8. En er is een andere of tweede engel op die eersten (
Vers 6 v.) gevolgd, zeggende: zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad (in verschillende handschriften staat alleen "Babylon, de grote (
Jesaja 21:9 Jeremia 51:8 v.), omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij en daarmee ook van de toorn van God (
Vers 10) alle volken heeft gedrenkt (
Hoofdstuk 17:2,
4;
16:19;
18:3).
Het behoort tot de dramatische levendigheid van het toneel, dat elk nieuw punt, dat moet worden aangekondigd, aan een bijzondere engel wordt bevolen; het roepen van deze tweede engel stelt op profetische wijze (vgl. Hoofdstuk 11:18) het oordeel, dat zeker en snel wacht, (Hoofdstuk 18:2) als reeds voltrokken voor.
Voor de eerste maal ontmoeten wij hier in de gezichten van de Openbaring e naam Babylon. Hebben wij nu alle reden, om bij deze naam te denken aan het pauselijk Rome, welks Kerk vervolgens in Hoofdstuk 17:1, als de grote hoer voorkomt, zo komt de laatste naam van de Roomse paus-kerk eerst van die tijd af voor, dat Israël tot de gemeente op Zion is geworden (Vers 1-5) en weer in zijn rechtmatige plaats als huisvrouw van de Heere is getreden. Tot op die tijd had die Kerk bij alle gruwelen van de hoererij, die zij reeds sinds lang had gepleegd, er toch nog altijd aanspraak op, voor de vrouw of gemeente van Christus te worden gehouden, hoewel niet uitsluitend is de zin, waarin zij beweerde het te zijn en zich daarom de naam katholiek toekende. In Hosea 1-3 wordt het beeld van de vrouw behouden ook voor Israël, dat van zijn echtvriend was afgevallen en met allerlei soort van afgoderij bevlekt was en in Ezechiel 23 komen in het theocratische Juda en het ontheocratische Israël zelfs twee vrouwen naast elkaar, waaruit vervolgens (Ezechiel 37:1 v.) weer één zal worden gemaakt. Zo heeft de Heere ook gedurende de hele tijd, dat de Christelijke Kerk in de plaats van de verstoten Israëlitische gemeente Hem Zijn vrouw was, gedurende de hele tijd van de heidenen (Lukas 21:24), Zijn verbondsbetrekking tot Rome niet opgegeven, zodat het noch door de stichting van een bijzondere Hervormde Kerk opgehouden heeft, mee gerekend te worden bij de woorden van het derde geloofsartikel: "Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke kerk", noch bij de strijd, die het dier, dat uit de afgrond opstijgt, tegen de twee getuigen in Hoofdstuk 11:7 v. verheft, van zo'n strijd verschoond is gebleven. Er is integendeel nog in beide delen van de Kerk juist bij de levende leden een bewustzijn opgewekt van solidariteit of van wederkerig verband, zoals het heden ten dage, nu wij dit schrijven, is. Maar van de tijd van het weer levend maken van de twee getuigen af (Hoofdstuk 11:11 v.), die door de bekering en het herstel van het hele Israël naar zijn beide delen, zowel van het huis nu Jozef als van het huis van Juda wordt teweeggebracht, gaan de wegen van de beide kerken zo geheel uit elkaar, dat de stroom, die van het heiligdom op Zion uitgaat, slechts de wateren van de Dode zee gezond maakt, maar de vijvers en poelen daarnaast veroordeeld worden, geheel in ongezond zout op te gaan (Ezechiel 47:1). De geest van het Jezuïtisme, die in het vaststellen van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid zich daartoe de weg heeft gebaand, door datgene, wat het vergiftigende zout is in de laatste bestanddelen van het uit Christus' Woord achtergebleven levenswater, een volkomen oplossing teweeg te brengen, zal bij de gebeurtenis in Hoofdstuk 16:3 v. mede onder de drie onreine geesten, evenals vorsen agiteren. Hij is het, die uit de mond van de valse profeet gaat en zal de pauselijke Kerk in de strijd tegen God en Zijn volk intrekken, dat zal echter de zedelijke vernietiging van deze Kerk zijn, dat haar voortaan nog slechts overblijft, de rol van de grote hoer te spelen en op het dier vol namen van lastering te zitten. Dat is nu de weg, die Rome van het begin van de 20ste eeuw naar zijn einde zal nemen, totdat zijn val komt, die de tweede engel hier aankondigt. Alle zielen, die in verband met deze Kerk staan en toch nog enig oog voor de waarheid hebben, zullen daar reeds de stem te horen krijgen (Hoofdstuk 18:4 v.): "ga uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap heeft en opdat u van haar plagen niet ontvangt", evenals eens bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen de Christelijke gemeente nog op de juiste tijd naar Pella werd gered. De bijvoeging "met grote stem" wordt bij het spreken van deze tweede engel gemist. Het roepen zal dus wel minder vergezeld zijn van uitwendige, in het oog vallende en de gemoederen diep schokkende gebeurtenissen, maar meer zich doen horen aan het uitwendig oor, aan het geestelijk zintuig, maar het zal worden begrepen door allen, die zo'n zintuig en zo'n oor hebben, de anderen daarentegen doen de koningen op aarde en de kooplieden en de stuurlieden enz. horen, die de grote stad Babylon, de sterke stad, wegens haar val beklagen (Hoofdstuk 18:9).
