2 Koningen 5:9-14
Wij hebben hier de genezing van Naämans melaatsheid.
I. Het korte en duidelijke voorschrift, dat de profeet hem gaf met verzekerdheid van goede uitslag. Naäman wilde Elisa eer bewijzen toen hij in zijn wagen en met al zijn gevolg aan Elisa's deur kwam, vers 9. Zij, die op andere tijden weinig eerbied betoonden aan profeten waren, als zij hen nodig hadden, zeer voorkomend voor hen. Hij kwam aan Elisa's deur als een bedelaar om een aalmoes. Zij, die van hun geestelijke melaatsheid gereinigd willen worden, moeten aan de deur van de Wijsheid komen, de posten van haar deuren waarnemen. Naäman verwachtte zijn beleefdheid met gelijke beleefdheid beantwoord te zien, maar Elisa gaf hem zijn antwoord zonder enigerlei formaliteit, wilde niet aan de deur tot hem gaan, opdat hij de schijn niet zou hebben al te zeer gevleid te zijn door de eer, die hem was aangedaan, maar zond hem een bode om hem te zeggen. Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, hem belovende dat zijn ziekte, zo hij dit deed, genezen zou worden. De belofte was uitdrukkelijk en bepaald: Gij zult rein zijn, de voorgeschreven methode was duidelijk: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan. Dit was niet bedoeld als een middel tot de genezing, hoewel koude baden door velen als zeer heilzaam worden aanbevolen, maar sommigen denken dat het voor een geval van melaatsheid veeleer schadelijk was. Maar het was bedoeld als een teken van de genezing, en een op-de-proefstelling van zijn gehoorzaamheid, zij, die door God geholpen willen worden, moeten doen wat hun gezegd wordt. Maar waarom heeft Elisa een bode tot hem gezonden met deze aanwijzingen?
1. Omdat hij zich toen had afgezonderd tot innig, vurig gebed om de genezing, en daarvan niet afgeleid wilde worden, of:
2. Omdat hij wist dat Naäman een hoogmoedig man was, en hij hem wilde doen weten dat voor de grote God alle mensen op gelijke bodem staan.
II. Naämans afkeer van de voorgeschreven methode, omdat zij niet was wat hij verwachtte, twee dingen ergerden hem er in.
1. Dat Elisa, naar hij dacht, hem minachting betoonde door hem orders te zenden door een dienaar, en niet zelf tot hem naar buiten te komen, vers 11. Vol van verwachting zijnde van genezen te worden, had hij zich voorgesteld hoe die genezing bewerkt zou worden. Zijn denkbeeld was: Hij zal zeker tot mij uitkomen, dat is wel het minste wat hij voor mij doen kan, voor mij, een Syrische grote, die in al deze staatsie tot hem gegaan ben, tot mij, die zo dikwijls over Israël gezegevierd heb. Hij zal staan en de naam van de Heere, zijn God, aanroepen, en mij noemen in zijn gebed, en dan zal hij zijn hand over de plaats strijken, en aldus de genezing tot stand brengen." En omdat dit nu niet precies aldus geschied is, geraakt hij in toorn, vergetende:
a. Dat hij een melaatse was, en de wet van Mozes, die Elisa nauwgezet waarnam de zodanigen van de samenleving buitensloot, een melaatse, en bijgevolg behoorde hij niet zo streng te staan op de vormen van de hoofse plichtplegingen. Velen hebben onder verootmoedigende leidingen van Gods voorzienigheid een onverootmoedigd hart. Zie Numeri 12:14. b. Dat hij een smekeling was, een gunst verzocht, die hij niet kon eisen, en bedelaars hebben niet te kiezen, patiënten moeten doen wat hun geneesheer hun voorschrijft. Zie in Naäman de dwaasheid van de hoogmoed, een genezing stelt hem niet tevreden of hij moet genezen worden met ceremonie, met veel praalvertoon en staatsie, hij veracht het genezen te worden, zo hij zijn zin niet krijgt.
