Psalm 88:1-10
Te oordelen naar het opschrift van deze en de volgende psalm schijnt Heman de schrijver te zijn geweest van de ene, en Ethan die van de andere. Er waren twee die deze namen droegen, en zonen waren van Zerah, de zoon van Juda, 1 Kronieken 2:4, 6. Er waren twee anderen van die naam, die vermaard waren om hun wijsheid, 1 Koningen 4:31, waar om Salomo's wijsheid te verheerlijken, gezegd is dat hij "wijzer was dan Heman en Ethan." Of de Heman en Ethan, die Levieten en zangers waren van de liederen Zions, dezelfden waren weten wij niet met zekerheid, noch wie van dezen, noch of iemand van dezen, de schrijver was van deze psalmen. Er was een Heman, die een van de voornaamste zangers was, en de ziener of profeet des konings in de woorden Gods wordt genoemd, 1 Kronieken 25:5. Waarschijnlijk was ook deze een ziener, en toch kon hij geen vertroosting voor zichzelf zijn, een onderwijzer en vertrooster van anderen, en toch de vertroosting van zichzelf wegdoende.
De allereerste woorden van de psalm zijn de enige woorden van troost en steun in de gehelen psalm. Er is niets dan wolken en donkerheid om hem heen, maar eer hij zijn klacht begint, noemt hij God de God zijns heils, hetgeen te kennen geeft dat hij tot God opzag om heil en op Hem vertrouwde als de werker ervan.
Nu zien wij de psalmist hier:
1. Als een man des gebeds, iemand, die ten allen tijde in het gebed was, maar inzonderheid nu hij in beproeving en lijden was, want: Is iemand in lijden? dat hij bidde. Het is zijn vertroosting, dat hij had gebeden, het is zijn klacht, dat hij, niettegenstaande zijn bidden nog in lijden is. Hij was:
a. Zeer ernstig in het gebed: "Ik roep voor U, vers 2, ik strek mijne handen uit tot U, vers 10, als iemand, die U wil aangrijpen, de genade zoekt te grijpen met een heilige vrees van haar te zullen missen."
b. Hij was zeer dikwijls en aanhoudend in het gebed: "ik roep tot U de gehele dag, vers 10, ja bij dag, bij nacht," vers 2, want aldus behoort men altijd te bidden en niet te vertragen, Gods uitverkorenen roepen dag en nacht tot Hem, niet slechts des morgens en des avonds, beginnende iedere dag en elke nacht met gebed, maar dag en nacht doorbrengende in het gebed. Dit is inderdaad altijd te bidden, en wij zullen welslagen in het gebed als wij volharden in den gebede.
c. Hij richtte zijn gebed tot God, en van Hem begeerde en verwachtte hij een antwoord, vers 3. "Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen, om door U aangenomen te worden, niet voor het aanschijn van mensen, om van hen gezien te worden, zoals de gebeden van de Farizeen." Hij verlangt niet dat de mensen ze zullen horen, maar, Heere, neig Uw oor tot mijn geschrei geef er het antwoord op, dat U behaagt."
2. Hij was een man van smarten, en daarom houden sommigen hem in deze psalm voor een type van Christus, wiens klachten aan het kruis, en soms ook tevoren, tamelijk gelijk zijn aan die in deze psalm. Hij roept: Mijne ziel is van de tegenheden zat, vers 4. Zo zei Christus: "Nu is Mijne ziel ontroerd, " en in Zijn doodsbenauwdheid: "Mijn ziel is geheel bedroefd," zoals de psalmist hier, tot de dood toe, want hij zegt: mijn leven raakt tot aan het graf. Heman was een zeer wijs man, en een goed man, een man Gods, en ook een zanger, en men kan dus onderstellen dat hij een man was van een blijmoedige geest, en toch was hij nu een man van een treurig gemoed, ontroerd van hart en op de rand van de wanhoop. Innerlijke smart is de zwaarste smart, door welke soms de besten van Gods heiligen gekweld werden. De geest des mensen, ook van de grootsten van de mensen, zal niet altijd zijn ziekte ondersteunen, maar er soms onder kwijnen en wegzinken, en wie zal dan een verslagen geest opheffen?
