Openbaring 2:8-11
Wij komen nu tot den tweeden brief, gezonden aan een andere van de Aziatische gemeenten, waarbij wij, als bij den vroegeren, letten op:
I. De voorrede of het opschrift, in twee delen.
1. Het opschrift, dat ons zegt aan wie meer opzettelijk en bijzonder deze brief gericht werd.
Aan den engel der gemeente van die van Smyrna, vers 8. Dat is een plaats, die in onze dagen wèl bekend is bij onze kooplieden, een stad van groten handel en veel weelde, misschien de enige van de zeven hier genoemde steden, die nog haar ouden naam draagt, ofschoon zij nu niet meer zich onderscheidt door haar Christelijke gemeente, want ze ligt bedolven onder het Mohammedanisme.
2. De ondertekening, die een anderen van de luisterrijke titels van onzen Heere Jezus vermeldt. De eerste en de laatste, die dood geweest is en weer levend is geworden, vers 8, genomen uit Hoofdstuk 1:17, 18.
A. Jezus Christus is de eerste en de laatste. Ons is slechts een zeer klein deel tijds in deze wereld vergund, maar onze Verlosser is de eerste en de laatste. Hij is de eerste, want alle dingen zijn door Hem gemaakt, en Hij was voor alle dingen bij God en Hij zelf was God. Hij is de laatste, want alle dingen zijn tot Hem gemaakt, en Hij zal de Rechter over allen zijn. Dit is voorzeker de titel van God, van eeuwigheid en tot eeuwigheid, en het is de titel van een, die als onveranderlijke Middelaar tussen God en de mensen staat, Jezus Christus, gisteren en heden dezelfde tot in eeuwigheid. Hij was de eerste, want door Hem is de grondslag der gemeente gelegd in de patriarchale bedeling, en Hij is de laatste, want door Hem zal aan het einde der tijden de hoeksteen aangebracht en gelegd worden.
B. Hij is dood geweest en weer levend geworden. Hij is dood geweest, Hij stierf voor onze zonden, Hij is weer levend geworden, Hij werd opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, en Hij leeft eeuwig om voor ons te bidden. Hij is dood geweest, en verwierf door Zijn sterven onze zaligheid, Hij is levend geworden, en past door Zijn leven die zaligheid op ons toe. En indien wij, vijanden zijnde, verzoend zijn door Zijn dood, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Zijn dood herdenken wij aan elke tafel des Heeren, Zijn opstanding en Zijn leven op elke Rustdag.
II. Het onderwerp van dezen brief aan Smyrna. Na de gewone mededeling van de alwetendheid van Christus en van de volkomen kennis, die Hij draagt van al de daden der mensen en voornamelijk van Zijne gemeenten, bespreekt Hij:
1. De vorderingen, die zij in hun geestelijken staat gemaakt hadden. Dit geschiedt in een korte, maar zeer nadrukkelijke uitspraak: Doch gij zijt rijk, vers 9, arm in tijdelijke, maar rijk in geestelijke goederen, arm van geest, maar rijk in genade. Hun geestelijke rijkdom stelt hun tijdelijke armoede in de schaduw. Velen zijn rijk in tijdelijke maar arm in geestelijke goederen. Zo was het in de gemeente van Laodicea gesteld. Sommigen, die uitwendig arm zijn, zijn inwendig rijk, rijk in geloof en goede werken, rijk in voorrechten, rijk in verbond en in gaven, rijk in hope, rijk in erfenis. Geestelijke rijkdom is gewoonlijk de beloning van grote naarstigheid: de vlijtige hand maakt rijk. Waar in geestelijken zin overvloed is, gaat het beter om uitwendige armoede te dragen, en wanneer Gods kinderen naar het tijdelijke verarmd worden ter wille van Christus en een goed geweten, dan geeft Hij hun alle geestelijke rijkdommen, die meer voldoening schenken en eeuwig duren.
2. Hun lijden. Ik weet uwe verdrukking en armoede, de vervolging, die zij ondergingen, en de roving hunner goederen. Zij, die aan Christus getrouw willen blijven, moeten verwachten door velerlei verdrukking te gaan, maar Jezus Christus neemt nauwlettend kennis van al hun droefenissen. In al hun droefenissen is Hij bedroefd, en Hij zal die droefenissen vergelden aan degenen, die hen bedroeven, maar zij, die bedroefd worden, zullen eeuwig met Hem rusten.
3. Hij kent de boosheid en de leugenachtigheid van hun vijanden. Ik weet de lastering dergenen, die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, vers 9, dat is, van hen die voorgeven dat zij het enige, uitverkoren, verbondsvolk van God zijn, waarop de Joden zich beroemden, zelfs nadat God hen verworpen had, van hen die de Joodse erediensten en plechtigheden wilden herstellen, die nu niet alleen verouderd, maar ook afgeschaft waren. Zij mogen zeggen dat zij alleen de kerk Gods in de wereld zijn, maar in werkelijkheid zijn zij een synagoge des Satans. Merk op:
A. Gelijk Christus in deze wereld ene gemeente heeft, het geestelijk Israël Gods, zo heeft Satan er een synagoge. Synagogen van Satan zijn alle verenigingen, die opgericht worden in tegenstelling tegen de waarheden van het Evangelie en die veroordelenswaardige dwalingen voorstaan en bevorderen, die opgericht worden in tegenstelling tegen de reinheid en geestelijkheid van den evangelischen eredienst, en die voorstaan en bevorderen de ledige uitvindingen van mensen en plechtigheden en gebruiken, die nooit in de gedachten van God zijn opgekomen, zij die opgericht worden om den waren godsdienst en de oprechte vereerders van God te belasteren en te vervolgen. Hij heerst over die alle, hij werkt er in, zijn belangen worden er door gediend, en hij ontvangt van haar een afschuwelijke verering en aan bidding.