In de schildering van de laatste 400 jaren van het 1260 jarig tijdsverloop, wordt over de ontwikkelingen op godsdienstig gebied gehandeld, zoals dit duidelijk uit de schildering van het beest uit de aarde, van de Hervorming en van de Evangelisatie onder alle volken blijkt. Hier vernemen wij Babels val en de volgende engel waarschuwt voor de aanbidding van het beeld van de beest, namelijk van de antichrist en zijn eredienst (Hoofdstuk 13:14-18). Door de val van Babel hebben wij dus in de eerste plaats de val van de tegenwoordige godsdienst van de pausen te verstaan, maar ook van dat Babel, dat tot de toekomst-religie is overgegaan (Hoofdstuk 17:1-6). De beide plaatsen (Hoofdstuk 14:8, 18:2) schilderen dezelfde val van Babylon, de andere zijn ondergang van een geestelijke, deze van een wereldlijke zijde. Wat zij tot dusver nog niet van de wijn van de toorn van haar hoererij de natiën te drinken heeft gegeven, schenkt zij hen in de toekomst in, wanneer zij op de rug van het afgodsbeest gezeten is (Hoofdstuk 17:1-6). Door de val van het pausdom, of door het gericht over de Europese Christenheid, ontvangt Babylon zijn loon voor zover zich vorsten en volken door het pausdom tot zonde laten vervoeren, omdat de eersten er zich van bedienen om hun macht te stijven en de laatsten omdat het de lusten van de oude mens streelt en beiden het pausdom zo eer en voortbestaan gunnen. De wijn wordt hier evenals in het Oude Verbond, bijvoorbeeld Jeremia 25, omdat hij een dronken makend vocht is, als zinnebeeld van verdoving en verbijstering van de Geest, van de dweperij en van de zinnen-tuimeling gebruikt. Babylon of het pausdom mengt de wijn van zijn valse godsdienst, uit naijver voor zijn dwalingen tot een uit afgoderij, zinnenlust en godsdienstige dweperij bestaanden bedwelmingsdrank en geeft die de volkeren te drinken.
Rome, de troon van de antichrist, had de geestelijke en daardoor de aardse heerschappij over de wereld, zover hij er bijkomen kon; dit gebied werd hem voor een groot gedeelte ontrukt en de oordelen van God begonnen over hem uitgegoten te worden, omdat hij met zijn valse leer en afgoderij, als door een vergiftigde wijn, alle volkeren dronken had gemaakt en Gods toorn daardoor tegen zich ontstoken had, zo zou het nu zijn beurt worden; de Kerk werd ten eerste uit zijn klauwen gerukt en de heerschappij over haar hem benomen en de Heere zou hem in Zijn toorn vergelden al het kwaad, dat hij Zijn Kerk had aangedaan en al zijn gruwelen, die hij bedreven had. Deze engelen volgen elkaar op de hielen, even als Hoofdstuk 6 de ruiters. De inhoud van hun prediking toont voldoende aan, dat zij elkaar ondersteunen en de een de woorden van de anderen aandringt. Er wordt dus dezelfde menigte van leraren door verstaan, die van de reformatie af opgekomen, niet alleen het eeuwig Evangelie verkondigd hebben en de wereld tot de vrees, verheerlijking en aanbidding van de ware God hebben gedragen, maar ook de schandelijke naaktheid van het antichristisch Rome openbaar hebben gemaakt.
De val van Babel, hier verkondigd, is een voorafgaande voorbode van een zwaarder en volkomener val. Babel begon nu te vallen en de vrome en verstandige mensen voorzagen, dat dit oordeel van God over Babel eindelijk eens met zich zou brengen de hele ondergang; want zij had aan de wereld door haar leraars te drinken gegeven de bijgelovige en afgodische leer van haar religie.