Johannes 6:60-71
Wij hebben hier een bericht van de uitwerking die Christus' rede gehad heeft. Sommigen hebben er zich aan geërgerd anderen werden er door gesticht, sommigen werden er door van Hem weggedreven, anderen werden er Hem meer nabij door gebracht.
I. Voor sommigen was zij ene reuke des doods ten dode, niet slechts voor de Joden, die openlijke vijanden waren van Hem en van Zijne leer, maar zelfs voor velen Zijner discipelen, dezulken nl. die Hem dikwijls hoorden en Hem volgden, ene gemengde schare, zoals die welke met Israël uit Egypte toog, en van wie al de ontevredenheid het eerst uitging. Nu hebben wij hier:
1. Hun murmureren over de leer, die zij hoorden, vers 60, niet slechts enkelen, maar velen van hen hadden zich er aan geërgerd. Van de onderscheidene soorten van aarde, die het zaad hadden ontvangen, was er slechts een op de vier, die vrucht voorbracht. Zie, wat zij er van zeggen: Deze rede is hard, wie kan dezelve horen?
a. Zij zelven houden er niet van. "Welk een zotteklap is dat? Het vlees eten, het bloed drinken van den Zoon des mensen! Indien dit in figuurlijken zin verstaan moet worden, is het onbegrijpelijk, indien in letterlijken zin, dan is het onuitvoerbaar. Hoe! Moeten wij kannibalen worden? Kunnen wij niet Godsdienstig zijn, of wij moeten barbaars wezen?" Si Christiani adorant quod comedunt (zei Averroes), sit anima mea cumphilosophis -Indien de Christenen aanbidden wat zij eten, dan zal mijne ziel zich aan de wijsgeren blijven houden. Indien zij nu, dit ene harde rede vindende, Christus nederig gevraagd hadden hun die gelijkenis te verklaren, dan zou Hij hun verstand geopend hebben om haar te begrijpen, want Hij zal den zachtmoedigen Zijn' weg leren. Maar zij waren er niet begerig naar, dat hun Christus' woorden verklaard zouden worden, want zij wilden dit voorwendsel niet verliezen om Hem te verwerpen-nl. dat het harde woorden waren.
b. Zij achtten het onmogelijk, dat iemand anders er mede ingenomen kon zijn: Wie kan dezelve horen? Voorzeker niemand. Zo zijn de spotters met den Godsdienst gans bereid te verklaren, dat geheel het verstandige, het ontwikkelde deel der mensheid het met hen eens is. Zij komen met grote verzekerdheid tot het besluit, dat geen man van gezond verstand de leer van Christus zal aannemen, en geen man van hart of kloekmoedigheid zich aan Zijne wetten zal onderwerpen. Omdat zij het niet kunnen verdragen om aldus bestraft en in bedwang gehouden te worden, denken zij, dat niemand het kan. Wie kan dezelve horen? Gode zij dank, duizenden hebben de rede van Christus gehoord, en hebben haar niet slechts kunnen horen, maar haar liefelijk en aangenaam gevonden, als hun onmisbare zielespijs.
2. Christus' bestraffing van hun murmureren,
a. Hij was volkomen bekend met hun murmureren, vers 61. Hun vitterij bleef verborgen in hun ei gen hart, of werd elkaar in een hoek toegefluisterd. Maar Christus kende hen, Hij zag hen, Hij hoorde hen. Christus bemerkt niet slechts het stoutmoedig, openlijk smaden van Zijn naam en heerlijkheid door vermetele zondaars, maar ook de verborgene minachting van Zijne leer door vleselijk gezinde belijders, Hij wist wat de dwaas zegt in zijn hart, maar zich toch schaamt uit te spreken, Hij merkt op, hoe Zijne leer hen vertoornt, aan wie zij gepredikt wordt, wie er zich in verblijdt, en wie er tegen murmureert, wie er mede verzoend zijn en er zich voor buigen, en wie er mede twisten en er tegen in opstand komen, al geschiedde dit nog zo in het verborgen. Hij wist het bij zich zelven, niet door inlichtingen, die Hem verstrekt waren, noch door enigerlei uitwendige aanduiding er van, maar door Zijne eigene Goddelijke alwetendheid, Hij wist het niet zoals de profeten door ene Goddelijke openbaring, die Hem gedaan was-hetgeen de profeten wensten te weten bleef hun soms verborgen, zoals 2 Koningen 4:27- maar door Goddelijke kennis in Hem. Hij is het essentiële Woord, dat een oordeler is der gedachten en der overleggingen des harten, Hebreeën 4:12, 13. Voor Christus zijn gedachten woorden, daarom moeten wij wèl acht geven, niet slechts op wat wij zeggen en doen, maar ook op wat wij denken.
