Romeinen 7:15-26
Hier is een beschrijving van den strijd tussen genade en verdorvenheid des harten, tussen de wet van God en de wet der zonde. En dat kan op twee wijzen toegepast worden:
1. Op de worstelingen, die er zijn in een overtuigde ziel, maar die nog onwedergeboren is, gelijk velen onderstellen dat Paulus hier bedoelt.
2. Op de worstelingen in een vernieuwde, geheiligde ziel, maar die nog in den staat der onvolmaaktheid verkeert, zoals anderen onderstellen. En er is groot verschil en veel strijd over de vraag, welke van die beide door den apostel hier bedoeld wordt. Het kwaad treedt hier zozeer op den voorgrond, dat de apostel spreekt van iemand, die verkocht is onder de zonde, die doende en niet het goede verrichtende. Het schijnt bezwaarlijk dit toe te passen op de wedergeborenen, die beschreven worden als dezulken, die niet wandelen naar het vlees maar naar den Geest. Maar toch spreekt de apostel van mensen in wie het goede zover heerst dat zij de zonde haten, de wet toestemmen, er een vermaak in hebben, de wet van God met den geest dienen, en het is nog bezwaarlijker dat toe te passen op de onwedergeborenen, die dood zijn in zonden en misdaden.
I. Laat ons het eerst toepassen op de worstelingen, die voorkomen in een overtuigde ziel, die nog in den staat van zonde is, den wil des Heeren kent maar dien niet volbrengt, die de dingen, welke uitnemender zijn, erkent, die onderwezen is uit de wet, maar haar desniettemin voortdurend breekt, Hoofdstuk 2:17, 23. Ofschoon hij in zich een getuigenis heeft tegen de zonde welke hij bedrijft en zeer veel verwijtingen heeft over de begane zonden, daar zijn betere krachten er zich tegen verzetten, en zijn natuurlijk geweten er tegen waarschuwt alvorens de zonde begaan wordt en hem bestraft zodra ze gepleegd is, toch gaat die mens voort de slaaf te zijn van zijn overheersende begeerten. Dit is niet het geval met alle onwedergeborenen, maar alleen met hen die overtuigd zijn door de wet doch niet veranderd door het Evangelie. De apostel heeft gezegd, Hoofdstuk 6:14 :De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet maar onder de genade, om daarvan het bewijs te leveren, schetst hij hier het beeld van iemand die onder de wet en niet onder de genade is, en dus onder de heerschappij der zonde. De wet kan de zonde ontdekken, zij kan overtuigen van zonde, maar zij kan de zonde niet overwinnen en ten onder brengen, getuige daarvan is de overheersing der zonde in velen, die zeer sterke wettelijke overtuigingen hebben. Zij openbaart de onreinheid, maar kan die niet afwassen. Zij maakt een mens moedeloos en zwaar belast, Mattheus 11:28, belaadt hem met zijn zonden, en toch indien het daarbij blijft, verleent zij geen hulp tot afwerping van dien last, die kan alleen verkregen worden in Christus. De wet kan een mens er toe brengen om uit te roepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen! maar onderwijl laat zij hem geboeid en gevangen blijven, want zij is te zwak om hem te kunnen verlossen, Hoofdstuk 8:3, zij geeft hem een geest der dienstbaarheid tot vreze, Hoofdstuk 8:15. Welnu, een ziel die door de wet zover gebracht is, bevindt zich goed op weg naar den staat der vrijheid in Christus, ofschoon velen daarbij blijven en niet verder gaan. Felix beefde, maar hij kwam niet tot Christus. Het is mogelijk dat een mens met open ogen naar de hel gaat, Numeri 24:3, 4, verlicht door gewone overtuiging, en een beschuldigend geweten in zich omdragende, zelfs in dienst van den duivel. Hij kan toestemmen dat de wet goed is, zich verheugen in de kennis van Gods wegen, Jesaja 58:2, hij kan in zich gevoelen een getuigenis tegen de zonde en voor de heiligheid, en bij dit alles toch overweldigd zijn door de in hem heersende liefde tot de zonde. Dronkaards en onzedelijken