6. En ik zag, toen ik Hem, van wie de ouderling had gesproken, nu ook voor mijn ogen zou zien, hoe Hij volbrengen zou, wat hier werd bedoeld en zie, in het midden van de troon en van de vier dieren en in het midden van de ouderlingen, in de ruimte, welks middenpunt de troon met de vier levende wezens en welks omgeving de 24 tronen van de ouderlingen vormden en Zich dus als Middelaar stellend tussen God en Zijn volk, een Lam, staande als geslacht, met de lidtekens van Zijn slachting (
Hoofdstuk 13:8). Het vertoonde Zich aan mij, hebbende, als zinnebeeld van de verleende macht en wijsheid (
Mattheus 28:18 Openbaring :1), zeven hoornen en zeven ogen, die zeven ogen zijn de zeven Geesten van God, die uitgezonden zijn in alle landen, om die met goddelijke invloed door te trekken (
Hoofdstuk 1:4;
4:5).
Nu verschijnt de Leeuw (Vers 5), de machtige, tegen welke niemand zich kan verheffen; de Overwinnaar; hoe vreselijk zal het zijn hem aan te zien. Maar ziedaar, een "lammetje", (zo wordt overal in de Openbaring evonden, Hoofdstuk 5:8, 12 v. ; 6:1, 16; 7; 9, 14; 12:11; 13:8; 17:14 terwijl overal elders "lam" staat (Johannes 1:29, 36. 1 Petrus 1:19 Handelingen 8:32 Verg. Johannes 21:15), verschijnt in plaats van de leeuw en wel "als geslacht. " Dat is de slag, waarmee de Leeuw heeft overwonnen, dat Hij Zich als Lam heeft laten slachten. In de almacht van de lijdende liefde heeft Zich alleen het grote van Zijn almacht kunnen betonen. Het verkleinwoord "lammetje" dient dus tot versterking van het contrast met de Leeuw.
Hoe groot ook de tegenstelling tussen de Leeuw en het Lammetje voorkomt, is er toch een diepe harmonie van de beide voorstellingen aanwezig; want evenals het in Vers 5 veronderstelde strijden van de Leeuw, d. i. Zijn geduldig lijden en sterven met het geslacht worden van het Lammetje samenvalt, is aan de andere zijde ook de verkregen overwinning van de Leeuw, die in de opstanding openbaar geworden is, in het Lammetje waar te nemen, terwijl het staat als geslacht, namelijk als zo een, welks nog zichtbare lidtekenen het vroeger geslacht zijn aanwijzen.
Het is voor een krijgsman iets roemvols en niet iets, dat hem misstaat, als hij een lichaam heeft, dat met wonden getekend is. Zo is het ook voor de Heere Jezus een grote eer, dat Hij Zich als het geslachte Lammetje vertoont en voor hen, die Hem aanhangen en navolgen, is het een bestendige herinnering aan hetgeen Hij voor hen gedaan heeft.
Evenals in Vers 5 de Leeuw aan het Lam voorafgaat, zo wordt ook hier, doordat de zeven horens vooraanstaan, gewezen op de hele volheid van goddelijke macht en sterkte, waarmee Christus tot verderf van Zijn vijanden en tot zaligheid van de Zijnen is toegerust; want de hoornen zijn in het Oude Testament een vast symbool van zegevierende kracht (Psalm 148:14). Het zevental van de hoornen wijst aan, dat deze sterkte in de hoogste volheid bij Hem aanwezig is. Dat het Lammetje de zeven Geesten van God (Hoofdstuk 1:4; 4:5) heeft (verg. Hoofdstuk 3:1) wijst daarop, dat de Geest van de Vader ook de Geest van de Zoon is, dat alle goddelijke krachten Hem ten dienste staan, dat Hij met de hele volheid van de goddelijke almacht is toegerust. Als nu de zeven geesten worden voorgesteld als die, die gezonden worden over de hele wereld, dan stelt deze aanwijzing, die op Zacharia 4:10 twijfel, dat hier niet van de Geest van God als persoon, in de eenheid van het goddelijk wezen, maar in Zijn verschillende werkingen sprake is. Zij vormt een krachtig bolwerk tegen wanhoop voor de kerk bij het zien van de dreigende wereldmacht. Al moge de hele wereld zich tegen haar verheffen, Christus, haar hoofd, heeft de zeven Geesten van God, die over de hele aarde worden gezonden en wier geheimen, vaak diep verborgen, maar onweerstaanbare invloed niets op aarde, al stelt het zich ook nog zo te weer, terughouden kan.
De zeven hoornen dienen het Lam tot betoning van Zijn onweerstaanbare macht, die elke hinderpaal omverwerpt tegenover alles, wat zich tegen het raadsbesluit van God stelt. De zeven ogen zijn om getrouw, bewarend en leidend opzicht te hebben over allen, in wie het raadsbesluit van God tot zaligheid moet worden volbracht. Als het geslachte Lam heeft Christus de weg tot volmaking gebaand, als bezitter van de zeven hoornen en van de zeven geesten van God is Hij ook in staat, de wereld werkelijk tot die volmaking te brengen.