b. Hij wist volkomen goed hoe hun te antwoorden: "Ergert ulieden dit? Is dit een struikelblok voor ulieden?" Zie, hoe de mensen zich door hun eigene moedwillige dwalingen ergernissen scheppen. Zij kunnen ergernis nemen waar geen ergernis is gegeven, en haar zelfs maken, waar eigenlijk niets is om haar van te kunnen maken. Wij kunnen er ons met recht over verwonderen, dat men om zo weinig oorzaak, ergernis neemt aan de leer van Christus. Christus spreekt er hier met verwondering van: "Ergert dit ulieden? Hoe onredelijk!" In antwoord nu aan hen, die Zijne leer als ingewikkeld en onbegrijpelijk veroordelen (si non vis intelligi, debes negligi -Indien gij niet begrepen wilt worden, behoort gij veronachtzaamd te worden. a. Geeft Hij hun een wenk betreffende Zijne hemelvaart, als hetgeen een onomstotelijk getuigenis, of bewijs zal zijn van de waarheid Zijner leer, vers 62. Wat zou het dan zijn, zo gij den Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was? En wat dan? Ten eerste. "Indien Ik u daarvan zou spreken, dan zou u dit voorzeker nog veel meer ergeren, en gij zoudt denken, dat ik al te hoge aanspraken koester. Indien deze rede zo hard is, dat gij haar niet kunt horen, hoe zult gij het kunnen verduren, als Ik u spreek van Mijn wederkeren naar den hemel, vanwaar Ik gekomen ben?" Zie Hoofdstuk 3:12. Zij, die reeds struikelen over kleine moeilijkheden, moeten bedenken, hoe zij dan over de grotere heen zullen komen.
Ten tweede. "Als gij den Zoon des mensen ziet opvaren, dan zal u dit nog veel meer ergeren, want dan zal Mijn lichaam nog veel minder in staat zijn om door u gegeten te worden in dien groven, materiëlen zin, waarin gij dit nu verstaat," zegt Dr. Whitby. Of, Ten derde. "Als gij dat ziet, of het hoort van hen, die het zien zullen, dan voorzeker zult gijlieden overtuigd wezen. Gij denkt, dat Ik Mij te veel aan matig, als Ik zeg: Ik ben van den hemel gekomen, want dat was het wat u tegenstond, vers 42, maar zult gij dit ook nog denken, als gij Mij derwaarts ziet wederkeren?" Als Hij opvaart, dan voorzeker is Hij eerst nedergedaald, Efeze 4:9, 10. Christus heeft zich dikwijls beroepen op latere bewijzen, zoals in Hoofdstuk 1:50, 51, 2:19, Mattheus 12:40, 26:64. Laat ons nog een weinig wachten, tot dat het mysterie Gods voleindigd zal zijn, en dan zullen wij zien, dat er gene reden was om aan enigerlei rede van Christus geërgerd te zijn. b. Geeft Hij hun in het algemeen den sleutel tot deze en alle dergelijke zinnebeeldige gezegden, hun lerende, dat zij geestelijk verstaan moeten worden, en niet op vleselijke, materiële wijze. De Geest is het, die levend maakt, het vlees is niet nut, vers 63. Gelijk het natuurlijk lichaam door de levensgeesten wordt opgewekt-zonder die levensgeesten zou de meest voedzame spijze er volkomen onnut voor zijn (welk nut zou het lichaam hebben van brood, indien het niet bezield en opgewekt werd door den geest?) zo is het ook met de ziel.