hebben dikwijls enige zwakke begeerte om hun zonden na te laten en gaan er desniettegenstaande toch mee voort, zo onmachtig en zo onvoldoende zijn hun overtuigingen. Er zijn onder hen velen, die noodzakelijk dit alles zullen verstaan en er ernstig mee instemmen, ofschoon het zeer moeilijk te begrijpen is hoe de apostel indien hij zulke mensen op het oog heeft, het gehele betoog door van zich zelven spreekt, en niet in den verleden, maar in den tegenwoordigen tijd. Over zijn eigen toestand toen hij overtuigd was, heeft hij gesproken in den brede, als over een ding dat voorbijgegaan is, vers 7 en v.v. :ik ben gestorven, het gebod is bevonden mij ten dode te zijn, en indien hij dus hier spreekt over dezelfden toestand als over zijn tegenwoordigen staat en de omstandigheid waarin hij thans verkeert, dan bedoelt hij zeker niet dat het moet opgevat worden gelijk boven aangegeven is, en daarom:
II. Moet het veel meer opgevat worden als gezegd van de worstelingen, die plaatsgrijpen tussen de genade en de verdorvenheid in de geheiligde zielen. Het is ontegensprekelijk dat er overblijfsels van het inwonend bederf zijn ook waar een levend beginsel van genade gevonden wordt, en het is niet minder zeker dat dit bederf dagelijks aan het licht treedt in zonden van zwakheid, die bestaanbaar zijn met een staat van genade. Indien wij zeggen dat wij gene zonden hebben, zo bedriegen wij ons zelven, 1 Johannes 8, 10. Evenzo staat het vast, dat waarachtige genade tegen deze zonden en dit bederf strijdt, ze niet toelaten wil, ze haat, er over treurt, en er onder kermt als onder een last, Galaten 5:17. Het vlees begeert tegen den geest, en de geest tegen het vlees, en deze staan tegenover elkaar, alzo dat gij niet doet hetgeen gij wilde. Deze zijn, naar mijne mening, de waarheden, waarop de apostel hier de aandacht vestigt. En zijn voornemen is verder de natuur van de heiligmaking te schetsen, dat zij geen volkomen zondeloosheid in dit leven doet bereiken, en ons daardoor te verlevendigen en aan te sporen in onze worstelingen met het overgebleven bederf. Ons lot is daardoor niet beslist, datgene waartegen wij oprecht strijden, zal ons niet ten laste gelegd worden, en door genade is de eindelijke overwinning verzekerd. Deze worsteling is gelijk die van Jakob en Ezau in de baarmoeder, van de Kanaänieten en de Israëlieten in het Beloofde land, van het huis van Saul en het huis van David, maar de genade is groot en zal de overhand behouden. Zo opgevat en verstaan, kunnen wij hier opmerken:
1. Waarover hij zich beklaagt: de overblijfselen van het inwonend bederf, waarover hij hier spreekt, om aan te tonen dat de wet ongenoegzaam is zelfs om den wedergeboren mens te rechtvaardigen. De beste der mensen heeft nog genoeg in zich zelven om hem te veroordelen, indien God met hem handelen zou naar de wet, en daarvan heeft niet de wet de schuld, maar onze eigen bedorven natuur, die de wet niet kan volbrengen. De gedurige herhaling van dezelfde dingen in dit betoog bewijst hoe diep Paulus' hart doordrongen was van hetgeen hij schreef, en hoe diep zijn gevoeligheid daarover was. Merk op de bijzonderheden van deze klachten:
A. Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde, vers 14. Hij spreekt van de Corinthiërs als vleselijk, 1 Corinthiërs 3:1. Ook zelfs waar geestelijk leven is, zijn er nog overblijfselen van vleselijke genegenheden, en in zoverre kan iemand gezegd worden te zijn verkocht onder de zonde, hij verkoopt zich zelven niet om godloosheid te plegen, gelijk Achab deed, 1 Koningen 21:25, maar hij werd door Adam verkocht toen deze zondigde en viel, verkocht als een armen slaaf, die den wil zijns meesters moet volbrengen tegen zijn eigen wil in, -verkocht onder de zonde, omdat hij in ongerechtigheid ontvangen en in zonde geboren werd.
B. Hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik, vers 15. En hetzelfde weer, vers 19, 21. Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Zodanig was de kracht van dat bederf, dat hij de volmaking in heiligheid, welke hij begeerde en die hij najaagde, niet bereiken kon. Daarom, terwijl hij voorwaarts streefde naar de volmaking, moest hij voortdurend bekennen dat hij het nog niet gegrepen had en nog niet volmaakt was, Filippenzen 3:12. Tevergeefs wilde hij bevrijd zijn van alle zonden en volkomen de wet van God doen, dat was zijn stellige begeerte, maar zijn bedorven natuur dreef hem een anderen weg op, het was gelijk een belemmering, die hem gestadig neerstootte wanneer hij moeite deed om opwaarts te komen, gelijk een scheefheid in den voet van een fles, waardoor deze gedurig helde wanneer zij rechtop gezet werd.
C. In mij, dat is in mijn vlees, woont geen goed, vers 18. Dat verklaart hij ten opzichte van zijn bedorven natuur, welke hij zijn vlees noemt, en waarvan op zich zelve geen goeds te verwachten is, niet meer dan dat men verwachten kon dat er goed koren zou groeien op een rots of in het zand aan den oever der zee. Wat de nieuwe natuur op zich zelve betreft, die kan niet zondigen, 1 Johannes 3:9, evenmin als het vlees, de oude natuur, op zich zelve, iets goeds kan verrichten. Hoe zou zij kunnen? Want het vlees dient de wet der zonde, vers 25, het is onder de leiding en de heerschappij der zonde, en daarom is het duidelijk dat het geen goed doen kan. De verdorven natuur wordt ook op andere plaatsen vlees genoemd, Genesis 6:3, Johannes 3:6, en ofschoon er veel goeds wonen kan in hen die dit vlees hebben, toch is dat vlees op zich zelve zonder enig goeds en niet bekwaam tot enig goed.
D. Ik zie een andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, vers 23. De bedorven en zondige geneigdheid wordt hier vergeleken bij een wet, omdat zij hem hinderde en tegenstond in zijn goede bewegingen. Zij wordt gezegd te zetelen in zijne leden, omdat, nu Christus Zijn troon had opgericht in zijn hart en alleen de oproerige leden van zijn lichaam de werktuigen der zonde waren, in de zinnelijke lusten. Ook kan het meer in het algemeen verstaan worden van de gehele bedorven natuur, welke de zetel is niet alleen van de zinnelijke, maar ook van de meer- verfijnde begeerlijkheden. Deze voert strijd tegen de wet des gemoeds, tegen de nieuwe natuur, zij drijft den tegenovergestelden weg op, jaagt een tegenovergesteld belang na, waarvan de bedorven gesteldheid en neigingen een grote last en droefheid voor de ziel zijn zowel als haar zwaarste beproeving en slavernij. Zij neemt mij gevangen, vers 25. Met het vlees dien ik de wet der zonde, dat is, de bedorven natuur, het onwedergeboren deel, werkt gedurig in het belang der zonde.