3. Hij beschouwde zich als een stervende wiens hart ging breken van droefheid, vers 6. "Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, om wier verrotting en vergaan niemand zich bekommert, ja, die Gij niet meer gedenkt om hun dode lichamen te verzorgen of te beschermen, zodat zij een gemakkelijke prooi worden van wormen en bederf, zij zijn afgesneden van Uwe hand, die eens gebruikt werd om hen te ondersteunen eens tot hen was uitgestrekt, maar dat is nu niet meer nodig, zij zijn er van afgesneden en er door afgesneden, "want God zal tot de aardhoop Zijn hand niet uitstrekken," Job 30:24). "Gij hebt mij in de onderste kuil gelegd, zo laag mogelijk, mijn toestand is laag, mijn moed is gezonken, in duisternissen, in diepten, wegzinkende, geen weg ziende ter ontkoming, tot het uiterste gebracht, en gereed om maar alles als verloren op te geven." Zo ontzettend zwaar kunnen Godvruchtige mensen beproefd zijn, en zo diep treurige opvatting kunnen zij hebben nopens hun ellende, en zo sombere, wanhopige gevolgtrekkingen zijn zij gereed te maken omtrent het einde ervan, door de kracht van de droefgeestigheid en de zwakheid van hun geloof.
4. Het meest klaagde hij over Gods misnoegen tegen hem, die gal en alsem mengde in zijn beproeving en ellende, vers 8. Uwe grimmigheid ligt zwaar op mij-indien hij in zijn beproeving de gunst en liefde van God had kunnen opmerken, zij zou licht op hem gelegen hebben, maar zij lag zwaar, zeer zwaar op hem, zodat hij op het punt was er onder weg te zinken. De indrukken van deze toorn op zijn gemoed waren Gods baren, die over hem heengingen, de een na de andere, zodat hij nauwelijks van de ene sombere gedachte bekomen was of hij werd aangevallen door een andere, deze baren liepen hem aan met gedruis en geweld, niet sommige van Gods baren, maar alle werden gebruikt om hem te kwellen en neer te drukken. Zelfs de kinderen van Gods liefde kunnen zich soms voor kinderen des toorns houden, en geen uitwendige beproeving kan zo zwaar op hen drukken, als de vrees daarvoor, namelijk om kinderen des toorns te zijn.
5. Zijn beproeving werd nog verzwaard doordat zijn vrienden hem verlieten en zich als vreemden voor hem hielden. Als wij in droefheid zijn, dan is het een troost om diegenen om ons heen te hebben, die ons beminnen en medegevoel met ons hebben, maar deze Godvruchtige man had zodanigen niet, hetgeen hem aanleiding geeft, niet om hen te beschuldigen of hun trouweloosheid, ondankbaarheid en onmenselijkheid ten laste te leggen, maar om bij God te klagen, met het oog op Zijn hand in dit deel van Zijn beproeving, vers 9. Mijne bekenden hebt Gij verre van mij gedaan. Gods voorzienigheid had hen van hem weggedaan of hen onbekwaam gemaakt om hem van dienst te zijn, of hun genegenheid voor hem doen ophouden, want ieder schepsel is datgene voor ons (en niets meer) wat God het doet zijn. Als oude bekenden schuw van ons worden en zij, van wie wij vriendelijkheid verwachtten, onvriendelijk blijken te zijn, dan moeten wij dit dragen met dezelfde geduldige onderworpenheid aan Gods wil, waarmee wij andere beproevingen dragen, Job 19:13. Ja, zijn vrienden waren niet slechts van hem vervreemd, maar zij haatten hem, omdat hij arm en in ellende was. "Gij hebt mij hun tot een grote gruwel gesteld, zij zijn niet slechts schuw van mij, maar walgen van mij, en zij zien niet slechts met minachting, maar met afschuw op mij neer." Laat niemand een zodanige beproeving vreemd achten als Heman, die zo vermaard was om zijn wijsheid, toch, toen hij onder de afkeuring van de wereld lag, veronachtzaamd werd als een vat, waaraan men geen lust heeft.
Eindelijk. Hij beschouwde zijn toestand als hulpeloos en jammerlijk. "Ik ben besloten en kan niet uitkomen, een gevangene, in de boeien van Gods toorn, en er was geen weg ter ontkoming." Daarom zinkt hij weg onder zijn ellende, want er is geen waarschijnlijkheid dat hij er uit verlost zal worden. Aldus beweent hij zich, vers 10. Mijn oog treurt vanwege verdrukking. Soms geeft wenen verlichting aan een ontroerd gemoed. Maar het wenen moet het bidden niet in de weg staan. Wij moeten met tranen zaaien, mijn oog treurt, maar dagelijks roep ik tot U, laat gebeden en tranen samengaan, dan zullen zij tezamen aangenomen worden. Ik heb uw gebed gehoord, ik heb uw tranen gezien.