Ten eerste. Het blote deelnemen aan de inzettingen van den Godsdienst, zou, tenzij Gods Geest medewerkt en de ziel er door verlevendigt, tot niets nut wezen. Het woord en de inzettingen zijn, als de Geest Gods met ze medewerkt, als voedsel voor den levenden mens, maar zonder Zijne medewerking zijn zij als voedsel voor een dode. Zelfs het vlees van Christus, het offer voor de zonde, zal ons niet baten, tenzij de gezegende Geest er onze ziel door verlevendigt, en den krachtigen invloed van Zijn dood op ons doet werken, totdat wij door Zijne genade ene plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods.
Ten tweede. De leer van Christus' vlees te eten en Zijn bloed te drinken, zo het letterlijk verstaan wordt, is niet nut, maar voert ons veeleer tot dwaling en vooroordeel, maar de geestelijke zin of betekenis er van verlevendigt de ziel, doet haar leven, wekt haar op, want hierop volgt: De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. Het vlees van Christus te eten! Dat is ene harde rede, maar te geloven, dat Christus voor mij stierf, aan die leer kracht en vertroosting te ontlenen in mijn naderen tot God, mijn tegenstaan van de zonde en mijne toebereiding voor een toekomstig leven, dat is de geest en het leven dier rede, en haar aldus verklarende, is zij ene zeer kostelijke rede. De reden waarom de redenen van Christus de mensen mishagen, is omdat zij ze verkeerd begrijpen. De letterlijke zin van ene gelijkenis doet ons geen goed, wij worden er niet wijzer door, maar de geestelijke betekenis er van is leerrijk.
Ten derde. Het vlees is niet nut -zij, die in het vlees zijn (zo wordt het door sommigen verstaan), die onder de macht zijn van een vleselijken zin, voor dezen zijn Christus' redenen niet nut, maar de Geest maakt levend-zij, die den Geest hebben, die geestelijk zijn, worden er door opgewekt en levend gemaakt, want zij worden ontvangen ad modum recipientis -om in overeenstemming te wezen met den staat van den geest des ontvangers. Christus' woorden mishaagden hen, maar dit lag niet aan Christus' woorden maar aan hen zelven, het is slechts voor een vleselijk, zinnelijk hart, dat geestelijke dingen onzinnig schijnen, en smakeloos zijn, voor een geestelijk gemoed zijn zij dierbaar. Zie 1 Corinthiërs 2:14, 15. Hij geeft hun te verstaan, dat Hij hen kent, en dat Hij niets beters van hen verwacht had, hoewel zij zich Zijne discipelen noemden, vers 64, 65. Nu werd het woord vervuld, dat de profeet, sprekende van Christus, gezegd had (Jesaja 53:1). Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des Heeren geopenbaard? Op die beide zaken wordt hier door Christus gewezen.
