Jesaja 47:7-15
Babylon, nu tot verwoesting veroordeeld, wordt hier rechtvaardig betreft om haar hoogmoed, weelde en gerustheid in haar dagen van voorspoed, en om het vertrouwen dat zij stelde in haar eigen wijsheid en voorziendheid, en voornamelijk in de voorspellingen en raadgevingen van haar sterrenwichelaars. En deze dingen worden vermeld zowel om God te rechtvaardigen in het brengen van deze oordelen over haar, als om haar te vernederen en door deze oordelen zoveel groter schande over haar te brengen. Want wanneer God komt om wraak te nemen, komt Hem de heerlijkheid toe en de zondaar de schaamte.
I. De Babyloniërs wordt hier hun trotsheid en hooghartigheid verweten, en de verbazend hoge dunk, die zij van zichzelf hadden, ter wille van hun rijkdom en macht en de uitgestrektheid van hun gebied. Het was zowel de taal van de regering als van het gehele volk. Gij zeidet in uw hart (en God die de harten doorzoekt kan zeggen wat de taal des harten is, al spreekt de mens die nooit uit): "Ik ben het en niemand meer dan ik, vers 8, en nog eens, vers 10. De herhaling van dit deel van de beschuldiging toont aan dat zij dit dikwijls zeiden en dat het zeer beledigend was voor God. Het is hetzelfde wat God dikwijls van zichzelf zegt: "Ik ben het en niemand meer", wanneer Hij spreekt van Zijn zelfstandig bestaan, Zijn oneindige en onvergelijkelijke volmaaktheden en Zijn volstrekte opperheerschappij. En op dit alles maakte nu Babel aanspraak. Geen wonder dat zij, die zich aanmatigde te beslissen welke goden en godinnen alle volken aanbidden moesten, zichzelf onder deze ook een plaasts gaf. Het is aanmatiging van enig schepsel te zeggen dat het in zichzelf bestaat, dat het geen gelijke heeft, dat er niemand en niets anders is, want alle schepselen staan tamelijk wel op dezelfde hoogte. Maar het is onverdraaglijke verwaandheid dat van zichzelf te zeggen, en een bewijs van de diepste onwetendheid.
II. Hun wordt hun weelde en liefde voor gemak geweten, vers 8. Gij weelderige, die zo zeker woont. Gij zijt de slavin van de weelde, in haar zijt gij in uw element, als gij maar ongestoord en onafgebroken rijkdom en gemak moogt genieten, zijt gij zorgeloos en neemt niet anders ter harte. Grote rijkdom overvloed is een sterke verzoeking tot werkelijkheid, en waar overvloed van brood is, daar is gewoonlijk ook overvloed van ledigheid. Zij, die overgegeven zijn aan vermaken en zeker wonen, behoren er naar te luisteren, dat God hen om al deze dingen zal brengen in het gericht, dat zou een neerslag op hun vreugde en een bijsmaak voor hun genoegens zijn, en hen iets doen vinden waarvoor zij zorgdragen moesten.
III. Hun vleselijke gerustheid wordt hun verweten, hun vals vertrouwen op de bestendigheid van hun pracht en vermaken. Daar wordt hier sterk nadruk op gelegd.
A. De oorzaak van hun gerustheid. Zij achtten zichzelf veilig en buiten gevaar, niet omdat zij onwetend waren omtrent de onzekerheid van alle aardse genoegens, en het onvermijdelijke lot van alle staten en koninkrijken zowel als van bijzondere personen, maar omdat zij die dingen niet in hun hart genomen hadden, daar nooit enige toepassing op zichzelf van maakten en er nooit hun aandacht aan wijdden. Zij wiegden zichzelf in slaap in gemak en vermaak, en droomden van niets anders dan, morgen zal het zijn als heden, ja nog overvloediger. Zij dachten niet aan het einde, niet aan het einde van hun voorspoed, die een ras verwelkende bloem was, niet aan het einde van hun zonden, dat enkel bitterheid zijn zal wanneer de dag komt dat hun onrechtvaardigheid en onderdrukking in rekening gebracht en gestraft zal worden. Zij dachten niet aan haar einde, zo lezen sommigen het, zij vergat dat haar dag om te vallen zou komen en wat dan haar einde zou zijn. Dat was de ondergang van Jeruzalem Klaagliederen 1:9. Zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald, en het was Babels ondergang evenzeer. Daarom zijn de kinderen van de mensen gerust, en denken zich in hun zondige wegen veilig, omdat zij nooit denken aan dood, oordeel en toekomstigen staat.
