7. Hij volbracht die last, zeggende met een grote stem: "vrees God en geef Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel over de grote hoer (
Hoofdstuk 17, 18) en verder ook over het dier en zijn profeten (
Hoofdstuk 19) is nabij gekomen, zoals daarvan de aardbeving met de val van het tiende deel van de grote stad en van de zevenduizend namen van de mensen (
Hoofdstuk 11:13) reeds een voorspel is geweest; en aanbidt in plaats van de afgoden van de tijdgeest, of ook van het eigenlijke heidendom, dat u van te voren gediend heeft, Hem die de hemel en de aarde en de zee en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft, de waarachtige, levende en persoonlijke God, van wie alle welvaart komt (
Hoofdstuk 8:10;
16:4).
a) Genesis 1:1 Psalm 33:6; 124:8; 146:6 Handelingen 14:15; 17:24
Deze engel leidt bij ons in de oude Christelijke kerk de nieuwe aera in, die snel na het begin van de 20ste eeuw daarmee is begonnen, dat, zoals in Hoofdstuk 11:13 werd gezegd, de anderen verschrikten en eer gaven aan de God van de hemel. Met zijn verkondiging, die zeker een vermaning bevat, die algemeen is en alle mensen van alle tijden aangaat, wil hij evenwel aan hen, die uit de 19de in de 20ste eeuw zijn overgegaan een geheel bijzondere herinnering geven, voor hen in het bijzonder berekend. Want juist de vrees van God, het bewustzijn van onze absolute afhankelijkheid van God, de getuigenis, dat Hem alleen de eer toekomt, dat alles, wat wij goeds zijn en hebben, Zijn werk en Zijn genadegift is, het geloof in de almachtige Schepper van hemel en aarde en de aanbidding van Zijn heilige Majesteit al deze grondvesten van de levende vroomheid hadden de mensen van de 19de eeuw ten slotte geheel verloren en in plaats daarvan de natuur- en wereld-, de mensen- en zelfvergoding gekomen. Zo alleen was het mogelijk geweest, dat de tegenstanders van Christus met Zijn Kerk opruimden en een toestand verwekten, zoals die met hun ideeën overeenkwam. Nu is het gebouw van de anti-christelijke tijdgeest weer ineengestort, de woordvoerder en partijhoofden zijn nu opgeruimd en op de puinhopen van de stad, die door een aardbeving is getroffen, kon ten gevolge van Gods grote daden aan Zijn uitverkoren volk een nieuwe Kerk worden opgebouwd; maar lang duurt de tijd van de genade niet, die wordt alleen naar tientallen jaren afgemeten en dan komt meteen de grote verdrukking, waarop de Heere in Mattheus 24:21 v. heeft gewezen. Daarom is voor het geslacht van deze tijd van genade de vermaning zo hoog nodig, die de engel hier met grote stem laat horen. Het moet zich niet weer van die grondvesten van vroomheid laten afdringen, integendeel diepe wortels slaan in het evangelisch geloof en in de gemeenschap van Jezus Christus, anders zullen de wateren van de laatste zware bezoeking en de stormen van de anti-Christische bestrijding het snel ten val brengen. Ongewaarschuwd zal dat geslacht niet in de strijd mogen gaan, die de draak tegen het einde van de 20ste eeuw met de overigen van het zaad van de vrouw zal houden en bij hen, die Gods gebod houden en de getuigenis van Jezus Christus hebben, zal de waarschuwing ook van goed gevolg zijn. Daarom treedt deze eerste engel op en verhoedt door zijn boodschap, dat het weer opstaan van de Kerk geen valse dromen verwekt en de zielen in gevaarlijke gerustheid doet insluimeren, integendeel ze dringen de tijd uit te kopen en zich te wapenen op hetgeen in kort