Ten eerste. Zij hebben Zijne prediking niet geloofd. "Er zijn sommigen van ulieden, die gezegd hebben, dat zij alles willen verlaten om Mij te volgen, en die toch niet geloven, en dit was de reden waarom het gepredikte woord hun niet nut was, want het was niet gemengd met het geloof, Hebreeën 4:2. Zij geloofden niet, dat Hij de Messias was, want anders zouden zij zich verenigd hebben met de leer, die Hij predikte, al waren er ook dingen in, die duister en moeilijk te begrijpen zijn. Wie pas begint te leren, moet de dingen op het woord des leermeesters aannemen. Onder hen, die Christenen zijn in naam, zijn velen, die in werkelijkheid ongelovigen zijn. Het ongeloof der geveinsden is, voordat het nog aan de wereld ontdekt is, naakt en geopend voor de ogen van Christus. Hij wist van den beginne wie uit de scharen, die Hem volgden, geloofden, en wie van de twaalven Hem zou verraden. Hij wist van den beginne van hun bekendheid met Hem, en hun vergezellen van Hem, toen zij nog blaakten van ijver voor Hem, wie oprecht waren, zoals Nathanaël, Hoofdstuk 1:47, en wie niet. Eer zij zich door ene openlijke daad onderscheidden, kon Hij onfeilbaar onderscheiden hen, die geloofden en hen, die niet geloofden, wiens liefde voorgewend, en wiens liefde waar en van harte was. Hieruit kunnen wij afleiden, dat de afval van hen, die gedurende langen tijd den Godsdienst hebben beleden, een stellig bewijs is van hun voortdurende geveinsdheid, en dat zij van den beginne af niet geloofd hebben, maar het is geen bewijs voor de mogelijkheid van een algehelen en finalen afval van ware gelovigen. Zulk een afval moet niet de afval genoemd worden van ware heiligen, maar de ontdekking van voorgewende heiligen, 1 Johannes 2:19. Wij zien er ook uit, dat het Christus' kroonrecht is het hart te kennen. Hij weet wie zij zijn, die niet geloven, maar veinzen in hun belijdenis, en toch laat Hij hun plaats in Zijne kerk, het gebruik Zijner inzettingen en de ere van Zijn naam en ontdekt hen niet aan de wereld, tenzij zij zich door hun goddeloosheid zelven ontdekken, want zodanig is de inrichting Zijner zichtbare kerk, en de dag der ontdekking moet nog komen. Maar als wij het hart der mensen willen oordelen, dan matigen wij ons aan om Christus' plaats in te nemen op den troon, en lopen Zijn oordeel vooruit. Wij bedriegen ons dikwijls in de mensen, en hebben oorzaak om van gevoelen over hen te veranderen, maar hiervan zijn wij zeker, dat Christus alle mensen kent, en naar waarheid oordeelt.
Ten tweede. De reden, waarom zij Zijne prediking niet geloofden was, omdat de arm des Heeren hun niet was geopenbaard, vers 65.
Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader, verwijzende naar vers 44. Christus moest dus wel weten wie geloofde en wie niet geloofde, want geloof is de gave en het werk Gods, en al Zijns Vaders gaven en werken moesten Hem wel bekend zijn, want zij zijn allen door Zijn handen heengegaan. Dáár had Hij gezegd, dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader hem trekke, hier zegt Hij, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader, hetgeen aantoont, dat God den mens trekt door hem genade en kracht te geven, en een hart om te komen, zonder hetwelk-zodanig is de zedelijke onmacht van den gevallen mens-hij niet komen kan.
3. En nu volgt hierop hun algehele afval van Christus. Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem, vers 66. Als wij harde gedachten omtrent het woord en de werken van Christus in ons hart toelaten, en een verborgen afkeer er van koesteren, en bereid zijn wenken en toespelingen aan te horen, die de strekking hebben om ze te smaden, dan laten wij ons in verzoeking brengen, het is als het doorlaten van water, het is achterwaarts zien, dat, zo de oneindige genade het niet verhoedt, zal eindigen in teruggaan, en daarom, Obsta principiis -Hoed u voor het begin van den afval.
a. Zie hier den afval dezer discipelen. Velen van hen gingen terug naar hun huis, en hun familie, en hun beroep, die zij voor een wijle hadden verlaten om Hem te volgen, gingen terug, de een naar zijn hoeve, een ander naar zijn koopmanschap, gingen terug, zoals Orpa, naar hun volk en naar hun goden, Ruth 1:15. Zij waren in Christus' school gekomen, maar zij gingen terug, zijn niet slechts een enkele maal weggebleven, maar namen voor goed afscheid van Hem en van Zijn leer. De afval van Christus' discipelen, hoewel in waarheid een zeer vreemde zaak, is toch zo dikwijls voorgekomen, dat wij er ons niet meer over behoeven te verbazen. Hier waren velen, die terug gingen. Het is dikwijls zo, als sommigen afvallen, zijn er altijd die mede afvallen, die ziekte is besmettelijk.