B. Wanneer de synagogen des Satans zich uitgeven voor de gemeente Gods, is dat niets minder dan godslastering. God wordt grotelijks onteerd wanneer Zijn naam gebruikt wordt om de belangen van Satan te bevorderen en te beschermen, en Hij wordt door die godslastering ten hoogste vertoornd en zal een rechtvaardige wraak nemen op allen, die daarmee voortgaan.
4. Christus weet vooruit de aanstaande beproevingen van de Zijnen, en waarschuwt hen er tegen, waardoor Hij hen bijtijds er tegen wapent.
A. Hij waarschuwt hen tegen aanstaande beproevingen. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen opdat gij verzocht wordt, en gij zult ene verdrukking hebben, vers 10. Het volk van God moet een reeks en opvolging van moeiten in deze wereld verwachten, en gewoonlijk nemen hun moeiten gedurig toe. Zij waren door hun beproevingen reeds verarmd, nu zouden zij in de gevangenis geworpen worden. De duivel hitst zijn werktuigen, de goddelozen, op om het volk van God te vervolgen, dwingelanden en vervolgers zijn de speelballen van den duivel, ofschoon zij hun eigen zondige kwaadaardigheid botvieren en niet weten dat zij door een duivelse macht voortgedreven worden.
B. Christus wapent de Zijnen vooraf tegen de naderende bezwaren. a. Door Zijn raad. Vreest geen der dingen, die gij lijden zult. Dat is niet slechts een bevel, of een machtwoord, of een verbod van slaafse vrees, neen het is een woord, dat de ziel ondersteunt en vervult met kracht en moed.
b. Door hun toe te zeggen dat hun lijden gematigd en beperkt zou worden.
Ten eerste. Het zou niet algemeen zijn. Enigen hunner, niet allen, zouden in de gevangenis geworpen worden, zij, die het best instaat waren om dat te verduren en het meest konden verwachten, dat ze door de anderen bezocht en vertroost zouden worden.
Ten tweede. Het zou niet voortdurend zijn, slechts een gezetten tijd en een korten tijd.
Tien dagen. Het zou geen droefenis zonder einde zijn, die dagen zouden verkort worden om der uitverkorenen wil. Ten derde. Het zou komen om hen te beproeven, niet om hen te verwoesten, opdat hun geloof, hun lijdzaamheid en hun moed zouden worden beproefd en verbeterd, en gevonden zouden worden te zijn tot heerlijkheid en eer.
c. Door hun een heerlijke beloning voor hun getrouwheid voor te stellen en te beloven.
Weest getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens, vers 10. Merk op: Ten eerste. De zekerheid van de beloning.
Ik zal u geven. Hij, die dat zegt, is ook machtig het te doen, en Hij heeft op zich genomen dat Hij het doen zal. Zij zullen de beloning uit Zijn eigen hand ontvangen, en geen van hun vijanden zal bij machte zijn om die uit Zijne hand te rukken of van hun hoofden af te werpen.
Ten tweede. Haar eigenaardigheid. Een kroon, als beloning voor hun armoede, hun getrouwheid en hun strijd.
5. Een kroon des levens, om hen te belonen die getrouw zijn zelfs tot den dood, dat is, tot gedood wordens toe, die getrouw zijn in hun sterven en uit dit leven scheiden door getrouwheid aan Christus. Het leven zo opgeleefd in Zijn dienst, of afgelegd voor Zijn zaak, zal beloond worden met een ander, een beter, een eeuwig leven.
III. Het slot van deze boodschap, hetzelfde als het voorgaande.
1. Een oproeping tot algemene aandacht, dat alle mensen, de gehele wereld, zullen horen naar hetgeen tussen Christus en Zijne gemeente verhandeld wordt, hoe Hij haar prijst, haar vertroost, h aar gebreken bestraft en haar getrouwheid beloont. Het is in het belang van alle bewoners der wereld om op te merken hoe God met Zijn eigen volk handelt, de gehele wereld kan daaruit onderricht ontvangen en wijsheid leren.
2. Een genadige belofte aan alle zegevierende Christenen. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden, vers 11. Merk op:
A. Er is niet alleen een eerste, maar ook een tweede dood, een dood nadat het lichaam gestorven is. B. Deze tweede dood is onuitsprekelijk veel erger dan de eerste dood, zowel in zijn stervenspijnen en angsten (welke de angsten der ziel zijn zonder enige verzachting of ondersteuning) als in zijn duurzaamheid. Het is de eeuwige dood, den dood sterven, dood zijn en voortdurend stervend zijn. Dat is vreeslijk, noodlottig schadelijk voor allen, die het ondergaan.
C. Van dezen beschadigenden, verwoestenden dood zal Christus al Zijn getrouwe dienstknechten verlossen, de tweede dood zal geen macht hebben over hen, die deel hebben aan de eerste opstanding. De eerste dood zal hen niet beschadigen en de tweede dood zal geen macht over hen hebben.