Openbaring 2:12-17
In dezen brief hebben wij te letten op:
I. Het opschrift van deze boodschap.
1. Hem aan wie hij gezonden werd: Schrijf aan den engel der gemeente, die in Pergamus is. Het is niet zeker of deze stad verrees op de bouwvallen van Troje, en dus een nieuw-Troje was, of enige andere stad van dien naam, maar het is ook niet van belang. Het was ene plaats, waar Christus ene gemeente had geroepen en verzameld, door de verkondiging van het Evangelie en de genade van Zijn Geest, die het woord vruchtbaar gemaakt had.
2. Wie deze boodschap naar Pergamus zond. Dezelfde Jezus, die hier beschreven wordt als degene, die het tweesnijdend scherp zwaard heeft, uit wiens mond een tweesnijdend scherp zwaard ging, Hoofdstuk 1:16. Men heeft opgemerkt, dat in de titels, welke Christus zich bij voorkeur in de verschillende brieven gaf, iets ligt in overeenstemming met de toestanden van deze gemeenten. Zo bijvoorbeeld Efeze: niets kan meer geschikt geacht worden om een trage en verachterende gemeente op te wekken en te herstellen dan de herinnering dat Christus degene is, die de sterren in Zijne rechterhand houdt en tussen de zeven gouden kandelaren wandelt. De gemeente van Pergamus was besmet met mensen van bedorven zin, die al wat zij konden deden om het geloof en de instellingen van de gemeente te bederven, en Christus, die besloten had hen te bestrijden met het zwaard van Zijn woord, noemt zich degene, die het tweesnijdend scherp zwaard heeft.
A. Het Woord Gods is een zwaard, het is een wapen, zowel voor verdediging als voor aanval geschikt, het is in de hand van God geschikt om beiden, de zonde en de zondaren te verslaan.
B. Het is een scherp zwaard. Geen hart is zo hard, of dat zwaard kan het verwonden, geen knoop is zo vast gelegd, of het kan die doorsnijden, het kan scheiding maken tussen ziel en geest, dat is: tussen de ziel en de zondige gewoonten, die door voortdurend volgen als een tweede ziel, als een met de ziel, geworden zijn.
C. Het is een tweesnijdend zwaard, het keert zich en snijdt aan alle zijden. Het heeft de snede van de wet tegen de overtreders onder die bedeling, en de snede van het Evangelie tegen de verachters van die bedeling. Er is een snede om een wond te slaan, en een snede om een vervuilde wond te openen ten einde haar te genezen. Er is geen ontkomen aan de snede van het zwaard, keert gij u ter rechterzijde, daar heeft het een snede, wendt gij u aan de linkerkant, ook daar heeft het een snede, het wendt en keert zich naar alle zijden.
II. Van het opschrift komen wij tot den inhoud van den brief, waarvan de volgorde ongeveer dezelfde is als van de vorige.
1. Christus bespreekt de beproevingen en de moeilijkheden, welke deze gemeente overkwamen.
Ik weet uwe werken en waar gij woont enz., vers 13. De werken van Gods dienstknechten worden het best gekend, wanneer de omstandigheden, waaronder zij deze werken verrichtten, behoorlijk in. overweging genomen worden. Hetgeen nu aan de goede werken van deze gemeente veel heerlijkheid bijzette, was de omstandigheid van de plaats, waar deze gemeente gesticht was, een plaats waar de troon des Satans is. Gelijk onze grote Heere aandachtig let op al de voordelen en gelegenheden, welke wij hebben om onzen plicht te vervullen in onze woonplaats, zo rekent Hij ook met al de verzoekingen en ontmoedigingen, die wij ontmoeten in de plaats onzer woning, en laat die als genadige uitzonderingen gelden. Deze gemeente woonde waar de troon des Satans was, waar hij zijn hof hield. Hij gaat om door de wereld, maar hij heeft zijn troon in sommige plaatsen, die berucht zijn om haar goddeloosheid, dwaling en wreedheid. Sommigen menen dat de Romeinse stadhouder in Pergamus een woedende vijand van de Christenen zal geweest zijn, en de zetel der vervolging is de troon des Satans.
2. Hij prijst hun standvastigheid, Maar gij houdt Mijn naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend. Deze twee uitdrukkingen bedoelen in vele opzichten hetzelfde, de eerste kan echter meer op den uitslag en de tweede meer op het middel betrekking hebben. Gij houdt Mijn naam.
A. Gij schaamt u niet voor uw betrekking tot Mij, maar rekent het u een eer dat Mijn naam over u genoemd is, dat, gelijk de vrouw naar den naam van haar echtgenoot genoemd. wordt, gij Mijn naam draagt, dat houdt gij vast als uw eer en voorrecht.