b. De aanleiding tot dien afval: Van toen af, van dat Christus deze troostrijke leer had gepredikt, dat Hij het brood des levens is, en dat zij, die door het geloof zich met Hem voeden, door Hem zullen leven (men zou gedacht hebben, dat zij Hem deswege nog meer aangekleefd zouden hebben) -van toen af zijn zij teruggegaan. Het boos en verdorven hart des mensen ergert zich aan hetgeen de grootste vertroosting is. Christus voorzag, dat zij zich zouden ergeren aan hetgeen Hij zei, en toch heeft Hij het gezegd. Wat het ontwijfelbare woord, de ontwijfelbare waarheid is van Christus, moet met getrouwheid worden verkondigd, wie er zich ook aan moge ergeren. Der mensen neigingen moeten onderworpen worden aan Gods Woord, maar Gods Woord moet men niet plooien en schikken naar den zin der mensen.
c. De trap, of mate, van hun afval. Zij wandelden niet meer met Hem, keerden niet tot Hem terug, woonden Zijne prediking niet meer bij. Het is onmogelijk hen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en afvallig worden, wederom te vernieuwen tot bekering, Hebreeën 6:4-6.
II. Die rede is voor anderen ene reuke des levens ten leven geweest. "Velen gingen terug, maar, Gode zij dank, niet allen, zelfs toen zijn de twaalven Hem blijven aanhangen. Hoewel het geloof van sommigen verkeerd werd, blijft het vaste fondament Gods toch staan.
Merk hier op:
1. De vraag der liefde van Christus aan de twaalven, vers 67. Wilt gijlieden ook niet weggaan? Hij zegt niets tot hen, die weggaan.
Indien de ongelovigen scheiden, dat zij scheiden. Het was geen groot verlies hen te verliezen, die Hij nooit gehad heeft, luchtig gekomen, luchtig gegaan, maar Hij gebruikt de gelegenheid om tot de twaalven te spreken, hen te bevestigen, en door hun trouw en standvastigheid op de proef te stellen, hen des te vaster te doen staan. Wilt gijlieden ook niet weggaan? "Het staat aan u, gij hebt de keus, of gij wilt weggaan of niet. Indien gij Mij wilt verlaten, dan is het er thans, nu zo velen gaan, de tijd voor. Het is ene ure der verzoeking, indien gij terug wilt gaan, zo gaat thans." Christus zal niemand tegen zijn zin bij zich houden, Zijne krijgsknechten zijn vrijwilligers, gene gepreste soldaten. De twaalven hadden nu tijd genoeg gehad om te zien hoe Christus en Zijne leer hun geviel, en opdat niemand hunner later zou zeggen, dat zij er toe verleid waren om discipelen te worden, en dat- zo zij alsnog voor de keus stonden-zij het niet doen zouden, geeft Hij hun hier de macht om hun belofte te herroepen, en laat Hij hen vrij in hun keus, zoals Jozua 24:15, Ruth 1:15.
b. "Het ligt voor uwe rekening zo gij weggaat". Indien er ene verborgene neiging in het hart van een hunner was om van Hem te scheiden, weerhoudt Hij die neiging met de hart-ontdekkende vraag: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Denkt niet, dat gij Mij even gemakkelijk als dezen zult kunnen loslaten. Zij zijn niet zo innig vertrouwd met Mij geweest als gijlieden, zij hebben niet zo vele gunstbewijzen van Mij ontvangen. Zij zijn weggegaan, maar wilt gijlieden ook weggaan? Herinnert u uwe hoedanigheid, en zegt:. Wat anderen ook mogen doen, wij zullen nooit weggaan. Zou een man, als ik vlieden? Nehemia 6:11. Hoe nader wij aan Christus gestaan hebben, hoe langer wij bij Hem geweest zijn, hoe meer zegeningen wij van Hem hebben ontvangen en hoe meer verplichtingen wij jegens Hem op ons hebben genomen, hoe groter onze zonde zal wezen, zo wij Hem verlaten.
