Openbaring 2:18-29
Al de brieven hebben ongeveer gelijken vorm. In dezen, evenals in de andere, hebben wij acht te slaan op het opschrift, den inhoud en het slot.
I. Het opschrift.
1. De brief is gericht aan den engel der gemeente te Thyatira. Dat was een stad in KleinAzië, ten zuiden van Mysië en ten noorden van Lydië, een handelsstad, waaruit Lydia de purperverkoopster afkomstig was, die te Filippi in Macedonië vertoevende, waarschijnlijk omdat haar beroep haar daar bracht, Paulus hoorde prediken, en wier hart God opende, zodat zij acht gaf op de dingen, die gesproken werden, en geloofde en gedoopt werd, waarna zij Paulus en Silas aldaar onderhield. Of het Evangelie door haar in haar woonplaats Thyatira gebracht werd, is niet bekend, maar het was er en er was, zoals deze brief ons verzekert, een bloei- ende Evangelische gemeente.
2. De brief wordt gezonden door den Zoon van God, hier beschreven als die Zijne ogen heeft als ene vlam vuurs en Zijne voeten blinkend koper gelijk. Zijn algemene naam is hier de Zoon van God, dat is: de eeuwige en eniggeboren Zoon van God, hetgeen aanduidt dat Hij dezelfde natuur heeft als de Vader, maar met een onderscheiden en ondergeschikt bestaan. De beschrijving hier van Hem gegeven, is tweeledig.
A. Zijn ogen zijn gelijk een vlam vuurs, hetgeen betekent Zijn doordringende, volkomen wetenschap, Zijn door-en-door-zien van alle personen en dingen, Hij is het die nieren en harten onderzoekt, vers 23, en maken zal dat alle gemeenten zullen weten dat Hij dat doet.
B. Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk, de uitgangen van Zijne voorzienigheid zijn vast, ontzaglijk en alle rein en heilig. Gelijk Hij met volkomen wijsheid oordeelt, zo handelt Hij met volkomen kracht en stand vastigheid.
II. De inhoud van dezen brief bevat evenals die van de andere brieven:
1. De eervolle beschrijving en de lof, die Christus aan deze gemeente geeft, aan dienaren en gemeente, en dat door iemand, die geen vreemdeling in hun midden was, maar wel bekend met hen en met de beginselen, waarnaar zij handelden. Christus maakt ten opzichte van deze gemeente eervolle vermelding van:
A. Hun liefde, hetzij meer in het algemeen, een geneigdheid om allen mensen goed te doen, hetzij in het bijzonder jegens de huisgenoten des geloofs, zonder liefde is er geen ware godsdienst.
B. Hun dienst, hun bediening, dit betreft meer de dienaren en waardigheidsbekleder in de gemeente, die gearbeid hadden in het woord en in de leer.
C. Hun geloof, hetwelk de genade was die al de andere, hun liefde en dienst, werkzaam maakte. D. Hun lijdzaamheid, want zij, die het liefderijkst voor anderen zijn, h et ijverigst en het krachtigst in het geloof, moeten daarom juist het meeste verwachten dat hun lijdzaamheid zal geoefend worden.
E. Hun werken, hun toenemende vruchtbaarheid, hun laatste werken waren beter dan de eerste. Dit is een uitnemende trek, terwijl anderen hun eerste liefde verlieten en hun eersten ijver verloren, werden zij voortdurend wijzer en beter. Het moet de eerzucht en de ernstige begeerte van alle Christenen zijn, dat hun laatste werken de beste zullen zijn, dat zij dagelijks beter mogen worden en eindelijk het best.
2. Een getrouwe berisping over hetgeen verkeerd was. Deze is niet zo rechtstreeks gericht tegen de gemeente zelf als tegen sommige goddeloze verleiders, die in haar waren, de fout der gemeente was dat zij hen te veel duldde.
A. Deze goddeloze verleiders worden vergeleken met Izebel en bij haar naam genoemd. Izebel was ene vervolgster van de profeten des Heeren, en een grote begunstigster van afgodendienaars en valse profeten. De zonde van deze verleiders was dat zij trachtten de dienaren van God tot hoererij te brengen en afgoden te doen offeren. Zij noemden zich profeten en beproefden op grond daarvan oppergezag over de dienaren van de gemeente te doen gelden. Twee dingen verzwaarden de zonde van deze verleiders, van welken, omdat zij een samengesloten geheel vormden, in het enkelvoud gesproken wordt.
a. Zij gebruikten Gods naam om de waarheid van Zijn leer en eredienst tegen te staan, en dit verzwaarde hun zonde zeer,
b. Zij misbruikten de lankmoedigheid Gods om zich in hun boosheid te verharden. God gaf hun tijd voor bekering, maar zij bekeerden zich niet. Merk hier op: Ten eerste. Bekering is nodig om de verwoesting van de zondaren te voorkomen.
Ten tweede. Bekering vereist tijd, een tijdsverloop en geschikten tijd, zij is een groot werk.
Ten derde. Waar God tijd voor bekering geeft, verwacht Hij ook de vruchten der bekering.
Ten vierde. Wanneer de zondaar den tijd voor de bekering laat verloren gaan, zal hem des te erger verwoesting overkomen.
