4. En de vrouw, die op het dier zat, dat de kleur droeg van het reeds vergoten en nog te vergieten bloed, was bekleed met purper en scharlaken 1), met een gewaad, welks kleur uit tweeërlei rood bestond: uit het rood van het koninklijkpurper (
Hoofdstuk 18:7) en uit dat van het vers vergoten bloed (
Vers 6) en op recht vorstelijke en prachtige wijze versierd met goud en kostelijk gesteente (
Ezechiel 28:13) en parels 2) en had in haar hand een gouden drinkbeker vol van gruwelen van alle mogelijke verkeerde leringen en vol van onreinheid van haar nu vol geworden hoererij.
1) De purperen kleur is die van Rome en de kardinalen. De troon, waarop de paus wordt gedragen, de hemel, die boven hem wordt gehouden, zijn hele gevolg rondom hem en hij zelf, alle tempels te Rome, alle paleizen en elke grond, die hij betreedt, zijn met purper en scharlaken bedekt. De kardinalen kennen zich niet alleen koninklijke rang toe, maar dragen ook een purperrood kleed en zo'n hoed; zelfs de dekken van de paarden, waarop zij rijden, zijn van dezelfde kleur.
2) Mijn kind, kent u nog het verhaal van de oorsprong van de parels? De tranen van de onschuld, op aarde geweend, zijn versteend tot parels en diamanten en de fonkelende gloed van de robijnen ontstond uit schandelijk vergoten bloed. De fabel heeft een diepe betekenis. Begeer daarom nooit voor u parel of robijn! 5. En op haar voorhoofd was door een onzichtbare hand een naam geschreven, namelijk een, die a) verborgenheid was, die alleen een door Gods Geest verlicht verstand kan verklaren, evenals het schrift in Belzasars zaal (Daniël 5:5 v.) en dus een geheimzinnige signatuur was. Die naam luidde: het grote, een ver gebied omvattende, en met gedachten aan steeds groter uitbreiding vervulde Babylon, de moeder van de hoererijen (liever: "van de hoeren", van alle zedeloze kerken en dergelijke zogenaamd godsdienstige genootschappen) en van de gruwelen van de aarde, die in kerkelijk fanatisme zijn bedreven.
a) 2 Thessalonicenzen 2:7
De vrouw ontvangt de naam van Babylon, d. i. verwarring, omdat zij de waarheid van het Evangelie en de Messiaanse Kerk verwart door mensenwoord en stellingen en daardoor de geestelijke toverij heeft teweeggebracht en bevorderd, ook tot ontelbare gruwelen aanleiding heeft gegeven. Het tot leugen geworden schrift op het voorhoofd luidt: "Sacrorum, Laturanensis ecclesia, omnium ecclesiarum orbis et urbis mater et caput", d. i. de heilige Kerk van het Lateraan, de moeder en het hoofd van alle kerken van de aardbol en de stad.
Moeder van de hoeren is iemand, die anderen tot hoererij opvoedt; het pausdom geeft aan anderen aanleiding, om uitwendig godsdienstig te zijn en daarmee het ware wezen van de godsdienst te vergoeden. Het is, zoals bekend is, een algemeen heersend geloof in de Roomse Kerk, dat vervulling van uitwendige kerkelijke plichten voldoende is, de priesters zijn met het volk volkomen tevreden, als het maar uitwendig het pausdom belijdt, het overige is een onverschillige zaak. Met de grootste strengheid wordt vastgehouden, dat ieder `s zondags een mis hoort; het is daarbij voldoende, dat men vóór de Kerk de bel hoort, neerknielt, zijn kruis maakt enz. Heeft men dat echter eenmaal een zondag verzuimd, dan moet het in de biecht worden beleden en met enige Ave-Maria's is de zaak ten einde. Goddank! niet alle Katholieke geestelijken zijn zo en daarom maken wij onderscheid tussen pausdom en Katholicisme; dat echter uiterlijk zo'n schijnheilig wezen in de Roomse Kerk ontzaglijk verbreid is, wie kan dat loochenen? Dat valse wezen noemen wij pausdom.
Over de tijd, waarop dit gezicht zal worden vervuld, wordt het gezegde bij Hoofdstuk 18:5 "Re 18:5" vergeleken.