2. Dat Elisa, naar hij dacht, minachting betoonde aan zijn land, hij nam het euvel op, dat hij heengezonden werd om zich in de Jordaan te wassen, in de Jordaan, een rivier van Israël, terwijl hij dacht dat Abana en Parpar de rivieren van Damascus, beter waren dan alle wateren Israëls. Met hoeveel ophef spreekt hij van deze twee rivieren, die Damascus besproeiden, en spoedig daarna zich verenigden, en dan door de geographen "Chrysoroas-de gouden stroom-"genoemd wordt. Hoe minachtend spreekt hij van al de wateren Israëls, hoewel God het land Israëls de roem van alle landen heeft genoemd, inzonderheid wegens zijn waterbeken, fonteinen en diepten, Deuteronomium 8:7. Zo gewoon is het dat God en de mens verschillen in hun oordeel. Hoe minachtend spreekt hij van de aanwijzingen van de profeet! Zou ik mij daarin niet kunnen wassen en rein worden? Hij zou er zich in kunnen wassen, en rein worden van vuil maar niet van melaatsheid. Hij was er vertoornd over, dat de profeet hem gebood zich te gaan wassen om rein te worden, hij dacht dat de profeet alles moest doen, en het behaagt hem niet, dat hem gezegd wordt dat hijzelf iets doen moet. Of wèl, hij denkt dat dit al te eenvoudig, te gemakkelijk, te gewoon is voor zo'n aanzienlijke man als hij, om er door genezen te worden, of hij geloofde niet dat de genezing er door gewerkt zal worden, of indien wel, welke geneeskracht was er meer in de Jordaan dan in de rivieren van Damascus? Maar hij bedacht niet:
a. Dat de Jordaan behoorde aan Israëls God, van wie Hij de genezing moest verwachten, en niet aan de goden van Damascus, zij bewaterde het land des Heeren, het heilige land, en voor een wonderdadige genezing was de betrekking tot God van veel meer gewicht en betekenis, dan de diepte van de bedding of de schoonheid van de stroom.
b. Dat de Jordaan meer dan eens tevoren aan het gebod van de Almacht heeft gehoorzaamd, zij had vanouds een doortocht verleend aan Israël, en onlangs aan Elia en Elisa, en was dus geschikter voor zulk een doel dan de rivieren, die slechts aan de algemene wet van haar schepping hadden gehoorzaamd, en nooit aldus onderscheiden waren geworden. Maar bovenal, de Jordaan was de aangewezen rivier, en als hij genezing verwacht van de macht van God, dan moet hij berusten in de wil van God. zonder te vragen waarom of waartoe. Het is iets geheel gewoons voor hen die wijs zijn in hun eigen ogen, om minachtend neer te zien op de voorschriften van de Goddelijke wijsheid, en boven deze de voorkeur te geven aan hun eigen bedenkselen, "zij die hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten willen zich van de rechtvaardigheid Gods niet onderwerpen," Romeinen 10:3.
Naäman geraakte door zijn redenering in zo'n toorn, dat hij zich in woede van de deur van de profeet afwendde, gereed te zweren dat hij nooit meer iets met Elisa van doen wilde hebben. En wie zou dan daarbij iets verloren hebben? "Die de valse ijdelheden onderhouden verlaten hun weldadigheid," Jona 2:8. Hoogmoedige mensen zijn de ergste vijanden van zichzelf.
III. De bescheiden raad, die zijn dienaren hem gaven, om naar het voorschrift van de profeet te handelen, waarin een stilzwijgende bestraffing van zijn toorn lag opgesloten, vers 13. Op andere tijden wisten zij tegenover hem op hun plaats te blijven, maar hoewel zij hem nu in toorn en drift zagen, wisten zij toch dat hij een man was, die altijd naar rede wilde luisteren, door wie zij hem ook werd voorgehouden (een goede, doch zeer zeldzame hoedanigheid in aanzienlijke personen) en daarom naderden zij tot hem en gebruikten de vrijmoedigheid om de zaak met hem te bespreken. Zij hadden een hoge mening van de profeet opgevat, (daar zij misschien meer van hem gehoord hadden door hun gesprekken met het gewone volk, dan Naäman omtrent hem gehoord had van de koning en de hovelingen met wie hij gesproken had), en daarom vroegen zij hem de zaak nog eens in overweging te nemen. Zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, u een vervelende, langdurige kuur had voorgeschreven, of u aan een pijnlijke operatie had onderworpen, u trekpleisters, of koppen-zetten, of kwijling had verordineerd, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Voorzeker wel. En wilt gij u dan niet aan zo'n eenvoudige en gemakkelijke methode onderwerpen als deze. Was u en gij zult rein zijn.