c. "Ik heb reden te denken, dat gij Mij niet verlaten zult. Wilt gij weggaan? Neen, Ik heb meer vat op u. Ik verzeker Mij van u betere dingen, Hebreeën 6:9, want gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt." Lukas 22:28. Als de afval van sommigen ene smart is voor den Heer Jezus' is de standvastigheid van anderen Hem tot des te meer eer, en Hem welbehaaglijk. Christus en de gelovigen kennen elkaar te goed om elkaar voor elk misnoegen te willen verlaten. 2. Het gelovig antwoord van Petrus uit naam van de overigen, op deze vraag, vers 68, 69. Christus deed hun de vraag, zoals Jozua Israël voor de keus heeft gesteld wie zij willen dienen, met het doel om hun ene belofte te ontlokken van bij Hem te zullen blijven, en wel met hetzelfde gevolg. Wij zullen den Heere dienen. Bij alle gelegenheden is Petrus de woordvoerder geweest der overigen, niet zo zeer omdat zijn Meester meer naar hem hoorde dan naar de anderen, maar omdat hij meer zijne tong tot zijn dienst had, en wat hij zei werd soms goedgekeurd, en soms bestraft. Mattheus 16:17, 23, -het gewone lot van hen, die ras zijn om te spreken. Hier heeft hij uitnemend gesproken, en waarschijnlijk heeft hij het volgens de aanwijzing en met de uitdrukkelijke instemming van zijne mede-discipelen gezegd, ten minste kende hij hun gevoelen, en sprak hij de mening uit van allen, en heeft hij Judas niet uitgezonderd, want wij moeten het beste hopen.
a. Een goed besluit om Christus aan te kleven, en uitgedrukt op ene wijze waaruit bleek, dat zij er niet aan dachten Hem te verlaten: "Heere, tot wie zullen wij heengaan? Het ware dwaasheid van U weg te gaan, tenzij wij weten waar heen te gaan waar het beter voor ons zou wezen, neen Heere, onze keuze gevalt ons te zeer om haar te veranderen." Zij, die Christus verlaten, zouden wèl doen met eens te bedenken tot wie zij willen heengaan, en of zij bij iemand anders dan bij Hem rust en vrede zouden vinden. Zie Psalm 73:27, 28, "Waar zullen wij heengaan? Zullen wij naar de gunst der wereld gaan dingen? Zij zal ons ongetwijfeld bedriegen. Zullen wij terugkeren tot de zonde? Zij zal ons gewis verderven. Zullen wij de fontein des levenden waters verlaten en ons naar gebroken bakken begeven?" De discipelen besluiten leven en zaligheid te blijven najagen, en willen daarbij een gids hebben, en nu willen zij Christus blijven volgen als hun Gids, want nooit kunnen zij er een' beteren bekomen. "Zullen wij heengaan naar de Heidense filosofen, en hun discipelen worden? Zij zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, en zich uitgevende voor wijzen in andere dingen, zijn zij in den Godsdienst dwazen geworden. Zullen wij heengaan naar de schriftgeleerden en Farizeeën en aan hun voeten zitten? Welk goed kunnen zij ons doen, als zij Gods gebod krachteloos hebben gemaakt door hun inzettingen? Zullen wij tot Mozes gaan? Hij zal ons terugzenden tot U. Daarom, indien wij ooit den weg tot de gelukzaligheid zullen vinden, dan moet het wezen door U te volgen." Christus' heilige Godsdienst komt heerlijk en voordelig uit, als hij met andere stelsels wordt vergeleken, want dan ziet men hoe ver hij ze allen overtreft. Laten zij, die op dezen Godsdienst wat weten aan te merken, eerst een beteren vinden, voor zij hem verlaten. Zonder Goddelijke openbaring kunnen wij niet, indien de Schrift dit niet is, waar zullen wij haar dan vinden? Een Goddelijken Leraar moeten wij hebben, waar kunnen wij een beteren vinden dan Christus?
