21. En een grote hagel, elk als een talent pond; d. i. meer dan 87
Leviticus 19:37 pond zwaar, viel neer uit de hemel op de mensen, nadat alle uitverkorenen en gelovigen door de marteldood uit hun gemeenschap waren weggenomen en in hun toekomst waren verplaatst (
Hoofdstuk 13:15;
14:12 v.). Met die overigen was dus niets meer te doen dan hen als verworpenen te vernietigen (
Jozua 10:11); en de mensen, wier bekering, in onderscheiding van hen, die nog onder de vijfde schaal van de toorn waren (
Vers 10 v.), nu niet meer werd verwacht, lasterden God vanwege de plaag van de hagel; want zijn plaag was zeer groot, zoals dat past in een tijd, waarin het woord
Ezechiel 18:32 niet meer van toepassing is.
Welke plaag hier bedoeld is kan natuurlijk niet nader worden bepaald; in elk geval is het een zodanige, die reeds nu een groot deel van de mensen verslaat, totdat dan de hele vernietiging in Hoofdstuk 19:21 komt. Met de aardbeving aan het begin van de 20e eeuw, die in Hoofdstuk 11:13 v : als het tweede wee wordt voorgesteld, komt, zoals ons het gezicht van de zevende schaal van de toorn heeft aangewezen, een ander nog veel vreselijker, waaruit het allerontzettendst schrikbewind, de anti-christische overheersing voortkomt. Deze staat aan het einde van de 20e eeuw en vormt het derde wee, waarvan dadelijk bij de aankondiging werd gezegd, dat het op het tweede snel zou volgen en daarvan niet door een zo lange tijdruimte, als het tweede van het eerste (Hoofdstuk 9:12) gescheiden zal zijn. Opmerkelijk is de trek, dat alle drie de weeën met de afgrond in verband worden gebracht (Hoofdstuk 9:2; 11:7; 12:18, 13:1, 11, maar daarbij het tweede eerst slechts als een voorbode van het derde voorkomt, terwijl bij het eerste het dier uit de grond slechts allengs en nauwelijks merkbaar opstijgt, daarentegen bij het derde zijn voortbrengsel nu een volkomen geheel is. Gaf ons het tweede wee in zijn verhouding tot het eerste de grond aan tot een nauwkeurige berekening van de 42 maanden in Hoofdstuk 11:2, zodat, terwijl het eerste het begin er van aanwijst, dit met het einde samenvalt Re 11:14, zo kan ook uit de verhouding van het derde wee tot het eerste een vaste grond voor de berekening van de 42 maanden in Hoofdstuk 13:5 worden verkregen. Bij de eerste werd namelijk de sprinkhanen, die uit de rook opstijgen, gezegd, dat zij het gras op aarde, noch enig groen, noch enige boom (Hoofdstuk 9:4) zouden beledigen. De kracht van dit woord is op de meest besliste wijze in die slag tussen Tours en Poitiers in het jaar 732 bevestigd en aan Karel Martel de overwinning verleend over de Saracenen, dat zij de planten van de Heere in de nieuwe Germaans-Slavische volkenwereld niet mochten vernietigen. Daarin ligt dus het aanvangspunt van deze 42 maanden van het dier. Het is nog geen volle eeuw verwijderd van het aanvangspunt van de 42 maanden van de vertreding van Jeruzalem (637), maar daarin ligt ook het derde wee, dat met het einde van die 42 maanden van het dier samenvalt. Even zeker als het echter is, dat het voorval van het jaar 1897 werkelijk en beslist behoort tot het hoofdstuk van het anti-christendom, zo zeker is dat toch nog niet dat van de persoonlijke antichrist, dat pas met het jaar 1992 komt, maar eerst van de anti-christelijke tijdgeest, zoals wij dat hebben genoemd.
Aan dat Rome, dat zo velen door zijn zwijmelwijn heeft doen vallen, geeft de Heere nu de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn gramschap tot vernietiging. Maar niet aan Rome alleen. Ook alle eilanden en bergen van de heidenen, alle goddeloze wereldheerschappijen in de golvende zee van de volken ondervinden, dat het wereldgericht daar is. Deze rijken dragen de naam van eilanden, in zoverre zij afzonderlijk en op zichzelf bestaan en die van bergen, in zoverre zij zich boven andere rijken verheven en over deze heerschappij gevoerd hebben. Thans, op de grote dag van de Almachtige, zinken zij weg in de zee der volken, die met hen van de aarde verdwijnt! De wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in de eeuwigheid! De hagel is, zoals wij reeds hebben opgemerkt, nergens een dreigend beeld van toekomstige strafgerichten, zoals de wolken; maar overal van een oordeel, dat als werkelijk tegenwoordig wordt voorgesteld en eigenlijk een aanduiding van een eindgericht. Hagelstenen van een talent gewicht laten niemand in het leven, die erdoor wordt getroffen, maar doen alle vijanden, ook die onder de vorige plagen nog niet omgekomen zijn, onfeilbaar verdelgd worden. Zij hebben de tijd niet meer om zich te bekeren. Maar stervend braken zij nog hun godslasteringen uit en gaan zo over in een ontzaglijke eeuwigheid. Verschrikkelijk! De straf van die godslastering achterhaalt hen op de aarde niet meer, maar des te zekerder na het jongste gericht in de toekomst.
Hagel was een van de plagen van Egypte; met grote hagelstenen doodde de Heere de Kanaänieten, toen Israël het land innam (Jozua 10:11). Door deze hagel wordt het opvolgend oordeel van God verstaan over alle aanhang van de paus, hen allen verpletterend, zodat er nergens verberging en ontkoming was, noch voor groten, noch voor kleinen en nochtans bekeerden zij zich niet, maar stierven goddeloos en godlasterend. Dit is het einde van de antichrist, de paus en van al zijn aanhang.
De hagel valt uit de hemel neer, de een volgt de ander. Laat nergens veilige rust over na het omwerpen van de gebouwen, maar velt, smijt neer, verwondt, doodt; dit alles kan makkelijk op de laatste helse straf worden overgebracht.
Hagel geeft hier een oordeel van God te kennen, dat van de hemel en als onmiddellijk door God de mensen wordt toegezonden. De profetie wil te kennen geven, dat de toorn van God van de hemel geopenbaard zal worden over de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid te onder houden, zowel in oorlogen, waardoor de Heere hen vernielen zal, als in sterfte, dure tijd en hongersnood, welke plagen doorgaans samengaan, en die God zelf als uit de hemel onmiddellijk zal uitstorten over Zijn vijanden; en deze lichamelijke onvruchtbaarheid is een kenteken en zinnebeeld van geestelijke schaarsheid, dat is van een zwaar oordeel van de verharding.
De ontzaglijke grootte van de toorn zonder enig inmengsel van barmhartigheid is onlijdelijk en onverdraaglijk en echter worden zij na zo'n plaag in wezen behouden. Wij moeten het dus aanmerken als een eeuwig oordeel; want de mensen konden daaronder niet in het tijdelijk leven blijven en daarom moet dit lasteren in de hel zijn.
Een hagel zou op hen vallen als in oude tijden volgens Jozua 10:11 : "Toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp de Heere grote hagelstenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; er waren er meer, die van de hagelstenen stierven dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden. "