26. En Hij, uit de diepe slaap met zoveel onstuimigheid opgewekt, maar toch Zijn oog met rust en helderheid opslaande en aanstonds met zegevierende tegenwoordigheidvan geest de gehele toestand beheersende, zodat Hem noch het oproer van de elementen, noch het angstgeschrei van de discipelen in verwarring bracht, zei tot hen, omdat het er boven alles eerst op aankwam, dat ook zij uit de vrees en onrust tot rust en bedaardheid werden teruggebracht: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Er is geen redenvoor deze bange vrees voor de dood, zoals gij uit Mijn nabijheid en Mijn rustig doorslapen had kunnen afleiden. Het ontbreekt u aan geloof, dat vrolijk maakt in hoop en geduldig in druk (
Romeinen 12:12). Toen stond Hij op, nadat Hij degenen, die Hem de lichamelijke rust hadden ontnomen, de innerlijke had weergegeven, en Hijbestrafte de winden en de zee, dat zij dadelijk zich zouden neerleggen en er kwam op datzelfde ogenblik grote stilte, terwijl anders de storm slechts allengs onder nog enige nu en dan weerkerende windstoten gaat liggen, en de verbolgen zee vele uren nodig heeft om weer effen te worden.
Job 26:12 Psalm 107:29 Jesaja 51:10
Jezus heeft een zachte slaap en een fijn oor. Hij ontwaakt op het eerste noodgeschrei van de Zijnen en geen gezicht, al is het nog zo onverwacht, nog zo ontzettend, verstoort de heldere zielevrede. Hij worstelt niet om bedaardheid. Hij komt in het geheel niet uit de bedaarde stemming; Hij blijft geheel en al stil; vrees is Hem vreemd, vrees is de dochter van de zonde: de zondeloze, de volmaakte Jezus, die weet, dat Hij in heilige gemeenschap met Zijn God en Vader is, heeft Zijn God en Vader eeuwig aan Zijn rechterhand - waarvoor zou Hij dan verschrikken? De Heere ziet rustig de beweging aan, en Zijn eerste woord komt tot Zijn discipelen - natuurlijk! zij hebben Hem gewekt en niet de zee heeft het gedaan; daarom komt hun ook de eerste terechtwijzing toe. Zij zijn de hoofdpersonen, de zee, die zo woedt, als wilde zij hen verslinden, woedt toch niet tegen hen, maar voor hen; de golven, die tegen de zwakke wanden van het scheepje aandonderen moeten met de stem van de donder een woord, een les in de harten van de discipelen leggen. Aan dit doel zijn wind en zee dienstbaar.
In de eerste plaats (en wel nog liggende) bracht de Heere de gemoederen van de discipelen tot rust, daarop (opstaande) ook de golven van de zee.
Had Hij het rustig-zijn van Zijn discipelen alleen mogelijk gehouden bij het bedaren van de natuur, had Hij niet gemeend bij de Zijnen een rust midden in de storm te mogen veronderstellen, zo ware het Zijn eis niet geweest, dat van binnen af alle rust van de mens moet komen, dat eerst uit de zielen, dan uit het geschapene de angst moet worden verdreven; dan zou Hij niet vóór het bestraffen van wind en zee de zielen van de discipelen bestraft hebben en rust hebben geëist; Hij zou vóór alle dingen hebben geholpen.
