe tijdrekening verzonnen, bestemd om al wat Christelijk was af te schaffen, die snel daarop ook is ingevoerd. Er werd dus met dat drijven van de antichrist, die een mens van de zonde is (2 Thessalonicenzen. 2:4) en zich tegenstelt en verheft boven al wat God genoemd wordt of als goddelijk geëerd wordt, een feitelijk en beslist begin gemaakt. Was dit reeds een aannemen van het merkteken van het dier ook ontbrak de aanbidding van het beeld op het volksfeest van 10 Aug. 1793 niet. "Op het plein van de Bastille had David een reusachtig standbeeld voor de natuur laten oprichten, uit haar beide borsten borrelde water; en zodra de bedeksels, waarachter men dit kunstwerk had uitgevoerd, waren weggenomen en de eerste lichten van de morgen schitterden, stroomden onafzienbare mensen-massa's toe het convent in een geordende optocht, de club van de Jakobijnen, de gedeputeerden van de dochterloges reeds om 4 uur en nauwelijks verguldde de zon de schoorstenen van de huizen op het plein, of Herault de Sechelles ving onder het ruisen van een zachte muziek in een ijzeren schepvat het water op uit de borsten van de natuur, uit de "bron van de wedergeboorte" zoals die fontein werd genoemd. Hij dronk het onder een heidens gebed tot de godin natuur en het convent liet zich de frisse morgendronk smaken en al de Jakobijnen deden zo ook en de muziek ruiste en de Jakobijnen baden, totdat de donder van het geschut van de artillerie inviel en aan dit eerste waterachtige bedrijf een einde maakte. Nu volgde een lange processie over de boulevards met driekleurige linten, ruikers van korenaren en voorstellingen van burgerlijke ambachten. Ook werd er een ploeg voortgetrokken, waarop Filemon en Baucis zaten, de ploeg trokken hun kinderen en achter de ploeg rammelde een krijgswagen met de urnen van de patriotten, die in de strijd tegen de "tirannen" gevallen waren. Zo ging de processie voorwaarts onder triomfbogen door, waarbij op lopen van kanonnen heldinnen zaten uit de zusterloge van de naaisters, uit de Megaera-hopen van de 5, 6 Oktober met eikentakken en driekleurigen opschik. Herault aan het hoofd van de optocht hield een zeer tedere aanspraak tot het Megaera's geslacht en zo trok het verder, het feestmonster, naar het revolutieplein. Daar was een nieuw kolossaal standbeeld van gips, een standbeeld van de vrijheid en toen de processie tot de voeten ervan was gekomen, werden 3000 vogels uit kooien losgelaten met stroken papier om de hals, waarop geschreven stond: "wij zijn vrij, volg ons na! " Vervolgens verbrandde het vogelvrije volk allerlei tekens van de oude monarchale regering en Herault predikte daarbij en bad op heidense wijze. En dan ja dan ging het over de Seine! Er was op de plaats van de invaliden ten eerste een hoofdstandbeeld, voorstellend de in het volk geïncarneerde godheid, die zich in de mensheid bewust wordt. Een machtige Hercules zwaaide de knots tegen de geesten van oppositie en hindernis, die zich van de grond tegen hem verhieven. En Herault predikte weer en bad tot het peuple Dieu van gips. Daarna ging men naar het Champ de Mars en het altaar van het vaderland, waarop een urn stond van de "heilige martelaars", die voor de "zoen van het volk" waren gevallen en aan het heidense gesticuleren, prediken en bidden kwam geen einde. Heraults tong werd droog, als die van een koortslijder, van al het woeste gezwets, dat hij die dag liet horen, die geheel was doorgebracht met de leiding van het zogenaamde feest. Toen zette zich eindelijk de menigte aan tafel, deels thuis, deels onder de blote hemel, zoals men dat het best maken kon. Aan alle gevels van de huizen fladderden kleine driekleuren aan stokken en op deze zweefde de roodwollen muts en aan alle huizen waren borden met ellenlange letters: "enige, ondeelbare republiek! Vrijheid, gelijkheid, broederschap, of de dood! " Hoeveel dergelijke tonelen, in het bijzonder ook die van afgoderij met haar, die de wordende godheid, van de tot zichzelf komende geest, van het verstand, voorstelde, met het liederlijk vrouwspersoon Cardeille, zouden wij niet kunnen meedelen! Maar reeds genoeg om ons oordeel te bevestigen: een volk, dat zo'n geschiedenis achter zich heeft, is de levende commentaar op "de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden. " Deze mensen hoeven niet eerst in de toekomst te worden gezocht, zij zijn reeds aanwezig en ook de "boze en kwade zweren" zijn er reeds, die de eerste engel met het uitgieten van zijn schaal op de aarde heeft voortgebracht. Wie kent niet die boosaardige, ongeneeslijke zweer, die de hoofdplaag is van het nieuwere Europese staatsleven, dat menigmaal in het voorbijgaan schijnbaar genezen, altijd weer opnieuw verschijnt, dat de beste krachten van de staten verteert en hun levensbestaan bedreigt de zweren van de geest van de revolutie, die meest