Psalm 3:1-4
Het opschrift van deze psalm, en van vele andere, is als een sleutel, gereed bij de deur opgehangen, om haar te openen en ons in te leiden tot hetgeen hij ons heeft aan te bieden. Als wij weten bij welke gelegenheid de psalm gedicht werd, dan weten wij hem zoveel te beter te verklaren. Deze werd gedicht, of tenminste het onderwerp ervan in Davids hart overdacht en Gode aangeboden, toen hij vlood voor zijn zoon Absalom, die een samenzwering tegen hem gemaakt heeft, ten doel hebbende, niet alleen om hem zijn kroon, maar ook zijn leven te ontnemen, wij hebben de geschiedenis ervan in 2 Samuël 15 en verv.
1. David was nu in grote smart, toen hij in zijn vlucht opging op de Olijfberg, weende hij grotelijks, zijn hoofd was bewonden, en hij ging barrevoets, en toch heeft hij toen die troostrijke psalm gedicht. Hij weende en bad, weende en zong, weende en geloofde, dit was een zaaien met tranen. Is iemand in beproeving, in lijden? Dat hij bidde, ja, dat hij psalmzinge, dat hij deze psalm zinge. Is iemand in smart over ongehoorzame kinderen? David was het, en toch heeft dit zijn blijdschap in God niet verstoord, noch hem ontstemd om heilige liederen te zingen.
2. Hij was nu in groot gevaar, het komplot tegen hem was met grote list beraamd, de partij, die zijn verderf zocht, was zeer machtig, en zijn eigen zoon was aan het hoofd erven, zodat hij zich in de uiterste nood bevond en toch hield hij toen vast aan zijn deel in God, en maakte er gebruik van. Gevaar en angsten moeten ons heendrijven tot God, maar ons niet van Hem wegdrijven.
3. Er werd hem nu veel smart, veel smaadheid aangedaan door hen, van wie hij reden had betere dingen te verwachten, van zijn zoon, voor wie hij zo toegevend is geweest, van zijn onderdanen, die hij zo grotelijks tot zegen is geweest, het kon niet anders of hij moest dit zeer euvel opnemen, en het was genoeg om ieders gemoed te verbitteren en in toorn te doen opbruisen, en toch was hij zo verre van zich toe te geven in onbetamelijke uitdrukkingen van toorn en hartstocht, dat hij kalmte genoeg had voor deze handelingen van de Godsvrucht, die de grootste vastheid en vrijheid van gedachten vereisen. De kalmte van zijn gemoed werd aangetoond door dat de Geest op hem kwam, want de Geest verkiest het om over stille wateren te zweven. Laat geen onvriendelijkheid, zelfs niet van een kind of van een vriend, zo ter harte genomen worden, dat zij ons ongeschikt maakt voor gemeenschapsoefening met God.
4. Hij leed nu om zijn zonde in de zaak van Uria. Dit was het kwaad, hetwelk God om die zonde dreigde over hem te zullen verwekken uit zijn huis, 2 Samuël 12:11, hetgeen hij ongetwijfeld bemerkte en waaruit hij aanleiding nam om zijn berouw er over te vernieuwen. Maar daarom heeft hij toch zijn vertrouwen in de Goddelijke macht en goedheid niet weggeworpen en aan Zijn hulp niet gewanhoopt. Zelfs onze smart over de zonde moet noch onze blijdschap in God, noch onze hoop op God in de weg staan.
5:Het scheen lafhartig in hem om te vluchten voor Absalom en zijn koninklijke stad te verlaten, eer er nog een aanval op Jeruzalem gedaan was, maar uit deze psalm blijkt dat hij vol was van ware moed, voortkomende uit zijn geloof in God. Ware Christelijke kloekmoedigheid bestaat meer in een Godvruchtige gerustheid en kalmte van gemoed, in een geduldig verdragen en een geduldig wachten, dan in vermetele ondernemingen met het zwaard in de vuist. In deze drie verzen wendt hij zich tot God. Tot wie anders zullen wij heengaan als ons iets smart of verschrikt, dan tot Hem? David was nu weg van zijn binnenkamer en van de voorhoven van Gods huis, waar hij placht te bidden, en toch kon hij een open weg vinden naar de hemel. Waar wij ook zijn, overal kunnen wij toegang hebben tot God, kunnen wij tot Hem naderen. Aldus is David op zijn vlucht tot God genaderd:
I. Met een blootlegging van zijn treurige toestand, vers 1, 2. Hij ziet om zich heen, neemt als het ware het kamp van zijn vijanden in ogenschouw, of ontvangt berichten nopens hun voornemens tegen hem, en brengt die tot God, niet tot zijn eigen raadsvergadering. Betreffende zijn vijanden klaagt hij over twee dingen.