b. Hier is ene goede reden voor dit beluit. Het was niet het onbezonnen besluit van een blinde genegenheid, maar het gevolg van rijp overleg en nadenken. De discipelen waren besloten nooit van Christus weg te gaan. Vanwege het voordeel, dat zij zich van Hem beloofden: Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Zij zelven hebben Christus' rede niet ten volle begrepen, want de leer van het kruis was hun nog een raadsel, maar in het algemeen waren zij er van overtuigd, dat Hij de woorden des eeuwigen levens had, dat is: Ten eerste. Dat het woord Zijner leer den weg toont naar het eeuwige leven, het ons voorstelt, ons aanduidt wat te doen om het te beërven.
Ten tweede. Dat het woord van Zijne beslissing het eeuwige leven moet schenken. Zijn hebben van de woorden des eeuwigen levens is hetzelfde als Zijn macht hebben om het eeuwige leven te geven aan allen, die Hem gegeven zijn, Johannes 17:2. In Zijne vorige rede had Hij het eeuwige leven verzekerd aan Zijne volgelingen, deze discipelen hielden zich aan dat duidelijk gezegde, en daarom besloten zij bij Hem te blijven, toen de anderen dit voorbijzagen, en zich blind staarden op de harde rede, en Hem daarom verlieten. Hoewel wij van elke verborgenheid, van al hetgeen duister is in Christus' leer gene verklaring kunnen geven, weten wij toch in het algemeen, dat zij het woord is des eeuwigen levens, en er dus mede moeten leven en sterven, want zo wij Christus verlaten, verlaten wij onze weldadigheid. Vanwege de verzekerdheid, die zij nopens Hem hadden, vers 69:Wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus. Indien Hij de beloofde Messias is, dan moet Hij ene eeuwige gerechtigheid aanbrengen, Daniël 9:24, en daarom heeft Hij de woorden des eeuwigen levens, want de genade heerst door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, Romeinen 5:21. Merk op. Ten eerste. De leer, die zij geloofden, dat Jezus de Messias is, beloofd aan de vaderen en door hen verwacht, en dat Hij niet bloot een mens was, maar de Zoon des levenden Gods, dezelfde, van wie God gezegd heeft: Gij zijt Mijn Zoon, Psalm 2:7. In tijden van verzoeking tot afval is het goed de toevlucht te nemen tot onze eerste beginselen, en er ons aan te houden, en zo wij trouw blijven bij hetgeen onbetwistbaar is, zullen wij te meer in staat zijn de waarheid te vinden en vast te houden in twijfelachtige zaken. Ten tweede. De mate van hun geloof, het verhief zich tot volle verzekerdheid: Wij hebben bekend. Wij weten het bij ervaring, dat is de beste kennis. Het wankelen van anderen moet voor ons ene aanleiding wezen om nog meer bevestigd te worden, inzonderheid in hetgeen wij weten waarheid te zijn. Als ons geloof in het Evangelie van Christus zo krachtig is, dat wij er met alle gerustheid onze ziel op wagen, wetende wie wij geloofd hebben, dan, maar ook niet eerder, zullen wij bereid zijn er ook alle andere dingen voor in de waagschaal te stellen.