eigenaardige verschijning van het moderne Westen? Een zweer is een pseudo-organisme uit ziekelijke sappen ontstaan en van het normale levensproces afwijkend en dit verstorend. En wat is de revolutiegeest anders, dan de zucht, om zich van de geschiedkundige ontwikkeling van het staats- en volksleven, zoals zich dit onder de leiding van de goddelijke wijsheid vormt en in wet en staatsinrichting heeft uitgedrukt, met geweld los te rukken en naar goeddunken nieuwe organismen te vormen, die als noodzakelijk van ziekelijke natuur, slechts storend en verstorend werken? En waar anders, zo vragen wij verder, is deze zweer eigenlijk doorgebroken en is zij aan het lichaam van de staat niet weer kunnen worden genezen dan in Frankrijk? Door de revolutie is ook dat vorstenhuis in de hoogte gekomen, dat ten slotte de antichrist leveren zal; dat is de uit ziekelijke grond opgeschoten gifplant, die zijn geschiktheid om ten slotte de "mens van de zonde" voort te brengen, in Napoleon I voldoende aan de dag heeft gelegd Re 13:2. Hebben wij op deze wijze vaste grond voor de verklaring van de vijf schalen dadelijk bij de eerste verkregen, dan zullen wij ook bij de volgende niet verlegen zijn, hoe wij die moeten begrijpen. De tweede schaal (Vers 3) wordt uitgestort in de zee en de zee wordt nu bloed als van een dode en alle levende ziel sterft in de zee. Dat doelt op Frankrijks internationale betrekkingen, op zijn verhouding tot andere volken en zijn geestelijke en staatkundige invloed op deze. Wie zou het kunnen verbergen, hoe in al deze betrekkingen van dat land, vooral sinds de boze en kwade zweer van de revolutiegeest het aankleeft, slechts bloed als van een dode over de volken uitgaat, waarin alle levende ziel, die in de zee zich bevindt, sterft? Bloed van een dode is zwart, geronnen, vuilachtig bloed, waarvan iemand walgt en degene, die het toch drinkt, ja drinken moet, omdat nu eenmaal de levensomstandigheden hem niets anders aanbieden, dood en verderf mededeelt; en hoe vaak is nu reeds geklaagd over het verderf, dat van Frankrijk uitgaat, verderf in mode en smaak, in kunst en literatuur, in godsdienst en gewoonten, in het sociale en politieke zowel als in het private leven! Voornamelijk is de zweer van de revolutie, zo vaak die sinds de Franse staatsomwenteling ook bij andere volken is uitgebroken, altijd uit dat land overgeplant. En wat nu de bijzondere, inwendige toestanden in Frankrijk aangaat, de maatschappelijke betrekkingen van de verschillende klassen van de staatsburgers onder elkaar, voorgesteld door de waterstromen en bronnen van de derde schaal (Vers 4), die bloedtonelen wijzen die dan in het ter dood brengen van het koningspaar, in de zogenaamde September-gruwelen, in het woeden van de guillotine gedurende het schrikbewind! Zij, die zich aan het hoofd hadden gesteld en de partijen, de een tegen de andere, wisten zich niet anders staande te houden dan door gedurig schavotten op te richten, zij rekten dus eigenlijk hun leven van het drinken van het bloed van anderen. Het is slechts een belichamen van hetgeen zij in figuurlijke zin zelf begonnen waren te doen, als de bloedmensen van die Septemberdagen de dochters van de fabeldichter Cazotte, om hun oude vader te redden, dwongen werkelijk een beker te drinken uit de bloedstroom van de reeds omgebrachten. Elk gedeelte gaf aan het andere schuld van het vergiftigen van de openbare mening, elk deel klaagde het andere aan van hoogverraad, klaagde het aan op dood en leven. Provinciale belangen stonden tegenover de belangen van Parijs, de belangen van de middenklasse en van de rijkere burgerklassen tegenover het arme volk. Tegenover de September-dagen van 1792, toen men begon bloed in plaats van water te drinken, staat de Bartholomeüs-nacht omstreeks het einde van Augustus van het jaar 1572, toen het Katholieke hof en het Katholieke volk in Frankrijk bloed vergoten als water, om de vernieuwing door het Evangelie voor altijd af te snijden en met het profetenmoordende Jeruzalem op gelijke lijn te plaatsen. Wij begrijpen dan wel, waarom in Vers 5-7 de engel over de wateren en de engel van het altaar de heiligheid, waarheid en gerechtigheid van de oordelen van God prijzen; want inderdaad staan deze derde schaal met de beide voorgaande en het altaar van God in wederkerige betrekking tot elkaar. De zweer van revolutie is een goddelijk gericht vooral over die landen, waarin het pausdom de heerschappij heeft behouden; vooral in Frankrijk hebben bigotte koningen, die in fanatieke bevordering van het pausdom en in bloedige onderdrukking van het Evangelie hun hoogste lauweren zochten en hun gruwelijk leven in zonden goed wilden maken door slecht bestuur de brandstof opgehoopt tot het eerste vreselijke uitbarsten van de revolutie en sinds is dit land de revolutie-krater gebleven, die geheel Europa