B. De grond van hun gerustheid. Zij vertrouwden op hun boosheid en op hun wijsheid.
a. Hun macht en rijkdom, die zij door bedrog en onderdrukking hadden verworven waren hun vertrouwen. Als Doëg vertrouwden zij op hun boosheid. Menigeen heeft op die wijze zijn geweten verkracht, en zich in zo'n diepte van goddeloosheid gestort dat hij voor niets meer terugdeinsde, zij vertrouwen zich uit hun moeilijkheden te zullen redden door daden, die een man met nauwgezet geweten niet durft zeggen of doen. Zij twijfelen er niet aan of zij zullen al hun vijanden de baas zijn, omdat zij durven liegen en doden en vals zweren en alles doen wat zij in hun belang achten. Zo vertrouwen zij op hun goddeloosheid om hen te beschermen, en toch zal die het enige zijn dat hen zal verwoesten.
b. Hun geslepenheid en valsheid, die zij hun wijsheid noemen was hun vertrouwen. Zij dachten dat zij alle mensen te slim waren en daarom al hun vijanden konden minachten, maar hun wijsheid en wetenschap hebben hen afkerig gemaakt (of hen van de weg afgeleid) en gemaakt dat zij zichzelf vergaten en er niet aan dachten om de nodige maatregelen voor de toekomst te nemen.
C. De uitdrukking van hun gerustheid. Drie dingen heeft deze hoogmoedige en hooghartige monarchie in haar gerustheid gezegd:
a. Ik zal koningin zijn in eeuwigheid. Zij meende dat haar heerlijkheid zou duren, niet zolang het de Souvereinen Heere, de fontein van alle heerlijkheid behaagde, of zolang zij zich waardig gedroeg, maar voor altijd van het tegenwoordige geslacht tot de laatste erfgenamen en opvolgers. Zij is er niet alleen trots op dat ze koningin is, maar waant zich koningin tot in eeuwigheid. Evenzo zegt Babylon in het Nieuwe Testament: "Ik troon als een koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien" Openbaring 18:7. Deze vrouwen misleiden zichzelve en denken niet aan haar einde, die menen dat zij altijd dames zullen blijven, want binnen kort zal de dood al haar heerlijkheid in het stof doen dalen. Heiligen zullen altijd heiligen blijven maar heren en dames zijn het niet voor altijd.
b. Ik zal niet als weduwe zitten, in eenzaamheid en droefenis, ik zal nooit de machten de rijkdom verliezen, waarmee ik als `t ware gehuwd ben, nooit zal het rijk een monarch ontberen om het te trouwen en te beschermen, en als een vader voor de staat te zijn. Nooit zal ik het verlies van kinderen kennen, ze was zo zeker van het gestadig toenemen harer bevolking en van de waardigheid harer vorsten, dat zij geen vrees had van ook regeringsloos of ontvolkt te worden. Zij, die op het toppunt van voorspoed staan, gaan zich licht verbeelden dat zij buiten het bereik van tegenspoed zijn.
c. Niemand ziet mij wanneer ik iets verkeerds doe, en daarom zal niemand rekenschap van mij afeisen. Zondaren zijn zeer gewoon zich straffeloosheid te beloven, omdat zij zorgen hun goddeloze wegen in het geheim te bewandelen. Zij vertrouwen op hun boze kunsten en plannen om hen staande te houden omdat zij menen die zo goed te hebben uitgevoerd, dat niemand er de goddeloosheid en bedriegelijkheid van ontdekken kan. D. De straf voor hun gerustheid. Zij zal hun ondergang zijn, en zij zal zijn:
a. een algehele verwoesting, de vernietiging van al hun steun en vertrouwen. Deze beide dingen zullen u overkomen, juist de twee dingen die gij onmogelijk geacht hebt: verlies van kinderen en weduwschap. Zowel uw vorsten als uw volk zullen afgesneden worden, er zal geen regering meer zijn en geen natie. God brengt over geruste zondaren dikwijls juist die ongelukken welke zij het minste vreesden en waarvan zij geen gevaar vermoedden. Zij zullen in alle volkomenheid over hen komen, onder allerlei verzwarende omstandigheden, en zonder iets dat ze kan verdagen of verzachten. De droefenissen van Gods kinderen zijn niet enkel droefenis. Weduwschap is voor hen geen onheil zonder enige verzachting, want zij kunnen zich troosten met de wetenschap dat hun Maker hun man is. Het verlies van kinderen is het niet, want Hij is hun beter dan tien zonen. Maar over hun vijanden komen die onheilen in volle mate. Weduwschap en kinderloosheid zijn zware rampen ieder op zichzelf, maar beide tegelijk zijn eerst recht zwaar. Naomi zegt dat men haar Mara moet noemen, want zij is "achtergebleven zonder haar man en na haar zonen," Ruth 1:5, en toch overvielen haar die beide rampen niet in volle zwaarte want zij hield nog twee schoondochters over om haar te vertroosten. Maar over Babel komen zij ten volle, haar bleef geen troost over.