1. Dat zij zeer talrijk zijn, O Heere, hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd! Boven wat zij in het eerst waren, en boven hetgeen hij dacht dat zij ooit zouden worden. Absaloms partij is als een sneeuwbal, die in beweging gebracht zijnde verwonderlijk toeneemt. Hij spreekt ervan als iemand, die verdwaald is, en wel mocht het hem verbazen dat een volk, hetwelk hij op zo velerlei wijze aan zich verplicht had, schier algemeen tegen hem opstond, en zich zo'n dwaas lichtzinnig jongeling als Absalom was, ten hoofd zou verkiezen. Hoe onbestendig en bedrieglijk is de menigte! En hoe weinig trouw en standvastigheid is er onder de mensen te vinden! David heeft het hart van zijn onderdanen bezeten, zoveel als ooit een koning het bezeten heeft, en toch had hij het nu plotseling verloren. Gelijk het volk nooit te veel op prinsen moet vertrouwen, Psalm 146:3, zo moeten prinsen niet te veel staat maken op hun invloed op het volk. Christus, de Zone Davids, had vele vijanden, toen een grote menigte kwam om Hem te grijpen, toen het gepeupel riep: "Kruis hem! kruis hem!" Hoe waren zij toen vermenigvuldigd, die Hem benauwden! Zelfs goede mensen moeten het niet vreemd achten als de stroom tegen hen is, en de machten, die hen bedreigen, al meer en meer geducht worden.
2. Dat zij zeer boosaardig waren, zij stonden tegen hem op, zij legden het er op toe hem te benauwen, maar dat was niet alles, zij zeiden van zijn ziel: hij heeft geen heil in God, dat is:
a. Zij gaven een boosaardige, hatelijke verklaring van zijn moeilijkheden, zoals Jobs vrienden van de zijne, tot de gevolgtrekking komende dat, wijl zijn dienaren en onderdanen hem verlieten en hem niet te hulp kwamen, God hem en zijn zaak had verlaten, en hij dus beschouwd moest worden als een geveinsde, een goddeloze.
b. Zij wierpen een blaam op God als onmachtig om hem te hulp te komen, "zijn nood is zo groot, dat God zelf hem niet helpen kan." Het is vreemd dat zo'n groot ongeloof gevonden kan worden, inzonderheid in velen in Israël, om te denken dat enigerlei groep of menigte van mensen te sterk is voor de Almacht om er mee te handelen.
c. Zij poogden zijn vertrouwen op God aan het wankelen te brengen en hem te doen wanhopen aan hulp van Hem. "Zij hebben gezegd tot mijne ziel, zo kan het ook gelezen worden, vergel. Psalm 11:1, 42:11. Dit smartte hem het meest, dat zij zo'n slechte mening van hem koesterden, dat zij het mogelijk achtten hem van dat fundament weg te rukken. De blote verzoeking was hem een doorn in het vlees, ja een zwaard in zijn gebeente. Een kind van God huivert bij de blote gedachte van wanhoop aan heil of hulp in God, niets is zulk een kwelling als dat men tracht te overreden dat er voor hem geen hulp is in God. David komt tot God en zegt Hem wat zijn vijanden van hem zelden, zoals Hizkia Rabsake's Godslasterlijken brief voor de Heere heeft uitgespreid. Zij zeggen: Er is geen hulp voor mij in U, maar als dat zo is, dan ben ik verloren. Zij zeggen tot mijn ziel: Er is geen heil (want aldus is het woord in het oorspronkelijke) voor hem in God, maar, Heere, zeg Gij tot mijn ziel: "Ik ben uw heil," Psalm 35:3, en dat zal mij genoeg zijn en ter bestemder tijd hen tot zwijgen brengen." Aan deze klacht voegt hij een Sela toe, welk woord omstreeks zeventig maal in het boek van de psalmen voorkomt. Sommigen verwijzen dit naar de muziek, waarmee in Davids tijd de psalmen gezongen werden, anderen naar de zin, daar zij menen dat het een teken is om een plechtige pauze aan te duiden. Sela, let hier op, of -houdt hier op, en denkt een weinig na." Zij zeggen: er is geen heil voor hem in God, Sela. "Neemt een ogenblik tijd om hierover na te denken. "Ga weg achter mij, Satan. De Heere bestrafte u!" Weg met zo'n snood, laag denkbeeld!"