Merk op:
1. Zijn eigen knechten gaven hem deze bestraffing en die raad, hetgeen niet meer een verkleining voor hem was, dan dat hij door de dienstmaagd van zijn vrouw bericht had ontvangen omtrent iemand, die hem kon genezen, vers 2. Het is een grote weldaad om personen om ons heen te hebben, die open en vrijmoedig met ons zijn, ons getrouw onze gebreken en dwaasheden onder het oog brengen, al zijn zij ook onze minderen. Meesters moeten naar rede van hun dienaren willen horen, Job 31:13, 14. Gelijk wij doof moeten zijn voor de raad van de goddelozen, al wordt hij ook gegeven door de aanzienlijkste personen, die de meest geëerde namen dragen, zo moeten wij een open oor hebben voor goede raad, al wordt hij ons ook gegeven door degenen, die ver beneden ons zijn. Wie spreekt doet er niet toe, zo het gesprokene slechts goed is.
2. De bestraffing werd met grote bescheidenheid en eerbied gegeven. Zij noemen hem vader, want dienaren moeten hun meesters eren en gehoorzamen met een soort van kinderlijke genegenheid. Bij het geven van bestraffing en raad moet het blijken, dat zij voortkomen uit liefde en oprechte eerbied, en dat wij er geen smaad, maar reformatie mee bedoelen.
3. Zij was zeer redelijk en bedachtzaam. Indien de ruwe, onnadenkende dienaren toornige gevoeligheid van hun meester hadden opgewekt, en gepoogd hadden hem te wreken op de profeet, die (naar hij dacht) hem beledigd had, hoe noodlottig zouden de gevolgen geweest zijn! Vuur van de hemel waarschijnlijk op hen allen! Maar tot onze grote verrassing nemen zij de partij van de profeet. Elisa had waarschijnlijk wel bemerkt dat hetgeen hij gezegd had, Naäman uit zijn humeur heeft gebracht, maar hij deed geen poging om hem tevreden te stellen, het was op zijn gevaar zo hij volhardde in zijn toorn, maar Gods voorzienigheid maakt gebruik van zijn knechten, om hem tot bedaren te brengen. Zij redeneren met hem:
a. Uit zijn vurige begeerte naar genezing: Zoudt gij niet alles daarvoor gedaan hebben? Als zieke zondaren er toe gekomen zijn om alles te willen doen, zich aan alles te willen onderwerpen, van alles afstand te willen doen, om maar genezen te worden, dan, maar niet eerder, beginnen wij hoop voor hen te koesteren. Dan zullen zij Christus aannemen op zijn voorwaarden, als zij Christus willen hebben op elke voorwaarde.
b. Uit het gemakkelijke van de voorgeschreven methode, het is slechts: Was u en gij zult rein zijn. Het is te beproeven, de proefneming is goedkoop en gemakkelijk, het kan geen kwaad doen, maar zou goed kunnen doen. De methoden, voorgeschreven voor de genezing van de melaatsheid van de zonde, zijn zo eenvoudig, dat wij volstrekt niet te verontschuldigen zijn als wij ze niet volgen. Het is slechts: "Geloof, en word behouden", "Bekeer u, en ontvang vergeving van zonde", "Was u, en gij zult rein zijn."
4. De genezing tot stand gebracht in het gebruik van het voorgeschreven middel, vers 14. Bij nader bedenken wilde Naäman de proef toch wel nemen, maar toch, naar het schijnt, met geen groot geloof of vastberadenheid, want terwijl de profeet hem gezegd had zich zeven maal te wassen in de Jordaan, heeft hij er zich slechts zeven maal in gedoopt. Maar toch behaagt het Gode zich en Zijn woord te eren door dit van kracht te doen zijn. Zijn vlees kwam weer, gelijk het vlees van een kleine jongen, tot zijn grote verwondering en blijdschap. Dit verkrijgt men door de wil van God te doen, door Zijn inzettingen waar te nemen. Zijn rein worden door wassing eerde de wet voor de reiniging van melaatsen, God zal Zijn woord groot maken.