1 Thessalonicenzen 5:1-5
In deze woorden letten wij op:
I. De apostel zegt den Thessalonicenzen, dat het onnodig en nutteloos is onderzoek in te stellen naar den juisten tijd van Christus' wederkomst. Van de tijden en gelegenheden, broeders, hebt gij niet van node, dat men u schrijve, vers 1. Het is zeker dat Christus wederkomt, en de tijd daarvoor is vastgesteld, maar er was geen noodzaak dat de apostel daarover schreef, en daarom was hem dienaangaande geen openbaring gegeven. Ook moeten wij, zomin als hij, onderzoek instellen naar deze tijdsbepaling, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. Van dien dag en die ure weet niemand. Christus zelf openbaarde dat niet toen Hij op aarde was, dat behoorde niet tot Zijne roeping als de grote profeet van de gemeente, ook openbaarde hij het niet aan Zijne apostelen, want er bestond geen noodzaak toe. Er zijn tijden en gelegenheden voor ons, om daarin ons werk te doen, het is onze plicht en ons belang die te kennen en waar te nemen, maar wij weten niet den tijd en de gelegenheid, waarop wij rekenschap afleggen moeten: en het is niet noodzakelijk dat wij die weten. Er zijn vele dingen, welke onze ijdele nieuwsgierigheid verlangt te weten, waarvan in `t geheel geen noodzaak voor ons bestaat, en waarvan de wetenschap ons ook geen goed zou doen.
II. Hij vertelt ons dat de wederkomst van Christus plotseling zal geschieden en voor de meeste mensen een grote verrassing zal zijn, vers 2. En dat is iets wat zij wel zeer goed weten, of behoorden te weten, want onze Heere zelf heeft het ook gezegd: In welke ure gij het niet meent zal de Zoon des mensen komen Mattheus 24:44. Zie ook Markus 13:35, 36.
Zo waakt dan, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde. En zonder twijfel had de apostel hun niet alleen meegedeeld dat Christus wederkomen zal, maar ook dat Zijn wederkomst onverwacht zal zijn, want dat is de bedoeling van Zijn komst als een dief in den nacht, Openbaring 16:15. De dief komt gewoonlijk in het stilste uur van den nacht, wanneer hij het minst verwacht wordt. Zulk een verrassing zal de dag des Heeren zijn, zo plotseling en verrassend zal Zijn verschijning wezen. De wetenschap daarvan kan nuttiger zijn dan de wetenschap van den juisten tijd, want dat kan maken dat wij wakende zijn en op wacht staan, om gereed te zijn wanneer Hij komt.
III. Hij zegt hun hoe verschrikkelijk die wederkomst van Christus zal zijn voor de godlozen, vers 3. Die dag des Heeren zal hun ondergang zijn. De rechtvaardige God zal verderf brengen over Zijne en Zijns volks vijanden, en dit verderf zal algeheel en onherstelbaar zijn.
1. Het zal haastig zijn. Het zal over hen komen en hen overvallen temidden van hun vleselijke gerustheid en vrolijkheid, wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, wanneer zij dromen van voorspoed en zich vermaken met de ijdelheden van hun verbeelding, en hun zinnen en er niet aan denken: -gelijk de barensnood een bevruchte vrouw, op den gezetten tijd misschien, maar altijd onverwacht en zonder dat er veel voor gevreesd wordt.
2. Het zal ene onontkoombare verwoesting zijn. Zij zullen het geenszins ontvlieden, er is geen mogelijkheid om er aan te ontkomen. Geen middel kan uitgevonden worden om de verschrikking en de straf van dien dag te ontsnappen. Er zal geen plaats zijn, waar de werkers der ongerechtigheid zich zullen kunnen verbergen, geen schuilplaats tegen den storm, geen schaduw tegen de hitte, die de godlozen verteren zal.
IV. Hij zegt hun hoe troostvol deze dag voor de rechtvaardigen zijn zal, vers 4, 5. Merk hier op: hun karakter en voorrecht. Zij zijn niet in de duisternis, zij zijn kinderen des lichts. Dat was de gelukkige toestand van de Thessalonicenzen en is het van alle ware Christenen. Zij zijn niet in een toestand van zonde en duisternis als de heidenwereld. Zij waren eertijds duisternis, maar nu zijn zij licht in den Heere. Zij werden begunstigd met de goddelijke openbaring van dingen, die onzichtbaar en eeuwig zijn, met name betreffende de wederkomst van Christus en hare gevolgen. Zij waren kinderen des daags, want de morgenster was over hen opgegaan, ja de Zon der gerechtigheid had hen beschenen met genezing onder hare vleugelen. Zij verkeerden niet langer in de duisternis van het heidendom, noch onder de schaduwen der wet, maar onder het Evangelie, dat het leven en de onverderflijkheid aan het licht bracht, 2 Timotheus 1:10. Hun groot voordeel daardoor: die dag zou hen niet als een dief bevangen, vers 4. Het zou tenminste hun eigen schuld zijn indien zij door dien dag overvallen werden. Zij waren behoorlijk gewaarschuwd en hadden overvloedige hulp verkregen om tegen dien dag te voorzien en te mogen hopen met vertroosting en vertrouwen voor den Zoon des mensen te zullen staan. Het zou zijn een tijd van verkoeling (van verfrissing) voor het aangezicht des Heeren, waarin zij, die Hem verwachten zonder zonden, zullen openbaar worden tot zaligheid. En die zal dus tot hen komen als een vriend bij dag en niet als een dief in den nacht.