B. Maar waarom wordt de boosheid van deze Izebel de gemeente van Thyatira ten laste gelegd? Omdat die gemeente haar toeliet het volk in die stad te verleiden. Was dat dan de schuld van de gemeente? Zij hadden als gemeente niet de macht om te verbannen of gevangen te nemen, maar haar dienaren hadden de macht om haar in den ban te doen, en het is waarschijnlijk dat zij deze macht verwaarloosden en daardoor medeplichtig aan haar zonde werden.
3. De straf van deze verleidster, deze Izebel, vers 22, 23, waarin een voorzegging van den val van Babylon ligt opgesloten. A. Ziet, Ik werp haar te bed, op een bed van pijn, niet van vermaak, een bed van vlammen, en zij, die met haar gezondigd hebben, zullen met haar lijden, tenzij dezen dat nu nog door bekering voorkomen.
B. En hare kinderen zal Ik door den dood ombrengen, vers 23, dat is door den tweeden dood, die de eigenlijke dood is en geen hoop op een toekomstig leven overlaat. Er is geen opstanding voor hen, die den tweeden dood sterven, maar alleen schande en eeuwige smart.
4. De bedoeling van Christus met de verwoesting van deze goddeloze verleiders, en deze was tot onderricht van anderen, met name van de gemeenten. En al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken, vers 23. God wordt gekend door de oordelen, die Hij ten uitvoer legt, en door deze wraak, die Hij op de verleiders nemen zou, zou Hij allen doen kennen:
A. Zijn onfeilbare kennis van de harten der mensen, van hun beginselen, voornemens, gezindheid, gemoedsgesteldheid, hun vormelijkheid om met de afgodendienaars samen te gaan.
B. Zijn onkreukbare rechtvaardigheid, waardoor Hij een iegelijk naar zijne werken geeft, waarbij de naam van Christen te zijn geen bescherming, en de gemeenten geen wijkplaatsen voor de zondaars en zondaressen zijn zullen.
5. De aanmoediging, gegeven aan hen, die zich zelven rein en onbevlekt bewaren. Doch ik zeg tot ulieden en tot de anderen enz., vers 24. Merk op:
A. Hoe deze verleiders hun leerstellingen noemden, diepten, diepzinnige geheimenissen, die het volk behaagden, en waardoor zij trachtten de mensen te doen geloven dat zij een dieper inzicht in den godsdienst hadden dan de dienaren bereikt hadden.
B. Hoe Christus ze noemt, diepten des Satans. Satanische begoochelingen en verleidingen, duivelse geheimen, want er bestaat een verborgenheid der ongerechtigheid, zowel als een geheim der godzaligheid. Het is gevaarlijk de verborgenheden Gods te verachten en het is gevaarlijk de geheimen des Satans te leren kennen.
C. Hoe teder Christus is voor Zijn getrouwe dienstknechten. Ik zal u geen anderen last opleggen, maar hetgeen gij hebt, houdt dat totdat Ik zal komen, vers 24. Ik zal uw geloof niet overladen met nieuwe verborgenheden, of uw geweten met nieuwe wetten. Ik verlang alleen uw aandacht voor hetgeen gij reeds ontvangen hebt. Houdt wat gij hebt, meer verlang ik niet. Christus zal komen om een einde te maken aan al de verzoekingen van Zijn volk, en indien zij het geloof bewaren in een goed geweten, zal wanneer Hij komt alle gevaar en moeite voor eeuwig voorbij zijn..
III. Wij komen nu tot het slot van Zijn boodschap, vers 26-29. Hier is in de eerste plaats:
1. De belofte van een heerlijke beloning voor de volhardende, overwinnende gelovigen, en wel tweeledig. A. Zeer grote macht en heerschappij over de andere bewoners der wereld. Macht over de heidenen. Dat kan betrekking hebben op den tijd, waarin het keizerrijk Christelijk zou worden en de wereld komen onder de heerschappij van een Christelijken keizer, zoals Constantijn de Grote de eerste was, maar het kan ook slaan op de andere wereld, waar de gelovigen met Christus ten oordeel zullen zitten in Zijnen troon en met Hem zich verenigen zullen in het onderzoeken, veroordelen en ten straf overleveren van de vijanden van Christus en Zijne gemeente. De oprechten zullen het koninkrijk beërven.
B. Kennis en wetenschap, die bij zoveel macht en heerschappij behoren. Ik zal hem de morgenster geven. Christus is de morgenster. Hij brengt het daglicht in de ziel, het licht van genade en heerlijkheid, en Hij zal Zijn volk dien overvloed van licht en wijsheid geven, die vereist wordt voor den staat van waardigheid en heerschappij, welken zij zullen verkrijgen op den morgen der opstanding.
2. Deze brief eindigt met de gewone oproeping tot aandacht: Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt, vers 29. In de voorgaande brieven gaat deze vermaning aan de beloften vooraf, maar in dezen en de volgende brieven komt zij daarna, ten einde ons te zeggen dat wij aandacht moeten schenken aan al de beloften zowel als aan al de voorschriften, die Christus aan Zijne gemeenten geeft.