bedreigt. Evenals zo de derde schaal in gelijke verhouding tot de eerste staat, zo ook de vierde (Vers 8 v.) tot de tweede. Evenals bij de tweede gehandeld werd over Frankrijks verderfelijke invloed in internationaal opzicht, zo hebben wij bij de vierde te doen met de invloed op het leven van het volk zelf. Het meest ultramontaanse blad, dat vroeger in geheel Duitsland was, de vroegere "Duitse Volkshalle", moge het zelf zeggen, hoe het met deze invloed gesteld is: "Alle katholieke vroomheid, alle katholieke moraal, die in Frankrijk bloeien moge, heeft tot op dit ogenblik nog niet de minste invloed op het openbare leven, op de politiek van dit volk uitgeoefend. Die nu de staatkundige geschiedenis ervan sinds 200 jaren beschouwt, zijn verhouding naar buiten, zowel als de geschiedenis van zijn inwendige toestand, die zou bijna tot de overtuiging komen, dat de 10 geboden daar een geheel onbekende zaak waren. Geen land heeft als Frankrijk de ellendige wereldse roem zo beslist in de plaats van de Christenplicht gesteld; in geen land zijn sinds 60 jaren zo vele eden openlijk gebroken, zo talloze trouweloosheden begaan en, wat de hoofdzaak is, nog op dit ogenblik vindt niet de minste reactie in de openlijke moraal van dit volk plaats. Nog op dit ogenblik is het in het geheel niet mogelijk, de maatstaf van Christelijke moraal op hetgeen in de laatste tijd is geschied, toe te passen. En van al deze gruwelen, van al die godvergeten staatkunde ook niet het minste bewustzijn in de openbare organen; niet het minste spoor van berouw, van schaamte over de vroegere ongehoorde geschiedenis: "de gloire de la France", de roem van Frankrijk, dat is zijn elfde gebod, waaraan de overige tien geboden gemakkelijk ten offer worden gebracht". Wij weten daarom wat het uitgieten van de schaal door de vierde engel op de zon is; de zon, het zinnebeeld van de goddelijke openbaring, is niet als voor Israël (Hoofdstuk 6:12), zwart geworden, als een haren zak, de katholieke kerk biedt het land in godsdienstige kennis en Christelijke moraal niet minder aan, dan wat zij ook aan de andere landen biedt, waarin zij heersende is. Maar wat geboden is, blijft zonder invloed, zonder werking; de zon verlicht niet, verwarmt niet; zij kweekt geen vruchten; het is even goed of zij er in het geheel niet was. Alleen door een negatieve macht openbaart zij haar bestaan. Het is het vreselijk vuur van de hartstocht, de hitte van roemzucht, winzucht, genotzucht, die het volk zo heet maakt, dat zijn zoeken en drijven herinnert aan het woord van Faust bij Göthe: "zo duizel ik voort van begeerte tot genot en in het genot smacht ik naar begeerte. " Heden, nu ten gevolge van de laatste oorlog Frankrijks betekenis in Europa is gebroken en het op wraak bedacht is, is zijn verdere geschiedenis zo in het duister, dat niemand zelfs geen drie stappen vooruit kan zien of berekenen wat morgen zal plaats hebben, nu is wel geen nadere verklaring nodig wat het is, dat de vijfde schaal (Vers 10 v.) teweeg brengt "zijn rijk is verduisterd geworden. " De vreselijke haat tegen Duitsland, dat het werktuig in Gods hand is geweest, om de profetie te vervullen, de gedachten van wraak, waarin zij hun tongen kauwen van smart, dat alles is eigenlijk toch niets anders dan een lasteren van God in de hemel vanwege hun smart en hun zweren. De vijfde schaal wijst op de eerste terug. Binnen 80 jaren hebben alle vijf schalen geheel uitgewerkt, terwijl daarentegen door het uitwerken van de beide andere nog anderhalf maal zoveel tijd zal nodig zijn, zodat de schalen in het geheel 200 jaren omvatten. "
De aarde, waarop de eerste toornschaal uitgegoten wordt, beduidt tegenover de volksverhuizing van de Middeleeuwen, door de ziener, Openbaring 3:1, zee genoemd en tegenover de door de toornschalen bewerkte, toekomstige omwentelingen, rustige volken van Europa, die hij ook in de achtste en zestiende eeuw "aarde" noemt (Openbaring 2:16; 13:11 Re 12. 16). Het kwaad en boos gezweer, dat door de toornschaal ontstaat, is een zinnebeeld van de verborgen gisting bij deze volken, in de nieuwere tijd aanwezig, van het vuur van de geestelijke en wereldlijke omwentelingsGeest, die onder de as voortglimt, het besloten vuur van een vulkaan gelijk, dat zich eenmaal, wanneer de samengeperste gassen zich lucht maken en de aarde doen splijten, met geweld door een aardbeving en een lavastroom zich lucht maakt. Dit gezweer ontstaat bij de mensen, die het merkteken van het beest hebben en zijn beeld aanbidden. Omdat de eerste en vijfde toornschaal bij elkaar behoren en in de vijfde de troon van het beest, namelijk van het beest uit de zee, verduisterd wordt, of de wereldlijke macht van het pausdom, het tienkoningschap, dat geen merkteken heeft, valt en omdat het merkteken in eigenlijke zin bij het beest uit de zee, gedurende de tijd van de 1260 jaren niet voorkomt (13:1-5; 11:12), zo is het beest hier (16:2), het beeld uit de afgrond, dat de mensen zijn merkteken geeft (Openbaring 3:13-18; 14:9-12; 15:2; 19:20 15. 