O, dat wij toch bij het om hulp roepen tot de Heere te allen tijde, nog voordat er uiterlijk hulp kwam, op het antwoord van de Heere in het hart wilden letten, hoe Zijn Geest ons uit het vrezen probeert terecht te brengen, en in onze borst de storm van de ons zo ongelukkig makende gedachten en gevoelens probeert te bezweren met het woord: "Kleingelovigen; " dan werd de juiste grond weer gevonden eerst voor de waarheid van God en dan ook voor de zegen van de uiterlijke hulp. Hoe eenvoudig en zonder alle pralerij doet toch de Heere Zijn grootste werken! Alsof het er slechts om te doen was de wekker van het huis, die door zijn bellen de kinderen verschrikt, te gebieden, dat hij stil houde, verheft Hij dreigend Zijn hand tegen het oproerig meer en spreekt Hij slechts de twee woorden: "Zwijg, wees stil!" (Markus 4:39) (liever: wees als een, die men een muilband aangedaan, de mond gestopt heeft). En aanstonds komt de uitkomst met het woord overeen. De wonderen verbreken niet op onnatuurlijke wijze de natuur, zoals men dikwijls voorwendt (Uit 4:25), maar op bovennatuurlijke wijze de wanorde in de natuur, zoals uit deze geschiedenis blijkt. Dat is toch duidelijk tegen de oorspronkelijke natuurwet en waarlijk onnatuurlijk, dat iemand ogen heeft en niet ziet, oren en niet hoort, spraakorganen en niet kan spreken, ledematen en ze niet kan gebruiken - maar niet, dat een Heiland komt en hun banden los maakt! Dat is in waarheid onnatuurlijk, dat in de wereld zo veel ellende is, maar niet, dat een Heiland haar probeert weg te nemen! Dat is onnatuurlijk, dat het ene volk door het andere op het wreedst wordt verdrukt en mishandeld, maar niet, dat God het aanziet en het uit het land van de slavernij uitvoert door tekenen en wonderen! Dat is tegennatuurlijk, dat wind en golven in opstand zijn tegen een goed menselijk handelen, maar niet, dat de Heere wind en golven gebiedt! Dat ware tegennatuurlijk, dat vijfduizend, die het woord des levens gevolgd waren, in de woestijn tot de dood toe zouden hebben moeten versmachten, maar niet, dat de milde hand van God zich voor hen opendoet, en uit weinig veel maakt, zoals zij alles uit niets gemaakt heeft. Dat was onnatuurlijk, dat de gevoelloze dood de banden van de liefde losmaakte, die God zelf tussen moeder en zoon, broeder en zuster gelegd had, maar niet, dat voor een jongeling van Naïn, of voor een Lazarus te Bethanië de banden van de dood door één machtwoord werden verbroken! Dat is het toppunt van het onnatuurlijke, dat de wereld de alleen Rechtvaardige aan het kruis hecht, maar niet, dat deze heilige Kruisdrager niet in de onschuldig geleden dood blijft, maar opstaat en zegerijk Zijn heerlijkheid ingaat!
Men zou verder kunnen zeggen: wanneer heden ten dage een schip in gevaar was, zou men toch slechts op een redding van natuurlijke aard kunnen hopen en daarom bidden. Dat is zeer waar; maar op dat schip bevond zich de Christelijke kerk, d. i. haar hoeksteen en haar toekomstige pilaren.
De zeetocht zou ook op de in Vers 24 beschreven wijze gelukkig kunnen volbracht zijn; de wind zou hebben kunnen aanbruisen, en Jezus zou rustig hebben kunnen voortslapen en slapende het schip tot de haven hebben kunnen leiden. Dat was een overwinning van het geloof geweest, zoals die wezen moet; de discipelen hadden hun Meester leren kennen, die slapende niet slaapt, maar met wapens strijdt, die voor de ogen van de gehele wereld verborgen zijn. Het is niet zo gebeurd! De discipelen hebben het bedorven en aan de geschiedenis een slot gegeven, dat wel voor bestreden zielen troostvol is, maar toch niet gelijk is aan het begin. Het is de medelijdende goedheid van de Heere, dat Hij de afloop van de gebeurtenissen dikwijls door Zijn zwakke discipelen laat bepalen.
De vreesachtigheid van de discipelen moest openbaar worden, opdat zij voor altijd ophield: zij, de Atleten (kampvechters) van het geloof mochten niet vrezen.