Omdat Christus de Geest heeft, daarom ziet Hij alles, ook de dingen op aarde, waarheen de Geest wordt gezonden (1 Corinthiërs 2:10), het drijven van Zijn vijanden, de toestand van de Zijnen enz.
Eer de visioenen van de toekomst volgen, moet de hoogheid en heerlijkheid van Jezus Christus, de oneindige afstand tussen de Zoon van God en de voornaamste hemelgeesten, voor de hele schepping openbaar worden. De sterke engel, die tot hemel, aarde en onderwereld de oproeping richt: "Wie is waardig het boek te openen? " bekent daarmee zijn eigen onwaardigheid. Een algemeen zwijgen van het hele heelal bewijst het gemis van alle schepselen aan de nodige kennis, om de besluiten van God te verstaan, aan de nodige macht om ze ten uitvoer te brengen. De grote vraag (question brulante) van alle tijden en zonder dat zij het vermoeden, van alle volken, schijnt onopgelost te zullen blijven. De diepe smart van Johannes daarover, omdat het raadsbesluit van God aangaande Zijn medemensen, in weerwil van Jezus' lijden en sterven, onuitgevoerd moest blijven, wordt door het kinderlijk wenen van de hoogbejaarde ziener uitgesproken. Jezus zelf heeft in de dagen van Zijn verblijf op aarde, in het volle gevoel van de ellende van deze zondige wereld geweend. Zo schreit ook Zijn boezemdiscipel hier in de geest, omdat de jammer van de mensheid door de onuitvoerbaarheid van het goddelijk raadsbesluit dan niet voor immer opgeheven zal kunnen worden. Hoe ongelijk aan de oude Johannes, zo begerig om met de inhoud van de zeven zegels kennis te maken, zijn degenen, die het onderzoek van het boek van de Openbaring iet alleen verwaarlozen, maar ook minachtend daarop neerzien. Een van de ouderlingen, de discipel wellicht het meest nabij, spreekt tot Johannes: "Ween niet! " De ouderlingen weten reeds wat straks op handen is, ofschoon ook zij zich zo-even onwaardig moesten bekennen. Ween niet! Dat klinkt opbeurend en liefelijk. Sinds Christus overwonnen heeft, is het wenen, hoewel bij zondaren geen ongehoorde zaak, toch niet meer de uitdrukking van vertwijfelend smartgevoel, wanneer wij Hem, zoals de weduwe te Naïn, tot onze Trooster wensen te bezitten. "Zie de Leeuw uit de stam Juda, de wortel van David heeft overwonnen, om het boek te openen en zijn zeven zegels open te breken. " Zie, iets ongehoords en nieuws; zie, Eén is de waardige in Gods uitgestrekt heelal, de grote Overwinnaar, de Leeuw uit Juda's stam. Het is Jezus, die als Overwinnaar aan het kruishout de mensheid met God heeft verzoend; die het raadsbesluit van God op aarde heeft volbracht; die het ook verder van uit de hemel volvoeren zal; die de zaligheid voor zondaren verworven heeft en nu ook de zondaren tot de zaligheid zal brengen. "Een jonge leeuw is Juda", aldus begroette Israël een onder de oudsten van zijn zonen, die tot de eer was uitverkoren om stamvader van de beloofde Messias te zijn (Genesis 49:8-10). In zijn elfde Hoofdstuk noemt Jesaja dezelfde Beloofde aan de vaderen: het rijsje uit Isaï's afgehouwen tronk (Jesaja 11:1) en later de wortel van Isaï; ook Jezus noemt Zich (Openbaring 2:16) de Wortel van het geslacht van David, Degene, door van wie niet alleen, maar ook om Wiens wil het geslacht van David heeft bestaan. Nu wordt de Christus in het midden van de troon en van de vier wezens en in het midden van de 24 ouderlingen in de merkwaardige zinnebeeldige gestalte van een Lam (letterlijk: van een Lammeke) zichtbaar en wel van een geslacht Lam, dat nog de verse sporen van Zijn slachting in het lichaam omdraagt. Als Lam is Hij het zinnebeeld van de argeloosheid, eenvoudigheid en onschuld, vooral van stille lijdzaamheid. "Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegdraagt", getuigt de Doper, die Hem met de vinger aanwijst. "Als een Lam is Hij ter slachting geleid", profeteert Jesaja Het Lam heeft zeven hoornen, het teken van volkomen macht; zeven ogen, het kenmerk van volmaakte wijsheid. Het bezit zo de twee vereiste hoofdeigenschappen van de Koning van het heelal. Uit de verborgen nabijheid van de ongenaakbare en onzichtbare God treedt het Lam voor de ogen van de mensheid op. Van de Vader heeft het de zeven hoornen of alle macht; van de Heilige Geest de zeven ogen, de zevenvoudigen, door Jesaja zo heerlijk geschilderde Geest van de Heere, die alle gemeenten over de hele