2). Dit beest uit de afgrond huldigt op het gebied van de staat de heerschappij van het volk en op godsdienstig gebied de vergoding van de mensheid (Openbaring 1:7; 17:3). Het beeld van het beest aanbidden is zoveel als de mensheid vergoden en ten tijde van de antichrist, die volksheerschappij en mensheidvergoding, door een staatsgreep en godsdienstgreep na enige jaren, in zijn alleenheerschappij en de goddelijke verering van zijn persoon verandert, hem en zijn beeldzuilen aanbidden. Uit de plaatsen, die van het merkteken van het beest spreken, bijvoorbeeld uit 13:13-18, blijkt duidelijk, dat het merkteken aan de mensen door het beest uitwendig pas na zijn openlijke en ambtelijke optreding gegeven wordt. Omdat zijn aanhangers hier evenwel het merkteken reeds hebben, eer het beest tot de heerschappij raakt, zo hebben wij het merkteken hier meer inwendig op te vatten en duidt het de aanhangers zonder uitwendig onderscheidend kenteken naar hun gezindheid aan, totdat het openlijke, uitwendige kenteken aan hen zichtbaar wordt. Dit is begrijpelijk, omdat de stichters van de toekomst-religie en de grondvesters van de volksheerschappij hun plannen sinds lang ontworpen hebben, eer zij hun grondstellingen officieel in toepassing kunnen brengen. De geestelijke ontwikkeling van de toekomst-religie heeft plaats sinds de tijd van de Hervorming, door de nieuwe filosofie, die insgelijks in 1789, 1848 de beide voorspelen van de volksheerschappij te voorschijn geroepen heeft. De vierde bazuin bereidt zich reeds sinds de tijd van de Hervorming voor, waarin de nieuwe wereldwijsheid van het ongeloof de mensen naar de geest vergiftigt; en in onze tijd verenigen zich de kwade sappen tot een gezweer, dat met de uitgieting van de eerste en vijfde schaal aan de mensen ontstaat en uitbreekt. In de tweede bazuin werd het zeewater van de in het Morgenland vervalste leer van het Christendom in de Islam tot bloed. De Islam bestaat tot op deze tijd en zinkt steeds dieper en dieper. Eindelijk zal hij ook de nieuwe leer van de verwerping van de ware God aannemen, omdat hij het meest een hervorming nodig schijnt te hebben. Hier luidt het niet slechts: de zee werd bloed, zoals bij de tweede bazuin, maar bloed van een dode, dus bloed, dat in bederf en oplossing is overgegaan. Hierdoor kan wel bij wijze van voorbereiding tot een latere gebeurtenis het verregaande verval van de Islam aangeduid worden, maar de plotselinge uitgieting van de toornschaal staat met een plotselinge omwenteling in het Oosten in verband, waar men de toekomst-religie van de Avondlandse volksbevrijders overneemt. (De tweede schaal toont de godsdienstige, de zesde de politieke zijde van die omwenteling aan). Alle levende ziel sterft in dat verdorven en opgeloste mensenbloed, terwijl het vroegere gericht over de Islam slechts voor een derde zo streng was. Ook het nog overige van de Morgenlandse kerk zal de toekomst-religie aannemen. Dat zal dan in de geest van de nieuwere tijd de oplossing zijn van het Oosterse vraagstuk, zodat alle geestelijk leven, voor zoverre het nog bestaat, ten volle vernietigd wordt. De volksheerschappij in Europa zal evenwel de Moslim-wereld niet op vreedzame wijze tot aanneming van haar godsdienst kunnen bewegen. Waarschijnlijk is het haar veldheer en afgezondene, die de koningen van het Noorden en van het Zuiden, d. i. van het Noord-Oostelijke Rijk in Europa en van het Turkse Rijk, overwint, die haar deze godsdienst brengt (Daniël 11:40). In allen gevalle is hij, die met de koningen van de opgang van de zon in aanraking komt, bereids de antichrist. In de derde bazuin viel de lichtende ster op de rivieren en waterbronnen en maakte onder het pausdom de leer van het Evangelie bitter, zodat de mensen aan zijn leer geestelijker wijze stierven. Het water, het woord van God, is dus nog onder het pausdom aanwezig, maar het is verbitterd. Hier wordt zijn water tot bloed, of wel het pausdom laat het Evangelie en de Heilige Schrift varen en gaat tot de toekomst-religie over. Het Roomse bijgeloof verkeert dus in volslagen ongeloof. Ongeloof en bijgeloof, vaak schijnbaar onderling vijandig, blijken dus nauw aan elkaar verwant te zijn. Wanneer deze overgang plaats heeft, bestijgt het pausdom het beest uit de afgrond, om als de grote hoer daarop te rijden. Dan wordt het in vereniging met de afvallige Christenheid van alle belijdenissen de volkomen hoer en moeder aller hoererijen (17:5). De Morgenlandse Christenheid was reeds gezamenlijk met de Islam aan een vernietigend oordeel overgegeven; ditzelfde geschiedt nu ook met de Avondlandse, wanneer de pauselijke hiërarchie het Christendom afschaft