komen zal. Wellicht dat men zich dan de raad van Paulus in 1 Kor. 7:1, en 32 v. herinnert. De boodschap is dus een goede, heilzame en is gegrond op de blijde boodschap van de zaligheid in Christus Jezus. Daarover verblijdt zich nu de oude Christelijke Kerk. Zij breidt zich echter door een krachtiger en meer doortastend zendingswerk, dan vóór de catastrofe ooit heeft plaats gehad, uit, omdat nu het eigenlijke zendingsvolk (Vers 1-5) haar leidt en met het beste voorbeeld voorgaat, ook in steeds verdere kringen onder de nog onbekeerde heidenen. In de grondtekst staat voor "verkondigen" een werkwoord, dat van het grondwoord "Evangelie" is afgeleid; men ziet, het evangelische is dan tot eer gekomen; de zolang beweerde voorrang en roem van het Katholicisme tegenover de Kerk van het Evangelie is voorbij. Zolang de tijd duurde, die in Hoofdstuk 11:1-11 werd gekarakteriseerd, geeft de Heere aan de Roomse kerk een bevoorrechte plaats. Zij is de draagster van vele genadegiften in cultus en inrichting, die de Protestantse kerk nooit heeft verkregen, of die toch snel weer verloren gegaan zijn en nog bij gelegenheid van de strijd, die het dier, dat uit de afgrond opstijgt, tegen de twee getuigen in Hoofdstuk 11:7-10 opende en tot het overwinnen en doden van deze doorstreed, heeft zij in onderscheiding van de uitwendig zo macht- en weerloze Protestantse kerk de roeping gehad, het dier de strijd zwaar te maken en een indruk daarvan te geven, dat het niet met mensen, maar met God streed, dat de gemeente van Christus op een rots was gegrond, die de poorten van de hel niet zullen overweldigen. Zij heeft in haar leden nog vele zielen kunnen aanwijzen, wier hart voor Christus klopte en de moeder, die hen voortbracht, beminde en in haar instituties nog krachten kon in het werk stellen, die haar ook als gave voor haar roeping in de wereldgeschiedenis van boven ten deel zijn geworden. Sinds het echter bij deze strijd tevens openbaar is geworden, dat zij over de tijd van middernacht, als de lampen worden uitzekert, niet met de nodige voorraad olie in de vaten voorzien is; sinds zij in haar nood zich tot de verkopers heeft gewend, omdat nu eenmaal de evangelische hoofdprincipen niet voor haar waren en de Protestantse kerk haar ten slotte aan haarzelf moest overlaten, sinds haar heulen met de kooplieden haar in een ongelukkig bondgenootschap heeft gebracht en zo geheel in de wereld heeft verstrikt, dat zij in generlei opzicht meer meesteres over zichzelf is; sinds zij vervolgens het uur van de bruiloft van de bruidegom heeft verzuimd en geen winst tot haar vernieuwing en geestelijke levendmaking heeft verkregen, integendeel zo'n schade heeft geleden, dat niet meer bij haar aanwezig is, wat harten en zinnen van hen, die naar God begeren en Christus zoeken, verblinden en voor haar innemen kan, sinds heeft zij haar rol op het gebied van het rijk van God uitgespeeld en er blijft haar voor haar verder bestaan, waarin zij zich wil handhaven, nog slechts een rol op ander gebied over. De geslachten, die na ons leven in hun eerste 2-3 reeksen zullen zien, op welke wegen en op welke wijze het woord der profetie zal worden vervuld, wij kunnen het eerst slechts van verre vermoeden en slechts in algemene zinnen daarvan spreken, hoe de Protestantse kerk nog eenmaal tot grote eer zal komen en het talent zich zal zien toegedeeld, dat de boze dienstknecht in de aarde had verborgen (Mattheus 25:1-30).