In Hoofdstuk 12 is de Vrouw het beeld van de Oud- en Nieuw-Testamentische gemeente van de Heere in haar zuiverheid als goddelijke lichtdraagster. In Hoofdstuk 17 is zij de afgevallen, ontrouw geworden Kerk, die tot hoer geworden is. Als de met de zon beklede vrouw, moest de Kerk met haar licht, dat immers van haar afstralen moest, de duisternis rondom haar doen opklaren. Zoals een zuurdeeg moest zij het mensdom doordringen: "niet door kracht of door geweld, maar door Mijn Geest, spreekt de Heere Zebaoth (Zacharia 4:6). Dit was haar bestemming. De hoer is het tegendeel van dit alles; in plaats van haar koninklijk Hoofd en Heer alléén aan te hangen, leunt zij op de hoofden van het beest (Vers 9) en in plaats van met de hemelse glans van de zon, is zij nu met de aardse kleren van purper, scharlaken, goud en edelgesteente getooid (Vers 4); voor de lijdenskelk van haar Heere, drinkt zij uit de gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheden (Vers 4). Het zijn dan ook niet de gelovigen, de levende leden, die zich over zodanig een Kerk verblijden of over haar ondergang weeklagen; nee, het zijn de groten en rijken van deze aarde, de koningen die met haar hebben gehoereerd, de kooplieden, die door haar zijn rijk geworden. De verbasterde en afgevallen Kerk heeft de koningen en machthebbers niet verontrust, hen niet over hun zonden bestraft of gewaarschuwd, maar hun de weg naar de hemel echt vrij en gemakkelijk voorgesteld. Zij heeft aan hen slechts de dienst van een toom gedaan om de volken rustig en in bedwang te houden, was ook voor hen een van de middelen, om hun gezag te steunen en de rust en orde in stand te houden. Daarom is het geen wonder, dat de koningen haar oordeel beklagen. (Hoofdstuk 18:9, 10). De koop- en zeelieden was de Kerk evenzeer behulpzaam als band tot behoud van de vrede, onder wier bescherming handel en nijverheid begunstigd werden, en grote verdiensten en geldsomloop gezien werd (18:13 heeft niet luide getuigd en gewaarschuwd tegen al de zorgeloosheid en gerustheid, overdadigheid en weelderigheid, waaruit de kooplieden gewin trokken; veeleer heeft ze er zichzelf genot door proberen te bezorgen en zichzelf door toegeven aan werelds vermaak en weelde meer en meer verwijderd van haar waar en enig standpunt. In plaats van de schapen op te zoeken, heeft zij hun wol gezocht. In plaats van omgord te zijn met kracht uit de hoogte en te getuigen van de parel van grote waarde en de stad die fundamenten heeft en die toekomende is, heeft zij haar vlees gevoed tot begeerlijkheid en zichzelf behaagd in haar aardse tooi. Zij heeft eindelijk door haar zouteloosheid en aardsgezindheid, het bederf van de wereld en het gerust leven in de zonde bevorderd, in plaats van het krachtig tegen te staan (18:14-19; 19:2). De heiligen in de hemel, de getrouwe getuigen van Jezus, de apostelen en profeten verheugen zich over de val van Babel; zij zelf hebben dit oordeel over lang van God begeerd; want van hun bloed is de hoer dronken geworden" (17:6; 18:20-24; 19:2). De hoer van het Nieuwe Testament heeft dezelfde bloedschulden als de Oud-Testamentische; want ook Jeruzalem heeft de profeten gedood en de gezanten van God gestenigd; ook hebben de Joden Christus en Zijn apostelen gedood, menend God een dienst te doen (Mattheus 23:29-37; 21:35-39 Wij moeten daarbij ook niet alleen aan de latere bloedgetuigen denken: aan een Johannes Huss, aan de Waldenzen, Hugenoten, de Engelse en Hollandse bloedgetuigen; ook niet slechts aan hetgeen nog te gebeuren staat volgens het profetisch woord; maar hier komt ook in aanmerking: "wie zijn broeder haat, is een doodslager. " (Johannes 3:15). Daar waar levende Christenen van de bestuurders van de Kerk, hetzij bedekt of meer openbaar verdrukt of achter geplaatst worden, waar een valse theologie het geloof uit de harten van de jeugd scheurt, waar een voorganger de stillen in de lande, uit vijandschap van het geloof, prijs geeft en terugstoot, waar wij zelf op enigerlei wijs tegenstaan of ons