Klaagliederen 4:13-20
Hier hebben wij,
I. De zonden, die hun ten laste gelegd werden, en waarom God dit verderf over hen bracht en die dienden om God daarin te rechtvaardigen vers 13, 14, Het is vanwege de zonden van haar profeten en de misdaden van haar priesters. Niet, dat het volk onschuldig was neen, "zij hadden het gaarne alzo," Jeremia 5:31, en het was om hun te behagen, dat de profeten en priesters het deden, maar de schuld wordt voornamelijk aan hen gegeven, die hen beter hadden moeten onderwijzen, hen berispen en vermanen, en hen waarschuwen voor de afloop van dat alles, van de hand van die wachters, die hen niet gewaarschuwd hebben, zal hun bloed geëist worden. Niets rijpt een volk sneller voor zijn ondergang, en niets maakt de maat spoediger vol, dan de zonden van hun priesters en profeten. De zonde, die hun in `t bijzonder verweten wordt, is vervolging, de valse profeten en bedorven priesters verenigden hun macht en invloed om in het midden van haar het bloed van de rechtvaardigen te vergieten, het bloed van Gods profeten en van dier aanhangers. Zij vergoten niet alleen het bloed van hun onschuldige kinderen, die zij aan Moloch opofferden, maar het bloed van de rechtvaardigen onder hen, die zij opofferden aan die meer wreden afgod van de vijandschap tegen de waarheid en de waren godsdienst. Dat was de zonde, die de Heere niet wilde vergeven, 2 Koningen 24:4, en, die de laatste verwoesting over Jeruzalem bracht, Jakobus 5:6 :Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de rechtvaardige. En de priesters en de profeten waren de aanvoerders bij de vervolging, zoals in Christus' tijd de overpriesters en de schriftgeleerden de mannen waren, die het volk tegen Hem aanhitsten, dat anders bij het hosanna gebleven zou zijn. Dezen nu waren het, die als blinden op de straten zwierven. Zij dwaalden af van de paden van het recht, zij waren blind voor alles wat goed is, maar hun oog was vlug, als er kwaad te doen was. God zegt van bedorven rechters: "zij weten niet en verstaan niet, zij wandelen in duisternis," Psalm 82:5, en Christus zegt van de bedorven leraars: "Zij zijn blinde leidslieden van de blinden", Mattheus 15:14 "Zij waren zo met bloed besmet, onschuldig bloed, het bloed van de heiligen, dat men hun klederen niet kon aanraken", zij maakten zich gehaat bij iedereen, zodat goede mensen even bang waren hen aan te raken als een lijk, wat een vormelijke verontreiniging was, of de bloedige klederen van een verslagene aan te raken wat tere gemoederen niet gaarne doen. Er is niets, wat profeten en priesters zozeer doet verafschuwen als een geest van vervolging.
II. Het getuigenis van hun naburen, dat tegen hen afgelegd wordt, beide om hen van zonde te overtuigen, en om de billijkheid van Gods handelingen met hen aan te tonen. Sommigen, die zeer onbeschaamd in de zonde geworden zijn, beroemen zich, dat het hun onverschillig is wat de mensen zeggen, maar God wilde, dat de Joden door middel van de profeet zouden vernemen, wat de mensen van hen zeiden en welke mening de omstanders van hen hadden, vers 15, 16, wat zij van hen zeiden, ja riepen, vooral tot de bedorven priesters en profeten, onder de heidenen.
1. Zij verweten hun hun vermeende reinheid, terwijl zij in allerlei wezenlijke ongerechtigheid leefden. Zij riepen tot hen: "Wijkt, hier is een onreine." Gij waart zo rein, dat gij geen heiden wilde aanraken, maar riept: "Houd u tot uzelf, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij," Jesaja 65:5. Zo wilden de vervolgers van Christus niet in het rechthuis gaan, opdat zij niet verontreinigd zouden worden. Maar kunt gij nu verhinderen, dat de heidenen u aanraken, nu God u in hun handen overgegeven heeft? Op uw vlucht en omzwervingen kunt ge hen verzoeken op een afstand te blijven en u niet aan te raken, omdat zij onrein zijn. Maar tevergeefs, deze slangen zullen zich zo niet laten betoveren of bezweren, neen, "zij zullen het aangezicht van de priesters niet eren, en de ouden geen genade bewijzen, de eerwaardigste personen zullen verachtelijk bij hen zijn".
2. Zij wierpen hun hun zonden voor de voeten en Gods toorn tegen hen om hun zonden, en de afschuwelijke gevolgen van die toorn. Zij riepen tot hem: Wijkt, hier is een onreine. Zij riepen allen schande over hen, en konden gemakkelijk voorzien, dat God het niet lang verdragen zou, dat zo'n uittergend volk in zo'n goed land blijven zou. Zij wisten, dat hun inzettingen en rechten rechtvaardig waren, en verwachtten, dat "zij een wijs en verstandig volk zouden zijn", Deuteronomium 4:6. Maar, toen zij zagen, dat zij dat niet waren, riepen zij: Wijkt, wijkt, zij voorzagen spoedig het vonnis, dat het land hen uitspuwen zou zoals het hun voorgangers had gedaan, en toen zij Jakob verstrooid zagen vluchten en rondzwerven, zeiden zij hun dat. Zij zeiden: "Nu heeft des Heeren aangezicht ze verdeeld heeft ze in alle landen verstrooid, omdat zij het aangezicht van de priesters niet geëerd hebben, van de vrome priesters, die onder hen waren, zoals Zacharia, de zoon van Jojada, Jeremia en anderen, ook hebben zij de ouden niet ontzien, maar hen en hun gezag veracht, als zij zich onder hen begaven om hun goddelozen wandel tegen te gaan". Zelfs de heidenen voorzagen, dat dit hun verderf zou zijn.