en zijn meer dan duizendjarige zaak laat varen. In de vierde bazuin werd de zon geslagen, hier wordt een schaal op de zon uitgegoten. De zon is Christus, reeds door Arius' dwaalleer verduisterd, maar door de toekomst-religie geslagen (9:2; 8:12 Deze toornschaal wordt op de valse zon van de toekomst-religie, op de antichrist uitgegoten, wie het toegelaten wordt, zich als tegenzon in Christus' plaats te stellen. Deze toelating is reeds de eerste stap tot het gericht, dat later bij Armageddon de antichrist treffen zal. Voorheen waren de vrijheidsmensen allen "op aarde wandelende godheden" en ieder was een "zichzelf verheerlijkend koning. " Nu evenwel treedt er een te voorschijn en werpt zich op als "aller god" en als "aller koning"; als god moeten hem de anderen aanbidden, als koning moeten hem de anderen gehoorzamen. Godsdienstige en staatkundige vrijheid zijn zo verdwenen en het zacht schijnende licht van de vergoding van het menselijke geslacht is in een heet schijnende, stekende en brandende zon van de godheid van de antichrist veranderd. God laat aldus weldra de godsdienstige vrijheid weer in een gewetensdwang, welks gelijke nog niet op aarde bestaan heeft, tot straf voor de hoogmoed van de mensvergoding en de gruwel van de profetenmoord, door de mensen gepleegd, overgaan. Wie deze koning niet aanbidt en zijn merkteken niet aanneemt, die moet gedood worden. Dat is het vuur, waarmee de mensen door de anti-christelijke zon worden verschroeid. De troon van het beest, namelijk van het beest uit de zee, is de troon van het pausdom, die de Draak (13:2) het gegeven heeft. Zijn koninkrijk wordt verduisterd, omdat de stralende kronen van zijn hoofd worden weggenomen, of omdat het Tienkoningschap door de Volksheerschappij wordt vervangen, zodat het pausdom in plaats van een vroeger beschermer in de koninkrijken van de Europese volken, nu in de Volksheerschappij of het beest uit de afgrond een vijand heeft, waardoor het rijk van het beest uit de zee verduisterd en in de schaduw gesteld en tot een valse godsdienst zonder wereldmacht, zonder troon gemaakt wordt. Daarover verbijten zich de aanhangers en dragers van het pausdom, vooral zijn beschermers, die nu hun macht verloren hebben, in bittere ontevredenheid hun tong, omdat zij geen invloed meer kunnen uitoefenen; wel geven zij hun toorn lucht door bullen en herderlijke brieven aan kerken en parochiën gericht, of door bevel en oproeping aan hun krijgsheiren en volken, maar zij worden niet alleen niet meer gehoord, maar gehaat en veracht, vervolgd en omgebracht. Het pausdom evenwel zal met de Volksheerschappij een verdrag aangaan, tot haar overlopen en zijn godsdienst laten vallen, ten einde zich voor de prijs van de afschaffing van het Christendom de genade van de Overwinnaars te kopen en zijn bestaan nog enige jaren te verlengen. Dit zijn juist zijn lasteringen van de God van de hemel, die ook, Hoofdstuk 13:6, beschreven worden. Bovendien vindt men zijn geschiedenis, 13:7, 8, in de vijfde schaal, waar het als de hoer op het beest uit de afgrond rijdt, 17:1-6. de God van de hemels lasteren, wil hier zeggen, van Hem afvallen en de mens in zijn plaats stellen. God heet de God van de hemel, omdat de toekenning van de heerlijkheid van de Heere, die in de hemel is, aan nietige mensen als de meest dwaze en onbeschaamde misstap aangeduid moet worden. De smarten en gezweren herinneren aan de eerste toornschaal. Bij de volken dringt de etter van de oproerlust uit de gezweren en bij het pausdom komt uit de oude gezwel van het bijgeloof de kwade stof van het ongeloof en van de godslastering en van de vijandschap tegen het Evangelie voor de dag. De pijnlijke gezweren betekenen ook nog de buitengewone nood en de verborgen woede, die bij het pausdom ontstaat, omdat zijn oude aanhangers onder de volken ontrouw worden, zodat het een pausdom zonder volken is. Het brengt evenwel de volken, snel op zijn zijde, omdat het niet alleen aan de zijde van het afgrondsdier staat, maar het verre achter zich laat in het opperen van grondstellingen, die de adel van de mensheid zullen moeten verkondigen. Dan zal in die dagen een kerkvergadering de godsdienst van de Roomse kerk overeenkomstig de vrijzinnige beschouwingen van de nieuwere tijd inrichten, op een wijze, die bij het beest uit de afgrond weerklank vindt en de tot nu toe bestaan hebbende inrichting van kerk en godsdienst als niet meer geldig en voor afgeschaft verklaren. Op zo'n wijze zal zich het pausdom, door lastering, in korte tijd op de nek van het afgrondsdier weten te plaatsen; zijn vroegere beschermers zullen evenwel niet weer tot de heerschappij raken, maar ten dele nog de verwoesting van Rome beleven, om haar wenend een eeuwig vaarwel toe te roepen: "Wee, wee, u grote stad, Babylon, u sterke stad, in één uur is uw oordeel gekomen! " (18:10).