schamen de smaad op ons te nemen, de dienstknechten van de Heere betamende, daar is een doodslag gepleegd tegen de heiligen van God. Vraagt men ons nu naar de vervulling van dit gezicht aangaande de Babylonische hoer, zo vinden wij die noch in de Rooms-katholieke Kerk uitsluitend, noch in de massale Protestantse, zoals sommigen dit vaststellen, volgens een eenzijdige opvatting uit een sektarisch-separatistisch standpunt. Wij Protestanten hebben helaas wel reden op onze eigen borst te slaan en ons te verootmoedigen; maar daarom verlaten wij niet in overhaasting onze Kerk, met eigenmachtig ontijdige toepassing van hetgeen ons in Openbaring 8:4 gewaarschuwd wordt, evenmin als onze Heere Jezus de diep verbasterde Kerk van Zijn tijd heeft verlaten; want ook de kleinste sekte blijft op de duur niet vrij van hoererij. En hier geldt het voor ons om het Openbaringswoord juist te vatten en toe te passen. Hier is "lijdzaamheid en geloof van de heiligen" nodig. Want de hoer is niet de stad Rome alleen of de Kerk van Rome uitsluitend, maar uit de hele Christenheid het geesteloze gedeelte, dat zich slechts Christen noemt, zonder intussen Christus' geest of zin te bezitten. Zij heet Babel, dat is "verwarring", want het valse Christendom is echt een verwarring, ofschoon dan ook verdeeld in verschillende sekten en godsdiensten; maar onder alle godsdiensten, partijen of sekten van de Christenheid leeft en bestaat de Christus-gemeente, die de met de zon beklede vrouw is. De bedorven afgeweken Christenheid is een hoer gelijk, die alles volgens haar begeerlijkheid uitlegt en bepaalt en slechts vlees (het ijdelijke wél-leven) en eer op het oog heeft, een open oor heeft voor alle verleidende dwaalgeesten en zich daardoor verder van de waarheid laat aftrekken en zich ten slotte verenigt met de aanbidders van de natuur en van de wereldgeest. Maar het blijft ook waarheid, dat de Roomse en Griekse kerken met meer recht dan de Evangelische in het wezen van de hoer zijn gegrond. Ten tijde van Johannes is Babylon Rome geworden. Volgens Openbaring 7:18 wil dit ook zo verstaan zijn. Nu is daarmee geenszins de ons bekende geografisch-historische stad Rome bedoeld, maar hier geldt de geestelijk verborgen profetische betekenis. Rome was het bekende middenpunt van de wereldse macht, de draagster van de tijdgeest naar alle zijden van de wereld. Juist deze geest, die het Romeinse wereldrijk bezielde, is in de Kerk binnengedrongen en heeft in haar westelijk gedeelte uit Rome een naar bedekte wereldheerschappij trachtenden kerkstaat gevormd en in het oostelijk gedeelte uit Byzantium een onder wereldlijke macht knechtelijk zuchtende staatskerk gevestigd, met die overeenkomst, dat beiden van de Geest van Christus en de kracht van het Evangelie verstoken blijven door de elementen van wereldsgezindheid, die haar beheersen, volgens Galaten 4:9 Colossenzen 2:20 De Roomse kerk is niet alleen in haar bestaan maar ook in haar grondslagen hoer; zij heeft de treurige voorrang "moeder aller hoererijen te zijn" (Openbaring 17:5); zij is het ook, die zich bij voorkeur beroemt: "ik zit als een koningin en ben geen weduwe en treurigheid zal mij niet genaken. " (18:7)
Dat door deze vrouw de stad Rome met haar heerschappij wordt verstaan, blijkt uit de hele beschrijving, die hier volgt, inzonderheid uit het vijfde vers, omdat zij het groot Babel genoemd wordt, namelijk geestelijker wijs verstaan, zoals Hoofdstuk 14:8, 16:19 Uit het volgende negende vers, omdat van de engel verklaard wordt, dat de zeven hoofden van dit beest, waar de vrouw op zat zeven bergen zijn en in het laatste vers daar uitdrukkelijk gezegd wordt, dat deze vrouw de grote stad is, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde, dat op Rome alleen past. Dit is zo duidelijk, dat niet alleen de voornaamste oudvaders en al de Gereformeerde leraars hiermee eens zijn, maar ook vele pausgezinde uitleggers. Maar deze laatsten beweren, om het antichristendom van hun paus en pausdom te weren, dat dit van de stad en de heerschappij van Rome verstaan moet worden, alleen terwijl zij onder het gebied van de heidense keizers geweest is en de Christenen heeft vervolgd, n. l. over drie honderd jaren na Christus geboorte tot de tijd van Constantijn de Grote. Maar deze worden uit het vervolg van deze twee hoofdstukken gemakkelijk weerlegd. Ten eerste omdat het heidens Rome, andere koningen en volken, die zij onder zich hebben gebracht, niet tot hun afgoderij drongen, maar die hun gewone superstitie pleegden te laten volgen. Ook de Joden hebben zij hun eigen godsdienst gelaten, totdat zij tegen hen gerebelleerd hebben. Omdat deze vrouw met de kelk van haar hoererij, dat is afgoderij, alle koningen en volken dronken maakt. Ten tweede, zo kan op het heidens Rome niet gepast worden hetgeen Vers 12 wordt gezegd, dat de tien koningen, die hun macht het beest gegeven hebben, opeens hun macht ontvangen hebben met het beest, aangezien de oude Romeinen degenen, die zij onder haar gebied hebben gebracht, allengs van tijd tot tijd haar met geweld hebben onderworpen en niet door de onderlinge bewillingen en samenspanningen. Ten derde, omdat het beest en deze vrouw, die daarop zit, d. i. de antichrist en de stad van Rome hier gedurig samen worden gevoegd, omdat het heidens Rome, zolang het heidens geweest is, eigenlijk de stoel van de antichrist niet is geweest, maar die namaals pas is geworden. En daarom wordt gezegd, dat het beest nog uit de afgrond zou opkomen en daarna ten verderve gaan. Ten slotte, omdat de droevige en exemplaire, ondergang van de stad Babel, waarvan het volgende hoofdstuk in het brede spreekt, niet kan worden verstaan van het heidens Rome, omdat het zulks nooit overkomen is, zolang het heidens is geweest; maar heeft daarna onder de honderd jaren onder de keizers in goede stand geweest, zoals uit de geschiedenis blijkt. Het is wel waar dat het door de Gothen, Vandalen en anderen is ingenomen, maar is kort daarna weer tot zijn vorige stand gebracht. Omdat het openbaar is, dat de ondergang van dit Babel, waarvan in het volgende hoofdstuk gesproken wordt, nimmermeer eindigen zal zoals in Hoofdstuk 18:2, 21 getuigd wordt. Dit is zo duidelijk, dat enige pausgezinde uitleggers zelf bekennen, dat hetgeen hier en in het volgende hoofdstuk voorzegd wordt, moet verstaan worden van de stad Rome, die tegenwoordig is, maar om het antichristendom van haar te weren, verzinnen zij een ander gedichtsel, n. l. dat een weinig vóór het einde van de wereld, tien heidense koningen, men weet niet uit welke hoek van de wereld zullen komen en met de antichrist uit de stam van Dan aanspannen en de hele wereld innemen, de paus van Rome verjagen en de antichrist in zijn plaats stellen en hun heidense afgoderij alle volken opdringen. Dit alles in drie en een half jaar vóór het einde van de wereld. Rome zal dan met al haar rijkdom verbranden en dan nog daar rouw over drijven, dat voor deze ook is weerlegd en tegen alle menselijke oordeel en rede strijdt.
Dit beest is het Roomse gebied, dat door de zeven op elkaar volgende soorten van regering is bestuurd geworden, die in het zevenbergige Rome hun troon hadden en in tien koninkrijken eindigt, die het zevende hoofd van het beest, dat is de paus, onderworpen zijn, ten dienste staan en waardoor hij zijn wil uitvoert. Dit beest is scharlakenrood, evenals de draak, zijn meester (Hoofdstuk 12:3) wegens zijn grimmigheid tegen de Kerk en het vergieten van het bloed van de heiligen. Het is vol van namen van godslastering van allerlei goddeloosheid en godslasterende godsdienst, afgoderij, bijgeloof en duivelarij.
Opdat elkeen het weet, wie de vrouw is, die ons hier wordt voorgesteld en opdat ieder, die Circe, die drievoudige tovenares vliede, schrijft Hij haar naam aan het voorhoofd, opdat allen die lezen. Hij noemt mysterium het verstaan en de betekenis van de verborgenheid. Want per tropum wordt Rome Babylon genoemd, welk woord betekent "verwarring"; en Rome heeft immer de allergrootste verwarring in de Kerk ingevoerd.