3. Zij juichten, dat de ramp onherstelbaar was. Toen zij hen uit hun land zagen verdrijven, zeiden zij: "Zij zullen er niet langer wonen, zij hebben het voor goed verlaten, zij zullen niet terugkomen, want God zal ze voortaan niet meer aanzien, en hoe zullen ze zich zelf helpen?" Hierin vergisten zij zich. God had hen niet verworpen om dit alles. Toch wordt hier te verstaan gegeven, dat allen om hem heen opmerkten, dat zij zo uitdagend jegens God waren, dat er geen reden was om iets anders te verwachten, dan dat zij geheel verlaten zouden worden
III. De wanhoop, waartoe zij door deze rampen gebracht waren. Nu wij gehoord hebben, wat er onder de heidenen over hen gezegd werd, moeten wij ook eens horen wat zij van zichzelf zeggen, vers 17 :Nog bezweken ons onze ogen, ziende, dat ons geval hopeloos was ons einde is genaderd, vers 18, het einde, beide van kerk en staat, beide zijn op de rand van hun ondergang, ja ons einde is gekomen, wij zijn vernietigd, er is eind gekomen aan al onze voorspoed, de dagen van ons geluk zijn vervuld, zij zijn geteld en voorbij. Zo stemde hun vrees met de hoop hunner vijanden samen, dat de Heere ze voortaan niet meer zou aanzien. Want,
1. De schuilplaatsen, waarheen zij vluchtten, stelden hen teleur. Zij zagen uit naar hulp van deze en gene machtige bondgenoot, maar te vergeefs, de hulp bleek ijdel te zijn. De hulptroepen, die zij verwachtten, kwamen niet, of ten minste hadden zij niet het verwachte succes, en hun ogen bezweken met uit te zien naar hetgeen nooit komen zou, vers 17, Zij wachtten met wachten, zij wachtten lang, met groten ernst en ongeduld, op een volk, dat bijstand beloofde, maar niet kwam, en hun verwachtingen verijdelde. Zij konden niet verlossen, zij waren te zwak om tegen het Chaldeeuwse leger te strijden en trokken daarom terug. Hulp van schepselen is ijdele hulp, Psalm 60:13, en wij zien er naar uit, totdat onze ogen bezwijken, de moed ons ontzinkt, en ontvangen ze toch niet.
2. De vervolgers, voor wie zij vloden, achterhaalden en overwonnen hen vers 18 :Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden. Toen de Chaldeën de stad belegerden, richtten zij zulke hoge sterkten op, dat zij over de wallen heen op degenen, die in de straten waren, konden schieten. Zij vervolgden hen met hun pijlen van plaats tot plaats. Toen de stad doorgebroken werd en alle krijgslieden vloden, waren hun vervolgers sneller dan de arenden des hemels als zij hun prooi willen grijpen, vers 19. Zij waren niet te ontkomen, zij vervolgden hen op de bergen, en als zij dachten, dat zij van hen af waren, vielen zij in handen van hen, die hun in de woestijn lagen hadden gelegd om hun de terugtocht af te snijden, en achterblijvers op te pikken. Ja, de koning zelf, al mag men veronderstellen, dat hij al de voordelen had, die eis van de omstandigheden waren, om zijn vlucht te begunstigen, kon toch niet ontkomen, want de goddelijke wraak vervolgde hem, en dan is "de adem van onze neuzen de gezalfde des Heeren, gevangen in hun groeven." Sommigen denken hierbij aan Josia, die sneuvelde in de slag tegen de Egyptischen koning, maar wij denken eer aan Zedekia, die de laatste koning uit het huis van David was die door de Chaldeën vervolgd en in de vlakte van Jericho gegrepen werd, Jeremia 39:5. "Hij was de gezalfde des Heeren", erfgenaam van de familie, die God voor de regering bestemd had. De Joodse staat had veel vertrouwen in hem: Zij zeiden: "Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen". Zij vleiden zich met de hoop, dat het overblijfsel, dat bij Jechonia's gevangenschap achtergelaten was, onder bescherming van de regering, opnieuw nederwaarts wortel schieten en opwaarts vruchten dragen zou. Zij dachten, dat, al waren zij zo verzwakt, dat zij er niet aan konden denken, over de heidenen te regeren, zoals zij gedaan hadden, zij toch wel onder hen zouden blijven wonen zonder gehoond en aan stukken gescheurd te worden. Zo geneigd is alles wat zinkt, zich aan iedere strohalm vast te klampen niet alleen, maar te denken, dat het hun helpen zal. Jeruzalem stierf aan de tering, een bedrieglijke ziekte. Zelfs toen zij op het punt was de laatste adem uit te blazen, vond zij nog hoopgevende symptomen, en grondde daarop de verwachting, dat zij herstellen zou, maar wat kwam er van? De schaduw, waaronder zij dachten te zullen wonen, bleek te zijn als de wonderboom van Jona, die in een nacht verdorde. De gezalfde des Heeren is gevangen in hun groeven, alsof hij slechts een roofdier was, zo weinig ontzagen zij een persoon, die voor heilig en onschendbaar gehouden werd. Als wij enig schepsel tot de adem van onze neuzen maken, en ons vleien met de hoop daardoor te zullen leven, is het rechtvaardig van God die adem te doen ophouden en ons te beroven van het leven, dat wij er van verwachten, want God wil de eer hebben, "alleen ons leven en de lengte van onze dagen te zijn."