Openbaring 16:1-7
In het voorgaande hoofdstuk zagen wij de grote en plechtige voorbereiding, die gemaakt werd voor het uitgieten van de zeven fiolen, thans krijgen wij de uitvoering van dat werk, Merk hier op:
I. Ofschoon elk ding van tevoren in gereedheid gebracht was, mocht niets tot uitvoering komen zonder het uitdrukkelijk bevel Gods, en dat geeft Hij als antwoord op de gebeden van Zijn volk en om hun twistzaak te twisten, uit den tempel.
II. Zodra het bevelwoord gesproken was, werd het onmiddellijk gehoorzaamd, geen vertraging kwam voor, geen tegenwerping werd gemaakt. Wij zien dat sommigen van de beste mensen, zoals Mozes en Jeremia, niet zo dadelijk bereid waren om het werk te verrichten, waartoe God hen riep, maar de engelen Gods overtreffen hen niet enkel in kracht, maar ook in bereidvaardigheid om Zijn wil te volbrengen. God zei: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde! en onmiddellijk wordt met het werk een aanvang gemaakt. Ons wordt geleerd te bidden, dat Gods wil geschieden moge op aarde gelijk als in den hem el. En nu volgt een reeks van zeer verschrikkelijke beschikkingen van de Voorzienigheid, waarvan het moeilijk is de zekere uitlegging te geven of de ware toepassing te maken. Maar in het algemeen verdient het volgende onze aandacht.
1. Wij hebben hier een heen wijzing naar of een zinspeling op verscheidene der plagen van Egypte, bijvoorbeeld het veranderen van water in bloed en het slaan met boze zweren. Hun zonden waren van dezelfden aard en dus waren hun straffen het ook.
2. Deze fiolen hebben duidelijken samenhang met de zeven bazuinen, die de opkomst van den antichrist voorstelden, en wij leren hier dus dat de val der vijanden van de gemeente enige gelijkenis met hun opkomst zal hebben, en dat God hen kan verdoen door dezelfde middelen, waardoor zij zich verhoogden. En de val van den antichrist zal trapsgewijze plaatsgrijpen, evenals Rome niet in een dag gebouwd werd, zal het ook niet in een dag vallen, maar dit zal met tussenpozen geschieden, het zal vallen dat het niet meer zal kunnen opstaan.
3. De val van het anti-christelijk rijk zal algemeen zijn. Elk ding, dat er op enigerlei wijze bij behoorde of er aan dienstig zijn kon, al de buitenwerken met hun verschansingen, worden alle in de verwoesting begrepen, haar aarde, haar lucht, haar zee, haar rivieren, haar steden, alles was tot vernietiging veroordeeld, alles vervloekt om de goddeloosheid van de bevolking. Zo zucht en reikhalst de schepping onder de zonden der mensen.
A. De eerste engel goot zijn fiool uit, vers 2. De inhoud viel:
a. Op de aarde, dat is volgens sommigen op het volk in het algemeen, volgens anderen op de Roomse geestelijkheid, die de grondslag is van het pausdom en van den aardsgezinden geest, die alleen aardse dingen bedenkt.
b. Zij bracht voort een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en zijn beeld aanbaden. Zij hadden zichzelf gemerkt door hun zonden, nu merkte God hen door Zijn oordelen. Dit gezweer is volgens sommigen het eerste openbaar worden van Gods toorn tegen hun toestand en belangen, hetgeen hun grote ongerustheid bezorgde, want het ontdekte hun innerlijke ontaarding en was een teken van naderend kwaad. De tekenen van plagen werden gezien.
B. De tweede engel goot zijn fiool uit.
a. De inhoud viel op de zee, dat is volgens sommigen op het rechtsgebied en de heerschappij van het pausdom, volgens anderen op het gehele samentel van zijn godsdienst, hun valse leringen, hun bedorven meningen, hun bijgelovige gebruiken, hun afgodische aanbidding, hun zonden vergeving, aanmatigingen en den gehelen toestel van goddeloze uitvindingen en instellingen, waardoor zij een handel en nijverheid onderhouden, zeer voordelig voor hen zelven, maar schadelijk voor al de anderen, die er deel aan hebben.
b. Dat veroorzaakte dat de zee werd bloed als van een dode, en alle levende ziel in de zee is gestorven. God stelde niet alleen de ledigheid en de leugenachtigheid, maar ook de verderflijke en dodelijke natuur van hun godsdienst in het licht, dat de zielen der mensen vergiftigd werden door hetgeen men voor middelen ter zaligheid hield.
C. De derde engel goot zijn fiool uit.
a. Op de rivieren en op de fonteinen der wateren, dat is: zeggen sommigen van de geleerdste uitleggers, op hun afgezanten, voornamelijk op de Jezuïeten, die gelijk stromen en fonteinen het vergif van hun dwalingen en afgoderijen uit de bron over de aarde verspreiden.
b. De uitwerking was: de wateren werden bloed. Sommigen menen dat de uitgieting van deze fiool de Christelijke vorsten aanspoorde om een rechtvaardige wraak te nemen op hen, die de grote bedervers van de wereld geweest waren en veroorzaakt hadden, dat het bloed van legers en martelaren bij stromen vergoten werd. De hier volgende lofverheffing schijnt dit gevoelen te begunstigen, vers 5, 6. Het werktuig, waardoor God dit oordeel voltrok, wordt hier de engel der wateren genoemd, die de rechtvaardigheid Gods te kennen geeft in deze ontboezeming: Gij zijt rechtvaardig, Heere, die is en die was en die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt, dewijl zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven, want zij zijn het waardig. En daarop antwoordt de andere engel met volle toestemming: Ja, Heere, Gij almachtige God, Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.