II. Met een belijdenis van zijn nederig vertrouwen op God, vers 4. Een werkzaam gelovige zal, hoe meer hij hetzij door de bestraffingen van de voorzienigheid, of de smaad en de verwijtingen van de vijanden, terug wordt gedreven van God, zoveel vaster Hem aangrijpen, zoals David hier, toen zijn vijanden zeiden: Er is geen hulp voor hem in God, riep hij met zoveel sterker verzekerdheid: "Maar Gij, Heere, zijt een schild voor mij, zij mogen zeggen wat zij willen, ik ben er zeker van dat Gij mij nooit zult verlaten, en ik ben vast besloten om U nooit te mistrouwen." Zie wat God is voor Zijn volk, wat Hij zijn zal, wat zij Hem bevonden hebben te zijn, wat David in Hem gevonden heeft.
1. Veiligheid, "Gij zijt een schild voor mij, een schild rondom mij," zoals sommigen het woord vertalen, "om mij te beveiligen naar alle zijden, daar mijn vijanden mij van alle kanten omringen." Niet alleen mijn schild,, hetgeen een delen in de Goddelijke bescherming aanduidt, maar een schild voor mij, dat het tegenwoordige voordeel dier bescherming te kennen geeft.
2. Eer. Gij zijt mijn eer. Zij, die door God als de Zijnen worden erkend, zijn niet slechts veilig en gerust, maar hebben werkelijk een groot aanzien, er is ware eer op hen gelegd, verre boven die, waarop de groten van de aarde zich zo verhovaardigen. David was nu in schande en versmaadheid, de kroon was hem van het hoofd gevallen, maar hij zal er niet te erger van zichzelf om denken, daar hij toch God voor zijn eer heeft, Jesaja 60:19. "Gij zijt mijn eer, Uw eer acht ik voor de mijne," - aldus sommigen, "dat is het, wat ik op het oog heb, daarnaar gaat mijn eerzucht uit, wat verder ook mijn lot moge wezen, en wat er ook van mijn eer moge worden dat ik mijn God tot een naam en een lof moge zijn."
3. Blijdschap en uitredding, Gij zijt het die mijn hoofd opheft, Gij zult mijn hoofd opheffen uit mijn benauwdheden, en mij ter bestemder tijd wederom herstellen in mijne waardigheid, of tenminste mijn hoofd opheffen onder mijn benauwdheden, zodat ik niet zal bezwijken, niet ontmoedigd zal zijn." Als Gods kinderen ook in de slechtste tijden hun hoofd kunnen opheffen met blijdschap, wetende dat hun alles zal medewerken ten goede, dan zullen zij erkennen dat het God is, die hun hoofd opheft, en dat geeft hun beide reden en een hulp om zich te verblijden.
Bij het zingen en biddend overdenken hiervan moeten wij ons bewust zijn van het gevaar, waarin wij ons bevinden van de menigte en de boosaardigheid van onze geestelijke vijanden, die het toeleggen op het verderf van onze ziel door ons van God weg te drijven, en in zorg zijn over de benauwdheid en het gevaar van de kerk Gods, waar overal tegen gesproken en tegen gestreden wordt, maar ten opzichte van beide moeten wij ons bemoedigen in God, die Zijn eigen belangen beide in de wereld en in de harten van Zijn volk zal beschermen en ter bestemder tijd ook zal kronen.