E. Zijn algemene klacht, vers 24. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods! De zaak waarover hij zich beklaagt is het lichaam dezes doods, dat kan zien op het lichaam des vlezes hetwelk een sterflijk en stervend lichaam is, (zolang wij dit lichaam met ons omdragen zullen wij door het bederf verontrust worden en wanneer wij gestorven zijn-niet vroeger-zullen wij van de zonde bevrijd zijn), maar het kan ook verstaan worden van het lichaam der zonde, den ouden mens, de bedorven natuur, welke leidt tot den dood, dat is tot de verwoesting der ziel. Maar het kan ook genomen worden als een vergelijking met een dood lichaam, waarvan volgens de wet de aanraking verontreinigde. Zo. zijn de daadwerkelijke overtredingen dode werken, Heb. 9:14, en is de natuurlijke verdorvenheid een dood lichaam. Het was zo moeilijk voor Paulus, alsof hij geketend ware geweest aan een lijk, dat hij overal waar hij ging moest medevoeren. Dat deed hem uitroepen: Ik ellendig mens! De man, die geleerd had in alle omstandigheden tevreden te zijn, beklaagt zich aldus over zijn bedorven natuur. Indien wij geroepen waren over Paulus te oordelen, zouden wij gezegd hebben: Gezegende Paulus, gezant van Christus, gunsteling des hemels, geestelijke vader van duizenden! Maar in zijn eigen schatting was hij een ellendig mens, vanwege de bedorvenheid zijner natuur, omdat hij niet zo goed was als hij zijn wilde, omdat hij het nog niet gegrepen had en nog niet volmaakt was. Over deze ellende beklaagt hij zich: Wie zal mij verlossen! Hij spreekt als iemand die er ziek van is, die alles zou geven om er van bevrijd te worden, die ter rechterhand ziet en ter linkerhand zoekt naar een vriend, die hem van deze verdorvenheid verlossen kan. De overblijfselen van inwonende zonde zijn een vreeslijke last voor een begenadigde ziel.
2. Waarmee hij zich zelven troost. Het geval was bedroevend, maar er was hulp. Drie dingen vertroostten hem:
A. Zijn geweten getuigde dat er desniettegenstaande een goed beginsel in hem was, dat regeerde en overwon. De zaak staat goed wanneer in een ziel niet alles dezelfden weg gaat. De regel van dit goede beginsel, dat hij had, was de wet van God, over welke hij hier spreekt in drieërlei opzicht, zoals zij gevonden wordt zeker in allen die geheiligd zijn en in geen anderen.
a. Ik stem de wet toe dat zij goed is, vers 16. Ik geef mijn instemming aan de wet, sumphêmi, hier is de toestemming van het verstandelijk oordeel. Waar genade gevonden wordt, daar is niet alleen vrees voor de gestrengheid der wet, maar ook toestemming dat zij goed is. Zij is goed in zich zelve en zij is goed voor mij. Dit is een teken dat de wet geschreven is in het hart, dat de ziel in haar vorm gegoten is. Toestemmen dat de wet goed is, betekent haar goed te keuren zodat men haar inhoud niet anders wensen zou. Het geheiligd verstand erkent niet alleen de billijkheid van de wet, maar ook haar voortreffelijkheid, omdat het overtuigd is dat gelijkvormigheid aan de wet de hoogste volmaking van de menselijke natuur is, en de hoogste eer en gelukzaligheid waarvoor wij vatbaar zijn.
b. Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mens, vers 22. Zijn geweten geeft hem getuigenis van zijne instemming met de wet Gods. Hij verblijdt zich niet enkel in de beloften van het woord, maar ook in de bevelen en in de verboden van het woord, sunê domai betekent een voldoening-gevende blijdschap. Daarin ging hij samen in toegenegenheid met alle heiligen. Allen die waarlijk wedergeboren zijn hebben oprecht vermaak in de wet Gods, vermaak om haar te kennen zowel als om haar te volbrengen, zij onderwerpen zich gaarne aan haar gezag, wensen dat die onderwerping eenswillendheid zij, en zijn niet beter voldaan dan wanneer hun hart en leven geheel in overeenstemming zijn met de wet en den wil van God. Naar den inwendigen mens, dat is: Ten eerste. De ziel of de redelijke vermogens, in tegenstelling met de zinnelijke lusten en begeerten van het vlees. De ziel is de inwendige mens en de zetel van genadevolle blijdschap, die derhalve oprecht en ernstig, maar verborgen, zijn, dat is de vernieuwing van den inwendigen mens, 2 Corinthiërs 4:16.