b. Het is een plotselinge en verrassende verwoesting. Het kwaad zal komen op een dag, ja, in een ogenblik, en daardoor zoveel verschrikkelijker zijn, voornamelijk voor hen die zo gerust zijn. Een kwaad zal over hen komen, en gij zult zo min de tijd als de middelen hebben om er tegen te voorzien of er u op voor te bereiden, want gij zult er de dageraad niet van weten, en daarom zult gij niet weten wanneer gij op uw hoede moet zijn. Gij zult er de morgen niet van kennen, lezen sommigen. Wij weten precies wanneer de dag zal aanbreken en de zijn opgaan, maar wij weten niet wat de komende dag zal medebrengen, of wanneer en vanwaar de moeite komen zal, misschien breekt de storm los uit die hemelstreek, vanwaar wij hem het minst verwachtten. Babel beweerde grote wijsheid en kennis te bezitten, maar de gedreigde verwoesting kon zij met al haarwijsheid niet voorzien of met al haar wetenschap voorkomen. De verwoesting zal haastelijk over u komen, gelijk een dief in de nacht, wanneer gij het niet zult weten, dat is, wanneer gij er het minst aan zult denken. Voor deze verwoesting waren zij openlijk gewaarschuwd door deze en door andere profeten des Heeren, maar zij hadden die waarschuwing in de wind geslagen en er geen geloof aan gehecht, en daarom wordt het nu rechtvaardig zo beschikt dat Zij geen nadere aanzegging er van krijgen, maar dat het onheil, gedeeltelijk door hun eigen gerustheid en gedeeltelijk door de geslepenheid en vlugheid hunner vijanden, een volkomen verrassing voor hen zou zijn. Zij, die de waarschuwingen van het geschreven Woord minachten mogen geen andere waarschuwingen verwachten.
c. Het zal een onweerstaanbare verwoesting zijn, zo'n waartegen zij geen middelen hebben. Het onheil zal u zo plotseling overvallen, dat gij er niet aan omkomen kunt, daar zult gij geen tijd voor hebben, zo krachtig dat gij het niet kunt weerstaan of u er tegen beveiligen. Er is geen tegenstand tegen Gods oordelen, wanneer zij losbarsten. Babel zelf met al haar rijkdom, macht en menigte, is niet in staat om het komende onheil af te wenden.
IV. Hun worden hun zwarte kunsten, hun sterrenwichelarij en magische voorspellingen verweten, waarvoor de Chaldeëen boven alle andere volken beroemd waren, en die al de andere volken aan hen ontleend en van hen geleerd hadden.
1. Daarover wordt hier gesproken als een van hun uitdagende zonden, die de oordelen Gods over hen brengen, vers 9. Deze dingen zullen u overkomen om u te straffen voor de veelheid van uw toverijen en de menigte van uw bezweringen. Toverij is een zonde, in haar natuur buitengewoon slecht, zij is aan de duivel de eer geven die God alleen toekomt, Gods vijand onze gids maken, de vader van de leugens ons orakel. In Babel was het een nationale zonde, die onder bescherming en ten dienste van de regering stond, bezweerders en tovenaars waren haar raadgevers en eerste staatsdienaren. En zal God over deze dingen geen bezoeking doen? Er was een menigte, een veelheid van toverijen en bezweringen onder hen, het is zo'n aanlokkende zonde, dat ze, eens toegelaten, als een woest vuur zich verspreidt en men er het eind niet van voorziet, beide, bedriegers en bedrogenen, nemen steeds in aantal toe.
2. Er wordt hier over gesproken als over een van hun valse steunmiddelen, waarop zij zich sterk verlieten, maar waarin zij bedrogen zouden worden, want het zou niet eens nut doen om hun de komende oordelen te voorzeggen, veel minder om hen er voor te vrijwaren.
