Jeremia 13:12-21
Hier vinden wij,
I. Het volk gedreigd met een oordeel, dat `t zeker dronken zou maken. Het doemvonnis wordt uitgesproken in een beeld om het duidelijker en aangrijpender te maken, vers 12 :Zo zegt de Heere, de God Israëls: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden, dit is allen, die door hun zonden zichzelf tot vaten des toorns, tot het verderf toebereid gemaakt hebben, zullen met Gods toorn vervuld worden gelijk flessen met wijn, en zoals elk "vat van de barmhartigheid met genade en heerlijkheid zal vervuld worden, zo zullen zij vol zijn van de grimmigheid des Heeren," Jesaja 51:20. Zij zullen breekbaar zijn als flessen, en gelijk oude lederzakken, waarin nieuwe wijn gedaan wordt, barsten en verderven, zo zullen zij verdorven worden, Mattheus 9:17. Of, zij zullen hun hoofd vol wijn hebben gelijk flessen, zo wordt het in vers 19 toegepast: "Zij zullen met dronkenschap opgevuld worden," vergelijk Jesaja 51:17. Waarschijnlijk was dit een gewoon spreekwoord onder hen, op verschillende manieren gebruikt. Zij evenwel, de bedoeling van de profeten niet verstaande, lachten hen daarover uit: "Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn zullen gevuld worden". "Wat vreemds is daarin? Vertel ons iets dat wij niet wisten." Misschien gaven zij dat bescheid, omdat zij onderstelden, dat de profeet hen om hun dronkenschap vermaande, en wellicht was deze bedoeling er onder begrepen. "Zij beminden de flessen van de druiven," Hoz. 3:1. "Zij maakten hun koning ziek door verhitting van de wijn," Hoz. 7:5. "Hun wachters haalden wijn en zopen sterke drank," Jesaja 56:12. Zij hielden van hun valse profeten, die "profeteerden voor wijn," Micha 2:11, die hen vrolijk maakte, want hun fles zou nimmer ledig worden. "Wel", zegt de profeet, "gij zult uw flessen vol wijn hebben, maar niet met zulke wijn als gij begeert". Zij vermoedden, dat hij een geheime bedoeling met zijn voorspelling had, en dat die niets goeds, maar wel kwaad betekende, en hij erkent, dat het zo is. Wat hij bedoelde was dit:
1. Zij zouden in een roes geraken als een dronken man. Zo iemand wordt gevoegelijk vergeleken met een vat vol wijn, want als de wijn is in de man, dan is de wijsheid in de kan. Nu dreigt God, dat zij "met dronkenschap zullen opgevuld worden, " hun raadslagen zullen verward worden, hun spraak stamelen en hun beweging wankelen, zij zullen niet weten wat te zeggen noch wat te doen, veel minder wat zij behoorden te zeggen of te doen. Zij zullen walgen van al hun genot en het uitspuwen als een dronken man, Job 20:15. Zij zullen insluimeren en ten enenmale onmachtig worden zich zelf te helpen, gelijk dronken lieden hebben zij het gebruik van hun verstand verloren en zijn blootgesteld aan genade of ongenade en verachting van allen rondom hen. Dat zal de toestand zijn niet slechts van enkele onder hen (waren er nuchtere mensen onder hen geweest, dan konden die de overigen geholpen hebben), maar "zelfs de koning, die op de troon Davids zit," die geweest moest zijn gelijk zijn vader David, die wijs "was als een engel Gods," zal dronken wezen. Hun priesters en profeten tevens, hun valse profeten, die beweerden hun leidslieden te zijn, gaven evenzeer aan hun lusten toe en hadden al even weinig verstand als iemand anders. Ja, al de inwoners beide van het land en van Jeruzalem, hadden zich aan hetzelfde euvel schuldig gemaakt. Wien God verderven wil, die bedwelmt Hij eerst.