Ten tweede. De nieuwe natuur. De nieuwe mens wordt genoemd den inwendigen mens, Efeziërs 3:16, den verborgen mens des harten, 1 Petrus 3:4. Paulus, voorzover als hij geheiligd was, had een vermaak in de wet Gods.
c. Hijzelf diende met het gemoed de wet Gods, vers 26. Het is niet genoeg de wet toe te stemmen, in de wet vermaak te hebben, wij moeten de wet dienen. Onze ziel moet aan haar geheel en al overgegeven zijn in gehoorzaamheid. Zo was het met het gemoed van Paulus, zo staat het met elk vernieuwd gemoed, dat is de gewone loop der zaak, hiernaar gaat de begeerte der ziel uit. Ik zelf, autos ego. Dat toont duidelijk dat hij hier spreekt van zichzelf en niet van een ander.
B. Dat de schuld lag bij die verdorvenheid van zijn natuur, welke hij oprecht betreurde en waartegen hij worstelde. Ik dan doe datzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. Dat zegt hij tweemaal, vers 17, 20, niet als een verontschuldiging voor de schuld van zijn zonde (indien wij onder de wet waren, zou het genoeg zijn om ons te veroordelen dat de in ons wonende zonde het kwaad bedrijft), maar als een staving voor zijn bewijsvoeringen, opdat hij niet in wanhoop zou wegzinken, maar troost putten uit het verbond der genade, dat de bereidwilligheid van den geest aanneemt en voorzien heeft in vergeving voor de zwakheid des vlezes. Hij tekent hierdoor gelijktijdig verzet aan tegen al hetgeen de inwonende zonde voortbrengt. Na zijne instemming met de wet Gods betuigd te hebben, belijdt hij hier zijn afkeer van de wet der zonde. Ik ben het niet, ik ontken de daad, zij is tegen mijn zin in bedreven. Wanneer in een vergadering de meerderheid ongelijk heeft en alles in den verkeerden weg stuurt, maar de partij, die het recht aan hare zijde heeft, daartegen strijdt, hetgeen geschied is betreurt en haar verzet er tegen aantekent, dan is zij het niet meer die het gedaan heeft. Dat in mij woont, gelijk de Kanaänieten onder de Israëlieten, ofschoon zij onder cijns gebracht waren, zo woont in mij, en zal zolang ik leef in mij wonen, het kwade.
C. Zijn grote vertroosting, die in Christus Jezus weggelegd is, vers 25. Ik dank God, door Christus Jezus onzen Heere. In het midden van zijn beklag barst hij los in juichtonen. Dikwijls tot lofverheffing over te gaan is een goed middel tegen vrees en bezorgdheid, menige arme ziel, die in treurigheid neerzat, heeft dat ondervonden. En in al onze verheerlijking moet dit het middelpunt zijn: Gezegend zij God voor Jezus Christus! Wie zal mij verlossen! had hij uitgeroepen als iemand die geen raad of hulp meer wist. Ten laatste vindt hij een algenoegzamen vriend: Jezus Christus. Wanneer wij gebukt gaan onder het gevoel van de overgebleven macht van zonde en verdorvenheid, zullen wij reden vinden om God te danken door Jezus Christus, Hij is het die staat tussen ons en den toorn, dien wij door onze zonden verdiend hebben. Indien het niet ware door Christus, dan zou de in ons wonende ongerechtigheid ons zeker te gronde richten. Hij is onze voorspraak bij den Vader, en door Hem heeft God medelijden, spaart en vergeeft Hij ons en legt ons onze ongerechtigheden niet ten laste. Christus Jezus heeft te Zijner tijd voor ons verlossing verworven. Door Christus zal de dood een einde maken aan al deze klachten en ons leiden in een eeuwigheid, die wij zullen doorbrengen zonder enige zonde of klacht. Gezegend zij God, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus!