Openbaring 18:9-24
Hier hebben wij:
I. Een droevigen klaagzang van Babylons vrienden over haar val. Merk hier op:
1. Wie de rouwbedrijvenden zijn, allen die betoverd zijn geworden door haar hoererijen, allen die deelgenoten van haar zinnelijke vermaken zijn geweest, en allen die winst genoten hebben van haar weelde en koophandel-de koningen en de kooplieden der aarde. De koningen der aarde, die zij gevleid had met haar afgoderij, door hun toe te staan allerlei willekeur en dwingelandij over hun onderdanen te oefenen, terwijl zij aan haar ondergeschikt moesten blijven. De kooplieden, allen die met haar handel dreven in inschikkelijkheden, vergevingen, vergunningen, en voorrechten. Dezen zullen rouw bedrijven omdat niemand meer van die waren koopt.
2. Op welke wijze zij rouw bedreven.
A. Van verre staande, zij durfden haar niet naderen. Zelfs Babylons vrienden houden zich verre bij haar val. Ofschoon zij deelgenoten in haar zonden geweest zijn, en haar zondige vermaken en voordelen medegenoten hebben, zijn zij niet bereid om in haar plagen te delen.
B. Zij heffen een jammerlijk geween aan: Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad.
C. Zij weenden en wierpen stof op hun hoofden, vers 19. De genietingen der zonde zijn slechts voor een ogenblik en zullen eindigen in droeven rouw. Allen, die zich verheugen in het welslagen der pogingen van de vijanden der gemeente, zullen delen in hun val, en zij, die zich het meest in hoogmoed en vermaken gebaad hebben, zijn het minst instaat om rampen te doorstaan, hun smarten zullen zo groot zijn als hun genoegens en vreugde waren.
3. Wat de reden van hun rouw was, niet hun zonden, maar de daarop volgende straf. Zij betreurden niet hun val in de afgoderij, en de weelderigheid, en de vervolgingswoede, maar hun val in de verwoesting, het verlies van hun handel, hun rijkdom en hun macht. De geest van den antichrist is een geest van deze wereld, hun smarten zijn dus enkel wereldse smarten, zij rouwden niet over den toorn Gods, die hen nu overvallen had, maar over het verlies van hun uitwendíge gemakken. Wij krijgen hier een lange lijst en inventaris van al de weelde en de handelsartikelen van deze stad, die nu plotseling verloren gingen, vers 12, 13, en onherstelbaar verloren bleven, vers 14. De vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was is van u weggegaan, en gij zult het niet meer vinden. De gemeente Gods kan tijdelijk vallen, maar zij zal weer opstaan: maar de val van Babylon zal, gelijk die van Sodom en Gomorra, onherroepelijk zijn. Godsvrezende droefheid is in zekeren zin een ondersteuning onder de beproevingen, maar enkel wereldse droefheid verhoogt de ramp,
II. Een verhaal van de blijdschap en de zegepraal, beide in hemel en op aarde bij den onherroepelijken val van Babylon. Terwijl haar eigen mensen haar bewenen, worden de dienstknechten Gods opgeroepen om vreugde over haar te bedrijven, vers 20. 1. Deze vreugde zal algemeen zijn, hemel en aarde, engelen en heiligen zullen er in delen. Hetgeen een reden van blijdschap is voor de dienstknechten Gods op de aarde, is het ook voor de engelen Gods in den hemel.
2. Zij is gerechtigd en redelijk, en wel:
A. Omdat de val van Babylon was een daad van Gods wrekende gerechtigheid. God nam wraak over de zaak Zijns volks. Dat had zijn zaak overgelaten aan Hem, wie de wraak toekomt, en nu was het jaar der vergelding gekomen voor de ongerechtigheden, Zion aangedaan. En ofschoon zij zich niet verheugen mochten in de ellende van wie ook, hadden zij reden om zich te verblijden over de openbaring van Gods schitterende rechtvaardigheid.
B. Omdat het een onherstelbare verwoesting was. Deze vijandin zal nooit meer iemand aanranden, en daarvan worden zij overtuigd door een zeer merkwaardig teken, vers 21.
En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Alzo zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden en zal niet meer worden gevonden. Die plaats zal voor mensen niet meer bewoonbaar zijn, geen werk zal er meer verricht, geen vreugde genoten worden, geen licht zal er meer gezien worden, maar de uiterste duisternis en verlatenheid, als vergelding voor hare goddeloosheid, in de eerste plaats omdat zij door hare toverij alle volken verleid heeft, en ten tweede omdat zij verwoest en vermoord heeft allen, die zich niet door haar lieten bedriegen, vers 24. Zulke gruwelijke zonden verdienden algehele verdelging.