aarde tevens verlevendigt en vervult. Wonderbare vereniging! Lammerenaard, zachtmoedigheid en geduld en alle macht en alle wijsheid in één persoon. Dat geeft Zijn schapen de hoop op een vriendelijke Herder, die toch ook voor hen Zijn leven gelaten heeft; en op een Koning, die Zijn vrienden en kinderen beschermt en bewaart, maar voor Zijn vijanden vreselijk en ontzaglijk is. Als een Lam, dat voor ons geslacht is en daarom macht over alle mensen en over Zijn vijand de duivel ontvangen heeft, opent Hij de zeven zegels en regeert tot aan Zijn terugkomst. Deze geheimnisvolle gestalte beantwoordt geheel en al aan Zijn geheimnisvolle regering, in deze tijd, nu Hem alle dingen nog niet onderworpen zijn. (Hebreeën 2:8). Tegenover de gemeente staat Hij voor het tegenwoordige, zoals wij in de eerste hoofdstukken hebben gezien, als Hogepriester, die de zondaren verzoent en vernieuwt, nu de Koning nog verborgen is; bij Zijn terugkomst op de dag van Zijn heirkracht (Psalm 110), wanneer Hij ter vernietiging van Zijn vijanden en ter bezitneming van Zijn rijk uittrekt, dan treedt in Hem de Koning gans en al op de voorgrond. Eer Hij nu het raadsbesluit van de Vader begint uit te voeren, wordt Hij in de hemel door alle schepselen op de rei af als Koning geprezen en erkend.
Waarom zou onze verheerlijkte Heer met Zijn wonden in heerlijkheid verschijnen? Jezus' wonden zijn Zijn heerlijkheid, Zijn juwelen, Zijn heilig sieraad. In het oog van de gelovige is Jezus onovertrefbaar schoon, omdat Hij blank en rood is; blank van onschuld en rood van Zijn eigen bloed. Wij zien Hem als de lelie van onvergelijkelijke reinheid, en als de roos, rood geverfd door Zijn eigen bloed. Christus is beminnelijk op de Olijfberg, op de Thabor en bij de zee, maar nooit is er een schouwspel gezien als de Christus, toen Hij aan het kruis hing. Daar zien wij al Zijn schoonheden volmaakt, al Zijn eigenschappen in haar volle ontwikkeling, al Zijn liefde ten toon gespreid, Zijn hele karakter ontvouwd. Geliefden, de woorden van Jezus zijn veel schoner in onze ogen, dan al de luister en pracht van de koningen. De doornenkroon is meer dan een keizersdiadeem. Het is waar, dat Hij nu niet meer de rietstok als scepter draagt, maar geen gouden scepter straalde immer van zo'n heerlijkheid. Jezus heeft de gedaante van een Lam, dat geslacht is, als het pronkgewaad, waarmee Hij om de liefde van onze zielen dong en ze verloste door Zijn volkomen offerande en dit zijn niet de enige versierselen van Christus; het zijn de zegetekens van Zijn liefde en Zijn overwinning. Hij heeft de machtigen als een roof gedeeld. Hij heeft Zich een menigte verworven, die niemand tellen kan en deze lidtekens zijn de gedenktekens van de slag. O, als Christus zo graag de herinnering aan Zijn lijden voor Zijn volk levendig houdt, hoe kostbaar moeten dan Zijn wonden in onze ogen zijn.
Dat dit boek is overgegeven aan Christus onder de gedaante van een geslacht Lam, voorzien met zeven hoornen en even zovele ogen, verdient buiten twijfel opgemerkt te worden; want de Heilige Geest heeft zeer belangrijke redenen gehad, waarom Hij gewild heeft, dat Christus in dit geval onder dit zinnebeeld door Johannes zou worden gezien. De Heilige Geest, onder Wiens gaven ook is de profetie, die de lotgevallen van de toekomende tijd verklaart, kon aan de kerk niet worden meegedeeld, tenzij Hij verworven was door de dood en de gehoorzaamheid van Christus, waarop Johannes elders ziende, zegt, dat de Heilige Geest nog niet was, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (Johannes 7:39), d. i. door lijden volmaakt. Alle genade en alle gave van de profetie, waarmee de kerk van alle tijden begunstigd is, moeten uit deze bron worden afgeleid.
Het Lam wordt beschreven in Zijn drievoudig ambt. Als een dat geslacht was; dit behoort tot Zijn priesterlijk ambt. Want het is eeuwig ter oorzake van de eeuwige kracht en verdiensten van Zijn dood. De zeven hoornen verklaren, dat Hij een Koning is. De zeven ogen, die zovele geesten zijn en het nemen van het boek, tonen aan, dat Hij de voornaamste profeet is. Dit allerzachtmoedigste Lam is dus niet zonder wapens, waarmee Hij Zijn vijanden kan verpletteren en vertreden, al is het, dat Hij door Zijn lankmoedigheid schijnt geen acht te slaan op de verongelijkingen, die zij Hem aandoen.