Onder de profeten van het Nieuwe Verbond staan, zoals reeds is opgemerkt, de apostelen Petrus en Paulus bovenaan. Rome had hen ter dood gebracht; Rome zo een aanvang gemaakt met het bloedige werk van de vervolging; en zo begint ook met Rome het oordeel. Maar niet alleen Rome, ook alle vervolgers van de heiligen uit alle tijden en plaatsen worden als rechtvaardige straf met bloed gedrenkt, in plaats van met het water van welvaart, dat zij vroeger door Gods gunst en de dienst van de engelen ontvingen. Voorbij is het stil gelijk van de vrede en het gericht van de Rechtvaardige, dat men door de zonden over zich heeft gebracht, brengt hen tot vernieling van elkaar, zoals de Heere zegt: "En Ik zal uw verdrukkers spijzigen met hun eigen vlees en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van zoete wijn en alle vlees zal gewaar worden dat Ik de Heere uw Heiland ben en uw Verlosser, de Machtige Jakob. " Zij worden door de geduchten vuurgloed verzengd; zij kunnen niet langer loochenen dat er een God in de hemel leeft; met geweld dringt zich die gedachte aan hen op; zij voelen dat met de zwaarte van een onlijdelijke last; maar zij zien knarsetandend tegen God op als tot een dwingeland, zij lasteren Hem en hun enige gedachte is spijt, dat zij Hem niet kunnen vernietigen. En waarom? Omdat zij de zonde niet aanmerken als overtreding van Zijn heilige wil, omdat zij zich niet beschouwen als in opstand tegen God. Denken wij slechts aan Farao. Hoe was het met hem gesteld? Hij gaf, ja, soms Gode de eer en sprak tot Mozes: "ik heb mij bezondigd; de Heere is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddeloos. " Maar dit was slechts voor een ogenblik; want wanneer hij de plaag zag ophouden, bezondigde hij zich opnieuw en verhardde zijn hart, hij en zijn knechten, zodat van al de Egyptische plagen het slot is: "zo werd Farao's hart verstokt. " Denken wij ook aan de Romeinen onder het vervolgen van de Christenen. Hoe zwaarder de ene ramp na de andere hun door de Heere werd toegezonden wegens het vergoten bloed van Zijn heiligen, des te heviger woedden zij tegen de belijders van Zijn naam. Nooit wordt een volk zekerder getroffen dan in zijn beheersers. De plagen troffen tot hiertoe de onderdanen en in zover slechts de koning; de vijfde treft de vorst en daarin tevens het volk. De troon van het beest, d. i. van de aan God vijandige wereldheerschappij, die in de wereldgeschiedenis zeven hoofden heeft, stond op verschillende plaatsen in verschillende tijden. Ten tijde van Farao stond die troon in diens hoofdstad, te Memphis; te Babylon in de dagen toen dat rijk zich had opgemaakt tot onderdrukking van het volk van de Heere en in de leeftijd van Johannes was die zetel te Rome geplaatst. Maar wanneer en waar ook opgericht, die troon wordt overal door de vijfde schaal getroffen, want door de hele geschiedenis heen vervolgt deze de wereldheerschappij, die zich tegen God verzet. Het was een uitstorting van deze schaal, toen Nebukadnezar waanzinnig, een dier gelijk werd en zijn rijk verloor; het was een uitstorting van deze schaal, toen vele eeuwen later de Romeinse keizer Valerianus door Perzen overwonnen en gevangen genomen werd en de koning van deze hem zo diep vernederde dat hij bukken moest om de overwinnaar tot voetbank te dienen bij het bestijgen van zijn paard; Valerianus verloor troon en scepter en de vijfde schaal werd over hem uitgegoten. Zo vaak dit plaats heeft over de troon van een, die heerst en de Kerk haat, wordt zijn rijk verduisterd door de duisternis van Gods heilig ongenoegen, want duisternis is in de Schrift het beeld van ongeluk en ellende.
Vele uitleggers verstaan hieronder de stad Rome, waar eigenlijk de troon is van de antichrist, waaruit hij over andere landen zijn geestelijke heerschappij voert, die troon door zulke instrumenten als God daartoe zal verwekken, gedestrueerd zal worden, die de antichrist zelf met zijn aanhang ook zullen verjagen, waardoor zijn rijk zeer zal afnemen en zijn luister in de wereld verduisteren, totdat hij eindelijk door de geest van de mond van Christus geheel teniet gedaan zal worden.