B. Hetgeen u zo getrouw gemaakt heeft is de genade des geloofs, gij hebt niet verloochend de grote leerstellingen van het Evangelie en het Christelijk geloof niet verlaten, en daardoor zijt gij getrouw gebleven. Ons geloof zal altijd groten invloed op onze trouw hebben. Mensen, die het geloof van Christus verloochenen, mogen veel roemen op hun oprechtheid en hun getrouwheid aan God en hun geweten, maar men ziet zelden dat zij, die het ware geloof verlaten, hun getrouwheid bewaren. Zij, wier geloof zich stoot aan de rots der ergernis, zullen gewoonlijk ook op die rots schipbreuk lijden van hun getrouwheid. Hier verheft onze gezegende Heere de getrouwheid van deze gemeente naar aanleiding van de tijdsomstandigheden zowel als van haar woonplaats. Zij waren standvastig gebleven bok in die dagen, in welke Antipas, Zijn getrouwe getuige, gedood was. Wie deze persoon was en of er enige mystieke betekenis in zijn naam ligt, is onbekend. Hij was een getrouwe discipel van Christus, hij stierf voor Hem den marteldood en bezegelde zijn geloof en zijne getrouwheid met zijn bloed in de plaats, waar de Satan woonde, en ofschoon de overige gelovigen dat wisten en het gezien hadden, werden zij er niet door ontmoedigd of uit hun vastigheid gerukt, dit wordt hier uitdrukkelijk tot hun eer vermeld.
3. Hij berispt hen voor zondige gebreken, vers 14. Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israël's een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. En vers 15 :Alzo hebt gij ook die de lering der Nicolaieten houden, hetwelk Ik haat. Er waren sommigen, die leerden dat het geoorloofd was dingen te eten, die den afgoden geofferd waren, en dat eenvoudige hoererij geen zonde was. Door hun onzuivere verering trokken zij de mensen mede in onreine praktijken gelijk Bileam de kinderen Israël's deed.
A. De onreinheid des geestes en de onreinheid des vlezes gaan dikwijls gepaard. Bedorven leringen en bedorven eredienst leiden dikwijls tot een bedorven wandel.
B. Het is zeer geoorloofd den naam van ketterse leidslieden te geven aan hun volgelingen. Dat is de eenvoudigste wijze om aan te duiden wie wij bedoelen. C. Het mishaagt God als wij in gemeenschap blijven met mensen van bedorven beginselen en praktijken, en het brengt schuld en blaam over de gehele gemeente, wij worden daardoor deelgenoten aan de zonden van anderen. Ofschoon de gemeente als zodanig geen macht heeft de mensen, ter oorzake van ketterij en onzedelijkheid, aan den lijve te straffen, zo heeft zij wel de macht hen buiten haar gemeenschap te sluiten, en wanneer zij dat niet doet, mishaagt zij Christus, het Hoofd en den Koning der kerk.
4. Hij roept hen tot bekering. Bekeert u, en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds, vers 16.
A. Bekering is de plicht van heiligen zowel als van zondaren, het is een evangelische plicht..
B. Het is de plicht van gemeenten zowel als van bijzondere personen, die gezamenlijk zondigen, moeten zich gezamenlijk bekeren.
C. Het is de plicht van Christelijke gemeenschappen over de zonden van anderen zich te verootmoedigen, zoverre zij daaraan medeplichtig zijn, al is het ook slechts door oogluiking.
D. Wanneer God overgaat tot het straffen van bedorven leden ener gemeente, berispt Hij die gemeente zelf omdat zij hun toegelaten heeft in haar midden te blijven, en enige druppelen van den storm vallen op de gehele gemeente.
E. Geen zwaard snijdt zo diep of veroorzaakt zulk een dodelijke wond als het zwaard in Christus' mond. Wanneer de bedreigingen van het Woord vat krijgen op het geweten van een zondaar, zal die spoedig een afschuw van zich zelven krijgen, en wanneer die bedreigingen uitgevoerd worden, dan wordt hij ten enenmale afgesneden. Vroeger of later zal het woord van God vat krijgen op iedere zondaar, hetzij tot zijn bekering of tot zijn verwarring.
III. Wij hebben nu het slot van den brief, waarin, na de gewone oproeping om algemene aandacht, de belofte van grote gunst gedaan wordt aan hen, die overwinnen. Hun zal gegeven worden te eten van het manna, dat verborgen is, en een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, dien niemand kent, dan die hem ontvangt, vers 17.
1. Het verborgen manna, de invloeden en vertroostingen van den Geest van Christus in de gemeenschap met Hem, van den hemel in de ziel nederdalende, van tijd tot tijd, tot hun ondersteuning en om hun een voorsmaak te geven van de zaligheid der engelen en der heiligen in den hemel. Dat manna is verborgen voor de overigen, geen vreemde zal er zich in mengen, en het is neergelegd in Christus, de ark des verbonds in het heilige der heiligen.
2. Een witten keursteen, met een nieuwen naam daarin gegraveerd. Deze witte steen stelt voor de vrijspraak van de zonde, de vergelijking is ontleend aan de gewoonte der ouden om een witten steen te geven aan hen, die door de rechtbank vrijgesproken waren, en een zwarten steen aan degenen, die veroordeeld werden. De nieuwe naam is de naam der aanneming, aangenomen personen droegen voortaan den naam van de familie, waarin zij aangenomen waren. Niemand kan het bewijs van iemands aanneming lezen dan hij zelf, hij kan het niet altijd lezen, maar indien hij volhardt tot het einde zal hij beide ontvangen, het bewijs van zijn kindschap en de erfenis.