3. De treurige aanmerking van onzen Heere Jezus op dit antwoord van Petrus, vers 70, 71.
Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? en een uit u is een duivel. En de evangelist zegt ons wie Hij bedoelde: Hij zei dit van Judas, Simons zoon, Iskariot. Petrus had ingestaan voor hen allen, dat zij den Meester getrouw zouden zijn. Christus veroordeelt nu niet Zijne liefde (het is altijd goed het beste te hopen), maar wel bestraft Hij, stilzwijgend als het ware, zijn al te goed vertrouwen. Wij moeten omtrent niemand al te zeker zijn. God weet wie de Zijnen zijn, wij weten dat niet. Merk hier op, dat:
a. Geveinsden en verraders van Christus niet beter zijn dan duivelen. Judas had niet slechts een duivel, hij was een duivel. Een uit u is een valse beschuldiger, dat is soms de betekenis van diabolos, 2 Timotheus 3:3, en het is waarschijnlijk dat Judas, toen hij zijn Meester aan de overpriesters verkocht, Hem hun voorstelde als een slecht mens, ten einde zijne eigene daad te rechtvaardigen. Ik vat het echter veeleer op in den zin van onze gewone lezing, Hij is een duivel, een vlees geworden duivel, een gevallen apostel, zoals de duivel een gevallen engel is. Hij is Satan, een tegenstander, een vijand van Christus. Hij is Abaddon, en Apollyon, een zoon des verderfs. Hij was van zijn vader, den duivel, deed zijn wil, stond zijne belangen voor, zoals Kaïn, 1 Johannes 3:12. Zij, wier lichamen door den duivel waren bezeten, worden nooit duivelen genoemd (duivelsen, maar niet duivels), maar Judas, in wiens hart de duivel inkwam, en het vervulde, wordt een duivel genoemd.
b. Vele schijnbare heiligen zijn wezenlijke duivelen. De uiterlijke schijn van Judas was even schoon als van vele apostelen, zijn venijn was, evenals dat der slang, onder ene fraaie huid verborgen. Hij heeft duivelen uitgeworpen, en scheen een vijand van het rijk des duivels, en toch was hij al dien tijd zelf een duivel. Niet slechts zal hij er weldra een worden, hij is er reeds een. Het is iets vreemds, iets om zich over te verwonderen. Christus spreekt er van met verwondering: Heb Ik niet? Het is treurig. het is te bejammeren, dat het Christendom ooit ten dekmantel zou dienen voor hetgeen duivels is. c. De vermomming der geveinsden kan wel de mensen misleiden en bedriegen, maar niet Christus, want Zijn doordringend oog doorziet hen. Hij kan diegenen duivelen noemen, die zich zelven Christenen noemen, zoals de begroeting van de huisvrouw van Jerobeam door den profeet, toen zij versteld tot hem kwam: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam.
d. Er zijn de zodanige, die door Christus tot bijzondere diensten zijn uitverkoren, en die toch blijken Hem ontrouw te zijn: Ik heb u tot het apostelschap verkoren, want er is uitdrukkelijk gezegd, dat Judas niet ten eeuwigen leven was verkoren, Hoofdstuk 1 3:18, en toch is eer uit ulieden een duivel. Bevordering tot een post van eer en vertrouwen in de kerk is geen stellig bewijs van zaligmakende genade. Wij hebben in Uwen naam geprofeteerd.
e. Het is niets nieuws om zelfs in het uitgelezenst gezelschap op aarde verdorvene mensen te ontmoeten Van de twaalven, die uitverkoren waren tot een vertrouwelijken omgang met God, verschenen in het vlees, ene eer en voorrecht, zo groot, als waartoe ooit mensen verkoren waren, was een, een vlees geworden duivel. De geschiedschrijver legt er nadruk op, dat Judas een der twaalven was, die aldus onderscheiden en geëerd waren. Laat ons de twaalven niet verwerpen en uit de kerk bannen, omdat een hunner een duivel is, noch zeggen, dat zij allen veinsaards en bedriegers zijn, omdat een hunner dit was, laten zij, die het zijn, er voor gelaakt worden, maar niet zij, die, zolang het hun nog onbekend was, zich met hen verenigden. Er is een gezelschap binnen den voorhang, tot hetwelk niets, dat onrein is, inkomen zal, ene gemeente der eerstgeborenen, waarin zich gene valse broederen bevinden.