God in de tempel wonend gebiedt van daar de zeven engelen, de werktuigen, die Hij gebruiken wilde en tot hun werk bekwaam gemaakt had, met grote ernst en met een grote, hun harten doordringende en hen gewillig makende stem, dat zij het werk beginnen en uitvoeren en de antichrist, wiens rijk de hele aarde besloeg, ieder met hun plagen van trap tot trap verderven en uitroeien zouden. Zij, die last van God ontvangen hebbende, zijn meteen vaardig en voeren hun last nauwkeurig uit. De aarde (Vers 2) is het vaste deel van de wereld, waarop van de mensen voet steunsel heeft, waarop de gebouwen rusten, waaruit boom en gras voortkomen. Daarom wordt hier door de aarde verstaan datgene, dat het fundament is, waarop het pausdom rust, en geheel zijn getimmerte gebouwd is. Dit nu is de opperhoofdigheid en de onfeilbaarheid van de paus in het geestelijke en in het wereldlijke, de macht om zalig te maken en te verdoemen. Neemt dit fundament weg en zijn hele kraam zal instorten; over dit fundament is deze schaal uitgegoten, het schuddende en doende waggelen. Dit is geschied ten tijde van de hervorming, wanneer vele koningen zijn opperheerschappij hebben afgeworpen. Het verwerpen van zijn oppermacht in het wereldlijke en geestelijke en van zijn onfeilbaarheid is hem en die het merkteken van het beest hebben en zijn beeld aanbidden en al zijn aanhang, tot een ondraaglijke smart in de ziel, als van een kwaad en boos gezwel in het lichaam en omdat het verwerpen van hem van buiten, het verwerpen van zijn onfeilbaarheid en het weinige ontzag van binnen als een boos gezwel blijft, zo blijft ook zijn smart, niet zonder grond van vrees, dat het hem van de troon nog werpen zal en hij ontziet al de koningen, die bij hem zijn gebleven, meer dan zij hem doen. De tweede schaal (Vers 3) is een plaag, waarvan de zielen sterven, daarom moet men ze op zielverdervende leringen en godsdienst toepassen. Zoals de zee is een vergadering van vele wateren, zo is de Roomse godsdienst een vergadering van een grote menigte van bijgelovigheden, waaraan noch maat noch einde is. Door de zee verstaan wij de samenvloeiingen van menselijke inzettingen, plechtigheden, aanbiddingen van heiligen, houten en stenen beelden, van de broodgod, de dagelijkse opoffering van Christus in de mis, de verdiensten van de werken, de schat aan overtollige werken van de heiligen, die men voor geld kan kopen, de boetedoeningen, bedevaarten enz. enz. Door de fonteinen en rivieren in Vers 4 worden verstaan de middelen, waardoor de dodelijke leringen en godsdiensten zich overal verspreiden, namelijk de kardinalen, bisschoppen, zendelingen enz. Over deze wordt de schaal van de gramschap van God uitgegoten, God heeft ze aan zichzelf overgegeven, in een verkeerde zin, tot gruwelijke ontuchtigheid en allerlei boosheid, gierigheid, bloeddorstigheid; God heeft ze stinkende en walgelijk gemaakt bij alle mensen, ook bij hun eigen volk en zoals zij zelf vuil bloed zijn, zo is het ook bloed, dat zij de mensen door het voortplanten van hun afgoderij, leringen en bijgelovigheden, te drinken geven, dat niet kan zijn het lessen van de dorst, maar is een vergiftige drank, die de zielen van de mensen voor eeuwig doodt. De engel van de wateren in Vers 5 geeft te kennen de instrumenten, waardoor God de geestelijke oordelen over het pausdom heeft uitgevoerd, hier voorgesteld door de zinnebeelden van de zee, fonteinen en rivieren, waarvan de wateren in bloed veranderd werden; de engel stelt de leraars en de strijdende Kerk voor, die door hun uitgaan uit Babel en openbare vertoning in het aanzien van het pausdom, welks gruwelen door de verkondiging van het zuivere Woord van God openbaar, bestraft en veroordeeld zijn geworden, die, zeg ik, is het middel geweest van deze oordelen over de antichrist; want de engelen, die de schalen uitgieten zouden, kwamen uit de tempel en een van de vier dieren gaf hun de schalen (Openbaring 5:6, 7). De Kerk keurt dele oordelen goed, en verheerlijkt de eeuwige, de onveranderlijke, de getrouwe God daarover, van wie die plagen over de antichrist zijn gekomen en wiens rechtvaardigheid op een bijzondere wijze daarin duidelijk te zien is; de Kerk ziet, erkent en verblijdt zich over die rechtvaardigheid, en verheerlijkt er God over. Onder de vierde schaal in Vers 6 kan men door de zon niet de natuurlijke zon verstaan, waarvan de hitte algemeen is, ook niet de Heere Jezus, de Zon der gerechtigheid, die Zijn Kerk in genot bestraalt en vruchtbaar maakt, maar de oorzaak is van de plagen over de antichrist. Men kan daardoor ook niet verstaan een aanzienlijk vorst, die bekeerd zou worden en daardoor de antichrist spijt, hartzeer en nadeel toebrengen, want niemand zou