"Vrees niet, Caesar is in het schip, " zo sprak Julius Caesar tot een schipper, die hem over de Adriatische zee zou varen en door vrees werd overvallen. "Vrees niets, Christus is in het schip, " dat moesten de discipelen van de Heere leren ten opzichte van de ark, die op de hooggaande golven van de zondvloed voert (denk aan de heilige Christelijke kerk) zij toch zijn geroepen aan het roer te zitten en met hun woord het schip door storm en golven naar de oever te voeren. 27. En de mensen, die in het schip waren, niet alleen de anderen, die zich hadden aangesloten, maar ook voornamelijk de discipelen, die zich tegenover den Heere der heerlijkheid weer als arme zondige mensenkinderen gevoelden (Markus 4:41. Lukas 8:25; 5:8, ), verwonderden zich met den diepsten eerbied, zeggende tot elkaar. "Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn! Hoewel wij Hem tot hiertoe kenden als een profeet, machtig in woorden en werken, moeten wij toch nu zeggen, dat wij Hem niet gekend hebben (Johannes 1:31). "
De vrees, welke de discipelen nog juist voor de ontzettende verhevenheid der natuur hebben gevoeld, wordt nu tot ene verwondering over Hem, die de verwoestende krachten met één woord heeft beteugeld. Deze vreze des Heeren is, gelijk van alle wijsheid, ook van het ware geloof een begin; zij wekt het hart onder het verwonderen en het stilstaan des verstands tot die vragen vol voorgevoel op, uit welke door antwoord van boven het geloof wordt geboren. Den wind in Zijne vuisten verzamelen en de wateren in een kleed binden, gelijk Agur (Spreuken 30:4) zegt, zee en storm geboden geven, waarop zij gehoorzamen, dat zijn goddelijke praerogatieven, majesteits rechten van den Schepper der natuur, tot welke ook de macht van den meest verheven vorst der aarde niet reikt. O, wie is Hij, die Zich daarvan kan bedienen, niet biddende en roepende tot God (1 Koningen 17:1 Aanm. ), maar dreigende in de macht van enen Heerser? Zeker, dat is de vaag van alle vragen, waardig, dat zij u bezig houde dag en nacht, totdat gij de rechte verklaring hebt gevonden, daar aan die beantwoording uw leven hangt. Den discipelen komt ene gedachte in `t hart op, dat zij bij alles, wat zij tot hiertoe gehoord en gezien hebben, Hem nog slechts weinig, ja nauwelijks gekend hebben; dat Hij nog veel meer en groter is. Maar ook hebben zij bij deze nieuwe openbaring het antwoord niet dadelijk gereed; want hier hecht zich geheim aan geheim. Nog wordt niet uitgedrukt hoedanig een deze is, zo hoog en zo nederig tevens, den mensen verwant en den schepselen Gods als hun Heer bekend, als een beeld der zwakheid en vermoeidheid neergezonken en in slaap liggende, en dan zich betonende als diegene, van wien Ethan zegt (Psalm 89:9 v. ): "Heere, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o Heere! en Uwe getrouwheid is rondom U. Gij heerst over de opgeblazenheid der zee, wanneer hare baren zich verheffen, zo stilt Gij ze. " Dat het Thomas is, die later (Johannes 20:24, ) met zijn uitroep: "Mijn Heere en mijn God!" de juiste oplossing van het raadsel geeft, dat de harten der discipelen hier bezighoudt, kan ons slechts in het hierboven (Vers 22 Aanm. ) uitgesproken vermoeden bevestigen, dat hij diegene van de twaalf Apostelen is, dien de Heere daar roept om te volgen.
Wie is Hij? Wij weten het. Hij is de Heer der heerlijkheid. Mochten wij aan zijne kracht en macht jegens ons bij ondervinding weten, wie Hij is. Mochten wij allen kunnen zeggen: Hij, die den storm en de zee in Zijne macht heeft, en voor wien de afgrond siddert, Hij is ook voor mij, gelijk voor al de Zijnen, de machtige, de almachtige Redder uit de zonde en uit allen nood, en ten laatste uit den dood.
III. Vers 28-34. (zie). Nadat de Heere het schip pas verlaten heeft, dat Hem en Zijn discipelen aan de andere oever van het meer heeft gebracht en wel aan die zijde, waar het gebied van de Gergesenen of Gadarenen lag, komt Hem aanstonds een demonisch bezetene van de ergste soort tegemoet. De Heere openbaart Zich ook daar in Zijn volle heerlijkheid als degene, die gekomen is om de werken van de duivel te verbreken, en oogst, zoals ons de beide andere Evangeliën meedelen, ten minste een mensenziel, die Hij voor Zijn dienst wint, als vrucht van Zijn zegenende werkzaamheid. De bewoners van de stad, die niet zozeer de weldaad berekenen in de verschijning van Hem, die met macht de onreine geesten gebiedt, als wel de schade, die zij in het verlies van hun onreine dieren hebben geleden, bidden daarentegen Jezus, hun gebied weer te verlaten. Jezus, die niet voor dove oren en geslotene harten wil prediken, gaat ook werkelijk weg en vangt aanstonds met de terugtocht aan. Wij hebben hier een gebeurtenis voor ons die slechts dan een zin heeft, slechts dan een juiste plaats in de geschiedenis inneemt, wanneer wij, er geen acht op slaande, hoe gelijksoortig of hoe vreemdsoortig het aan de denkwijze van een andere wereld en van een verwijderde eeuw moge zijn, het zo nemen, als de Evangelist het geeft; zo opgevat zegt het, naar zijn bedoeling, zeer veel, anders opgevat in het geheel niets.