Openbaring 18:1-8
De val en verwoesting van Babylon zijn een gebeurtenis, zo ten volle in Gods raad besloten en van zo grote gevolgen voor Zijn belangen en heerlijkheid, dat de desbetreffende gezichten en voorzeggingen herhaald worden.
1. Hier wordt een andere engel van den hemel gezonden, bekleed met grote macht en heerlijkheid, vers 1. Hij had niet alleen licht in zich zelven, om de waarachtigheid van zijn eigen voorzegging te onderscheiden, maar ook om aangaande die grote gebeurtenis de wereld in te lichten en voor te lichten, en niet alleen licht om te onderscheiden, maar ook kracht om uit te voeren.
2. Deze engel kondigt den val van Babylon aan als iets, dat alreeds geschied is, en hij doet dit met een machtige, sterke stem, opdat allen zijn geroep kunnen horen en zien mogen hoe aangenaam het den engel was, dat hij deze tijding brengen mocht. Hier schijnt een zinspeling te zijn op de voorzegging van den val van het heidense Babylon, Jesaja 21:9, waar dat woord evenals hier herhaald wordt: "Zij is gevallen! zij is gevallen! Sommigen menen dat hierdoor een dubbele val bedoeld wordt, eerst haar afval en daarna haar ondergang, en zij geloven dat de onmiddellijk- volgende woorden hun zienswijze begunstigen. Zij is geworden ene woonstede der duivelen en ene bewaarplaats van alle onreine geesten, en ene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte, vers 2. Maar ook deze woorden zijn ontleend aan Jesaja 21:9, en schijnen niet zozeer betrekking te hebben op haar zonden van het dienen van afgoden, die terecht duivelen genoemd worden, dan wel op haar straf. Het is algemeen bekend dat onreine geesten, evenals onrein en hatelijk gevogelte, gaarne samentrekken in een stad of een huis, die in puin gevallen zijn.
3. De redenen van haar verwoesting worden kenbaar gemaakt, vers 3. Alhoewel God nooit verplicht is rekenschap van Zijn daden te geven, behaagt het Hem toch dat te doen, voornamelijk wanneer het beschikkingen van Zijne voorzienigheid zijn zo ontzagwekkend en vreeslijk als deze. De goddeloosheid van Babylon was zeer groot geweest, want niet alleen had zij zelf den waren God verzaakt en afgoden opgericht, maar zij had ook met grote kunst en veel listigheid alle soorten van mensen in haar geestelijke hoererij medegetrokken, en door haar rijkdommen en weelde hen aan haar belangen verbonden.
4. Duidelijke waarschuwing wordt gegeven aan allen, die de barmhartigheid Gods mogen verwachten, om niet alleen van haar uit te gaan, maar mede te helpen aan haar verwoesting, vers 4 :
5. Merk hier op:
A. God kan de Zijnen hebben ook zelfs in Babylon, sommigen kunnen daar zijn, die door genade uitverkoren werden.
B. Gods volk zal geroepen, en daadwerkelijk geroepen, worden uit Babylon.
C. Zij, die besloten hebben met de goddelozen te delen in hun vermaken, moeten ook hun plagen ondergaan. D. Wanneer de zonden van een volk ten hemel opklimmen, zal de wraak van God op de aarde nederdalen.
E. Ofschoon het wreken van zich zelven verboden is, wil God dat Zijn volk onder Hem handelen zal in het neerwerpen van Zijn verharde en onverzoenlijke vijanden.
F. God zal de verhouding van de straffen der zondaren afmeten naar de hoegrootheid van hun goddeloosheid, hoogmoed en valse gerustheid, vers 7.
G. Wanneer de verwoesting plotseling een volk overvalt, is het onverwachte een grote vermeerdering van de ellende, vers 8.