in de tempel kunnen ingaan, totdat de zeven plagen uitgegoten zouden zijn (Openbaring 5:8) en ook kan men van zo iemand niet zeggen, dat een plaag over hem zou uitgegoten worden. Maar door de zon wordt een vorst verstaan die voor het Christendom is wat de zon is aan de hemel, die in heerlijkheid en macht boven allen uitmunt en evenwel veel doet tot afbreuk van de antichrist. Wij durven niet volstrekt zeggen, dat het de koning van Frankrijk is, maar hij gelijkt hem zeer wel. Het voorwerp van de plaag van de vijfde schaal is de troon van het beest, niet zijn hele rijk, want de andere plagen worden daarover ook uitgegoten, maar zoals de andere plagen ieder een bijzonder voorwerp hebben, zo ook deze, de troon is Rome, de zevenbergige stad (Openbaring :9). Zij zelf bekennen, dat Rome is de stoel van de paus en het omliggende land noemen zij zelf de stoel. Als het bewezen is, dat de paus de antichrist is, dan is ook zonder tegenspreken Rome de troon van het beest, over deze is de vijfde schaal uitgegoten, dat Rome's ondergang zal meebrengen; Rome zal geheel verwoest, verbrand en tot een puinhoop gemaakt worden, zoals blijkt uit Hoofdstuk 17:8, 9. 18 Dan zal de paus nog wel paus blijven, maar zijn heerlijkheid, zijn luister en gezag zullen weg zijn en hij zal tot verachting worden; dit zal hem en zijn aanhang uitermate pijnen en deze opnieuw oppuilende zweren zullen hem zo verdrietig en boos maken, dat ze God zullen lasteren, omdat Hij hen niet beter bewaart en zij zullen even hardnekkig in hun afgoderij voortgaan.
Hier worden zeer zware rampen en ellenden van Rome en het aangrenzend Italië voorspeld. In de volgende hoofdstukken zullen die meer in het bijzonder worden voorgesteld. Bloedige oorlogen en andere schrikkelijke verwoestingen treffen het hart van het rijk, dat daaraan licht en warmte van het leven gaf. Daarop zou een grote verduistering van het rijk volgen, bestaande in verwisseling van de vroegere heerlijkheid met schade en verachting (Job. 30:30 Klaagt. 4:8) vergezeld van zielensmart (Jeremia 14:2) in een jammerstaat vol vrees en verschrikking, als van degenen, die in duisternis gezeten zijn (Jeremia 13:16 Mich. 7:8). In deze jammerstaat zouden nochtans de verharde mensen verre zijn van zich te bekeren, dat zij integendeel pogen zouden hun pijnen te verdonkeren, tot grotere razernij vervoerd worden en de ware God met hun oude lasteringen meer bestrijden zouden zonder er van af te laten voor hun eindelijk verderf.
Deze schaal brengt ons tot de tijden van de reformatie, toen het rijk van het beest een zware slag kreeg, in alle historiën vermaard. De volkeren, moe van de dwalingen van de voorgaande eeuwen, hebben vrijwillig de deur opengedaan voor de evangelieleer. Toen zijn de schanddaden van de Roomse Kerk en stoel en pausen en kerkvoogden openbaar geworden, waardoor sommigen niet alleen door bijgeloof, maar ook door goddeloze wandel bekend stonden bij de hele wereld. Toen zijn openbaar geworden de vuiligheden en kunsten en bedriegerij van de kloosterlingen en monniken en prekers en alle andere gruwelen. Sinds die tijd is het gezag van de paus ontzenuwd. In dit geestelijk oordeel kwam ook nog een tijdelijk. Rome kreeg een verbazende ramp, weinige jaren nadat het licht van het Evangelie opging onder Clemens VII, toen de stad door de legermacht van Keizer Karel V onder het beleid van Karel, hertog van Bourbon, zonder enig ontzag voor paus en heiligdommen met geweld veroverd werd en alle dartelheden en verwoedheden moest uitstaan, die men van een dartel leger van overwinnaars kon verwachten, veel zwaarder zelfs dan zij die van de Gothen en Vandalen, die ontzag hadden voor de heiligdommen, had moeten lijden.
Door de vijfde bazuin is de antichrist gekozen tot zijn troon, door de vijfde schaal is hij afgezet.
Wij zeggen in onze taal, "hij zou uitzinnig en razend worden" en hij zou van spijt zich de tong afbijten. Het is een wijze van spreken, die te kennen geeft, dat de papisten zullen razen en zich zeer lelijk gedragen, om de openbare waarheid, die zij begeren verachtelijk te maken en geheel ten onder te brengen.
Dit dier is de luipaard (Hoofdstuk 13:2), het kan zijn huid niet veranderen. Maar de macht van God zou zich niet zo grotelijks vertoond hebben, als Farao zich bekeerd had op het aanschouwen van de eerste tekenen. Zo zullen er ook zijn vele grote samenzweringen en listige praktijken, om het koninkrijk van de paus op te houden, nadat zijn troon zal zijn omvergeworpen; de antichristische religie zal nog in achting zijn bij de papisten, die Rome zullen overleven. Maar dat men hierover niet bevreesd is. Het beest wordt bewaard alleen om de triomf van Christus en van Zijn Kerk te versieren.