In het gezicht vertoont zich een engel, in het midden van de hemel vliegend, waardoor de snelheid en onweerstandelijkheid van het doorbreken van het Evangelie te kennen gegeven wordt, ten tijde van de hervorming, zoals ook in die tijd geschied is, want het grootste gedeelte van de koninkrijken en volkeren, die tot die tijd toe de antichrist onderworpen geweest waren, vielen van hem af, omhelsden en beleden de waarheid van het Evangelie, hetgeen hier genoemd wordt het eeuwig Evangelie, wegens haar onveranderlijkheid van Adam af tot de komst van Christus hetzelfde blijvend en wegens de bewaring daarvan tegen al de listen, die men van alle tijden aangewend heeft om de Bijbel uit de wereld te krijgen. Het was een grote en belangrijke zaak, waartoe hij ieder opwekte, te weten, om het eeuwig Evangelie te geloven en in de belijdenis van het geloof uit te komen en Babel te verlaten, daarom verhief hij zijn stem. De antichrist had de ware vrees en dienst van God verdonkerd en tot vrees ingesteld geboden van mensen; hij had hun geleerd verstorven heiligen beelden en andere ijdelheden te aanbidden, de bliksem van zijn ban te vrezen, waardoor God niet geëerd, maar onteerd werd; maar nu het licht van het Evangelie doorbrak, nu roept hij uit, die vrees te verwerpen en Gode naar Zijn wil met een kinderlijke vrees te dienen, te aanbidden en Hem te verheerlijken, omdat die andere dingen ijdelheid zijn en het bijgeloof en afgoderij is die te vrezen, te dienen en te aanbidden en aan de andere kant omdat God alleen is de Schepper en Onderhouder aller dingen en het Hem alleen toekomt, gevreesd, gediend, aangebeden en geëerd te worden. En omdat de Heere, de rechtvaardige Rechter nu gereed stond, om Zijn oordelen uit te storten over de antichrist, het uur, de tijd van Zijn oordelen is gekomen, daarom haast u uit Babel uit te gaan en de Heere zuiver naar Zijn wil te dienen.
Na het gezicht van het uitgaan van de Kerk uit Babel komt hier de wijze voor, waarop zij begonnen is uit te gaan en verder uitgaan zou. De engel stelt voor de schare van de leraren, die in het begin van de 15de eeuw het werk van de Heere gelukkig ter harte hebben genomen en volvoerd. Engelen, niet alleen wegens hemelse wijsheid en heiligheid, maar ook hemelse zending genoemd. Zij worden "anderen" genoemd, als onderscheiden van de zalige hemelingen en van het getal van de gewone gelovigen en ook van de engelen tot hiertoe in de Openbaring oorgekomen. Vliegend, voortgaand, snel, vaardig door vele plaatsen en rijken van de wereld. In het midden van de hemel openbaar, met betoning van de hemelse oorsprong van de zaak, zodat geen wereldse mensen het beletten konden. Deze hielden de Evangelische schriftuur in de hand, die niet alleen naarstig openslaande, maar ook geleerden en ongeleerden overvloedig aanprijzend. Zij beweerden en bevestigden de heerlijkheid en eeuwigheid ervan. Zij hadden last om de evangelische leer, zolang verduisterd en bijna verbannen voort te brengen, opdat de wereld zich met hen in Gods genade mocht verheugen. Wegwerpende alle bedeksels van de schande, hebben zij duidelijk en deugdelijk de weg van de waarheid aangewezen en terwijl de onderwijzing nodig en de mensen onwetende waren, met grote stem in krachtige schriften hun ijver en onverschrokken gemoed betonend. Hoezeer belasterd, strekte hun leer om de ware vrees van God in te boezemen. Zij leerden de vrees van God niet van mensen, schepselen, beelden. Ook herstelden zij voor God Zijn heerlijkheid, zo van al Zijn volmaaktheden in Zijn werken blijkbaar, als van Zijn eindeloze genade in het werk van de zaligheid en van Zijn enige opperheerschappij over de Kerk en wilden zij Hem van al die heerlijkheid gegeven hebben, uit aanmerking van Zijn oordelen over Zijn eerrovers te brengen. Eindelijk hebben zij ten krachtigste aangedrongen op de aanbidding of dienst van de levende God, Schepper en gunstige Weldoener van allen, met wegwerping van alle echt Heidense, schandelijke en menigvuldige afgoderij, waarmee het beest zijn schandelijke naaktheid op de wijze van de Heidenen poogde te bedekken.
Een heerlijk bewijs van Gods gunst voor de Kerk is gegeven in het grote werk van de Kerkhervorming. Dit is het, wat Gods Geest in dit gezicht voorstelt onder het zinnebeeld van drie engelen, die elkaar opvolgen.