2. Dat zij, in hun dronkenschap, tegen elkaar zouden botsen. De beker van Gods toorn zal ze niet alleen dronken maken, zodat zij noch zich zelf noch anderen kunnen steunen, maar ook een razernij verwekken, zodat zij elkaar kwaad zullen doen, vers 14 :Ik zal ze in stukken slaan, de een tegen de anderen. Niet alleen hun dronken onverstand, maar ook hun dronken twist zal ze te gronde voeren. Dronken mensen zijn vaak twistziek, en daarom zal "gekijf en geklag" bij hen zijn, Spreuken 23:29, 30. Hun zonde is dus zelf hun straf. God zond een bozen geest onder huisgezinnen en burgers, Richteren 19:23, die ze onderling naijverig en wantrouwend maakten, zodat vader en zoon elkaar aangrepen en bevochten, waardoor de vijand een gemakkelijke prooi vond. Nu dit besluit tegen hen is uitgegaan, zegt God: "Ik zal niet verschonen noch sparen noch Mij ontfermen," want zij verschonen of sparen elkaar ook niet, noch ontfermen zich over malkaar. Zij verderven de een de ander, Habakuk 2:15,16.
II. Hier wordt goede raad gegeven, die, indien opgevolgd, de verwoesting nog had kunnen afwenden. Het is deze: "zich te vernederen onder de krachtige hand Gods." Willen zij luisteren en het oor lenen, dan zegt de Heere tot hen: Verheft u niet, vers 15. Dat was een van de zonden, waarom God met hen twistte, vers 9. Laat ze zich vernederen en hun zonde verlaten, dan zal God ophouden met hen te twisten. Verheft u niet, wanneer God door Zijn profeten tot u spreekt, acht uzelf dan niet te goed om onderricht te worden, wordt niet toornig of eigenzinnig, verzet u niet in uw hart tegen zijn woord, noch minacht degenen, die het u brengen. Wanneer God u door Zijn dienaren tegenkomt, verhardt u dan niet als zij dreigen, en weest niet ongeduldig als zij u pijn doen, want hoogmoed ligt daaraan ten grondslag. Het is de grote God, die door hen spreekt, Wiens autoriteit vaststaat, en Wiens macht onweerstaanbaar is, buigt u dus voor wat zij zeggen en verheft u niet. Weest niet hoogmoedig, want:
1. Zij spraken in Gods Naam en hadden Hem te eren, geef ere de Heere onze God, en niet uw afgoden. Geeft Hem eer, door uw zonden te belijden, u schuldig te erkennen voor Zijn heilig aangezicht en de rechtmatige straf te aanvaarden, vers 16. Geeft Hem ere door oprechte boete en bekering. Dan, en niet eerder beginnen wij te leven gelijk het behoort en met hoop op zegen, wanneer wij "de Heere onze God ere geven," wanneer Zijn eer onze voornaamste zorg en bedoeling is. "Doet dit haastelijk, terwijl het voor u nog de tijd is, voordat Hij het duister maakt, voordat Hij Zijn oordelen over u brengt en gij geen weg ter ontkoming meer ziet." Denkt er aan, duisternis zal het deel zijn dergenen, die zich niet bekeren om "Gode de ere te geven." Als zij, die door de vierde fiool verhit zijn, zich "niet bekeren, om God de eer te geven, wordt de volgende fiool met duisternis gevuld," Openbaring 16:9, 10. De toenemende duisternis, waarmee hier wordt gedreigd, is:
a. Dat hun pogingen om te ontkomen hun verderf verhaasten zullen. "Hun voeten zullen zich stoten," wanneer zij de meest mogelijke haast maken om over "de schemerende bergen" te komen, zij zullen vallen en onbekwaam zijn, weer op te staan. Zie, die menen Gods oordelen te kunnen ontgaan, zullen hun weg onbegaanbaar vinden, laat hen hun uiterste best doen, zij kunnen niet vooruitkomen, de oordelen, die hen vervolgen, zullen hen achterhalen, hun weg is duister en geheel slibberig, Psalm 35:6. En daarom, alvorens het tot dat uiterste komt, ligt onze wijsheid daarin, dat wij Hem de ere geven en zo vrede met Hem maken, tot Hem vluchten om genade, en dan zal het niet nodig zijn, voor Zijn gerechtigheid te vlieden.
b. Dat hun hoop op een betere toestand teleurgesteld zal worden: Wanneer "gij naar licht wacht," dat is naar troost en verlichting, stelt Hij dat "tot een schaduw des doods" somber en vreselijk, en "tot een donkerheid," gelijk die van Egypte, toen Farao voortging zijn hart te verharden, een duisternis, die men tasten kon. De verwachting van de onboetvaardige zondaars vergaat wanneer zij sterven, zonder die verwezenlijkt te zien. 2. Zij moesten zich vernederen en zich schamen, zelfs de koninklijke voorrechten van vorst en vorstin zullen daarvan niet verschonen, vers 18. Zeg tot de koning en tot de koningin, dat zij, hoe hoog zij ook gezeten zijn, zich moeten vernederen en zich neerzetten, met waar berouw, en zo Gode de ere geven mitsgaders een goed voorbeeld aan hun volk.
Merk op, wie in deze wereld boven anderen verheven zijn, moeten zich voor God vernederen, die hoger is dan de hoogste, en aan Wien koningen en koninginnen verantwoording schuldig zijn. Zij moeten zich vernederen en neerzitten en bedenken wat nadert, neerzitten in het stof en klagen. Laat ze zich vernederen, opdat God niet krachtige middelen gebruike om dat zelf te doen. "Uw gehele hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid is nedergedaald," de eer en heerlijkheid, waarop gij u beroemt en vertrouwt, zelfs de kroon uwer heerlijkheid, uw schone, heerlijke kroon, wanneer gij als gevangenen weggeleid wordt. Waar zullen die tekenen van uw koningschap dan blijven? Gezegend zij God, daar is een kroon van de heerlijkheid, die degenen beërven zullen, die zich vernederen, die kroon zal niet nederdalen.
III. Deze raad wordt aangedrongen door hetgeen in vooruitzicht staat, als zij hoogmoedig en onbekeerlijk blijven.
1. Het zal de profeet een onuitsprekelijke smart zijn, vers 17, indien hun ziel dan nog niet zal horen, zich niet aan het woord onderwerpen, maar weerspannig blijven, zijn oog zal bitterlijk tranen, ja van tranen nederdalen.
Merk op: des volks hardnekkigheid, als het Gods woord niet wil horen, zal het hart van Zijn dienaren, die iets weten van de verschrikking des Heeren en de waarde van de menselijke ziel, breken. Zij zijn verre van die verschrikking te begeren, maar beven veeleer bij de gedachte aan de dood des zondaars. Zijn smart daarover was ongeveinsd (zijn ziel weende) en zonder ophef, want hij verkoos te wenen "in verborgen plaatsen," waar niemand op hem zag dan Gods alziend oog. Hij mengde zijn tranen niet alleen met zijn openbare prediking maar ook met zijn verborgen overpeinzingen. Ja, de gedachte aan hun toestand maakte hem droefgeestig, en hij liep gevaar een kluizenaar te worden. Het griefde hem,
a. dat hij hen zo onbekeerlijk vond. "Mijn ziele zal wenen vanwege de hoogmoed," uw trots, uw stijfhoofdigheid, uw ijdel vertrouwen. Zie, de zonden van anderen moeten reden zijn om ons te bedroeven. Wij moeten treuren om wat wij niet kunnen herstellen, en te meer treuren omdat wij het niet herstellen kunnen:
b. dat hun ellende onherstelbaar was: "mijn oog zal bitterlijk tranen," niet zo zeer omdat mijn betrekkingen, vrienden en buren in nood zijn, maar "omdat des Heeren kudde, Zijn volk en de schapen van Zijn weide, gevankelijk is weggevoerd." Dit moet ons altijd het meest hinderen, dat Gods ere aangerand wordt en Zijn koninkrijk geschaad.
2. Het zal hun onvermijdelijke ondergang zijn, vers 19-21.
a. Het land zal verwoest worden, "de steden van het zuiden zijn toegesloten." De steden van Juda lagen in het zuiden van het land Kanaän, die zouden rechtstreeks door de vijand belegerd worden, zodat men niet langer in of uit kon gaan, of ze zouden door de inwoners verlaten worden, zodat niemand meer in- of uitging. Sommigen passen dit toe op de steden van Egypte dat ten zuiden van Juda lag: de plaatsen daar, vanwaar men steun verwachtte, zouden hen in de steek laten en geen hulp zou hun vandaar geworden. b. De inwoners zouden haastiglijk weggevoerd worden naar een vreemd land om daar in slavernij te leven. "Juda zal gevankelijk weggevoerd worden". Er waren er reeds weggevoerd, waardoor zij hoopten, dat de bedreiging reeds tot volle uitvoering was gekomen, zodat de overigen konden blijven. Maar neen: Het is geheel en al weggevoerd, vers 19. God zal met geheel Juda een einde maken. Zo geschiedde inderdaad onder koning Zedekia, omdat Juda zich niet had bekeerd.
c. De vijand, die dit oordeel zou uitvoeren, was nu op de komst, vers 20. Hef uw ogen op. Ik zie ze aanmarcheren, en gij kunt ze zien, die daar van het noorden komen, van het land van de Chaldeën, zie hoe snel zij naderen, hoe trots zij verschijnen. Hierop richt de profeet zich tot de koning of lieden (de voornaamwoorden, hier gebruikt, zijn vrouwelijk) tot de stad of tot de staat.
d. Wat zult gij nu doen met de mannen, die onder uw zorg waren gesteld, die gij beschermen moest? "Waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?" Waarheen zult gij ze nu voeren om ze te beschutten? Hoe kunnen zij de grijpende wolven ontsnappen? Overheden moeten zichzelf als herders beschouwen, en wie onder hun hoede zijn, als hun kudde, voor wier welzijn ze aansprakelijk zijn. Zij moeten zich in hen verlustigen als de schapen hunner heerlijkheid en overwegen wat zij, in tijden van algemeen gevaar, van hun veiligheid kunnen doen. Huisvaders, die hun kinderen veronachtzamen, en ze laten omkomen door gebrek aan een goede opvoeding, en predikanten, die hun gemeente verwaarlozen, moeten bedenken, dat God die vraag ook tot hen richt. "Waar is de kudde, die u gegeven was, om ze te weiden, de schapen uwer heerlijkheid?" Zij komen om, zij zijn ten prooi van de roofdieren. Welke verantwoording denkt gij af te leggen, wanneer de opperste Herder zal verschijnen?
e. Wat hebt gij aan te merken op de rechtvaardigheid van Gods handelingen? Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u zal doen? vers 21. Gij kunt niets zeggen, dan dat God rechtvaardig is in al wat Hij over u gebracht heeft. Zij, die zich met hoop op straffeloosheid vleien, wat zullen zij zeggen? Wat schaamte zal hun aangezicht bedekken, wanneer zij zich ontgoocheld zien en God hen straft!
f. Wat zult gij nu zeggen van uw eigen dwaasheid, toen gij de Chaldeën zo'n macht over u zelf gaaft, door hun bijstand te zoeken en een verbond met hen te maken? "Gij hebt hen geleerd, tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn." Hizkia is daarmee begonnen toen hij de gezanten van de koning van Babel zijn schatten liet zien, hun daardoor aanleiding gevende, om te komen en te plunderen. Zij, die, hoewel zij een God hebben om op te vertrouwen, toch de gunst van vreemden zoeken, zich met hen verbinden en hen vertrouwen, maken zichzelf daardoor een roede en leren die vreemden, hoe zij hun meesters kunnen worden.
g. Hoe zult gij de ellende dragen die voor de deur is? "Zullen u de smarten niet aangrijpen als een barende vrouw?" Smarten, die gij noch ontgaan noch afweren kunt, vreselijke smarten, grievender dan die van een barende vrouw, omdat ze niet verwacht werden, en er geen kind geboren wordt, dat de vorige smart doet vergeten.