A. Hun wordt verweten de zware moeite waarmee zij aan hun bezweringen en toverijen gearbeid hebben, gij hebt er in gearbeid van uw jeugd af, zij leidden jonge lieden in deze kunsten op, en zij, die er zich aan wijdden waren onvermoeibaar in die arbeid. Zij lazen boeken, deden waarnemingen, namen proeven, welnu laat hen nu opkomen met hun bezweringen en hun kunst tonen in het gevaarlijke ogenblik. Laat hen, zo mogelijk nu stand houden tegen de invallenden vijand, laat hen nu hun diensten aan het vaderland bewijzen. Wat zal het baten? Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen. Gij hebt allerlei overleggingen gemaakt, maar het heeft u niet geholpen. De verschillende plannen, die uw raadgevers ontworpen hebben, en de onderscheiden adviezen, die zij u gegeven hebben, hebben uw verwarring vermeerderd en u vermoeid in de veelheid van zulke raadgevers is geen heil gelegen.
B. Hun wordt verweten dat zij zo'n grote verscheidenheid van dergelijk volk hebben, vers 13. Zij hadden hun sterrewichelaars die de hemel waarnemen, niet gelijk David om er de wijsheid en de macht Gods in te lezen maar onder voorwendsel van daardoor toekomende dingen te kunnen voorspellen. Zij namen de hemelen waar, maar vergaten Hem, die ze gemaakt heeft en "hun heerschappij over de aarde besteld heeft," Job 38:33, omdat Hij zelf heerschappij over hem heeft, want Hij rijdt op de hemelen. Zij hadden hun sterrenkijkers, die in de bewegingen van de sterren, hun samenvoegingen en onderlinge standen, het lot van staten en koninkrijken zochten te lezen. Zij hadden hun voorzeggers van nieuwe manen, die de kalender vaststelden, die vertelden welk weer het zou zich of wat nieuws er elke maand gebeuren zou. De menigte van al deze kunstenaars bewees hoeveel waarde zij er aan hechtten, maar zij waren allen bedriegers en hun kunst was ijdelheid. Ik beken dat ik niet inzie hoe de sterrenkijkerij, die sommigen in onze tijd beweren machtig te zijn, en bij de regelen waarvan zij voorgeven toekomende dingen te kunnen verkondigen, in enig opzicht verschilt van die van de Chaldeeën, en hoe zij dus zullen ontkomen aan de bestraffing en verachting, welke onze tekst op hen werpt. En toch vrees ik dat velen hun kalenders bestuderen en aan die voorzeggingen meer waarde hechten, dan aan hun Bijbel en de profetieën, welke hij bevat.
C. Hun wordt verweten de volslagen onbekwaamheid en onvoldoendheid van al deze voorgewende geleerden om hun enig nut te doen in de dag van de benauwdheid. Laat hen beproeven of zij door hun betoveringen iets tegen hun vijanden kunnen uitrichten, of zij hun eigen krachten kunnen stalen of hun tegenstanders ontzenuwen wanneer die tegen hen komen, vers 12. Laat hen ondervinden welk nut zij hun kunnen doen, die van godsspraken hun beroep maken, laat hen nu opstaan en door hun macht u redden van de onheilen, die over u komen, of door hun voorziendheid zulke ontdekkingen daarvan maken, dat ge bijtijds de nodige voorzorgen zelf nemen kunt, gelijk Eliza de bewegingen van de legers des konings van Syrië aan de koning van Israël openbaarde, zodat hij zich, "niet eenmaal of tweemaal," maar telkens er voor kon inachtnemen, 2 Koningen 6:10. Deze ontmaskering van de tovenaars werd letterlijk vervuld, want in de nacht, waarin Babel ingenomen werd en Belsasar gedood, was geen van zijn sterrenwichelaars, goochelaars en wijzen in staat om het handschrift aan de muur te lezen, waarin het noodlottig vonnis aangekondigd werd, Daniël 5:8.
D. Hun wordt gezegd dat al die wijzen zelf in de algemene verwoesting zullen delen vers 15. Zij kunnen natuurlijk hun vrienden in geen enkel opzicht van nut zijn, die zichzelf niet bevestigen kunnen, zij zijn op zijn best als stoppelen, waardeloos en nutteloos, en zij zullen zijn als stoppelen voor een verterend vuur. De Perzen zullen de wijzen van Babel uitroeien om plaats te maken voor hun eigen wijzen, dat vuur zal hen verteren en zij zullen zich niet kunnen rukken uit de macht van de vlam. Zij mogen niets anders verwachten dan verteerd te zullen worden, die door hun zonden zichzelf tot een voedsel des vuurs maken. Wanneer God een vuur onder hen ontsteekt, zal het geen vuur zijn om zich er bij te warmen, en geen kool om er bij neer te zitten, maar een vuur om hen te verbranden. Dit zegt dat zij geheel verslonden zullen worden door de oordelen Gods, geheel tot as verbrand, en dat er van hen geen kool zal overblijven daar iemand enig nut van hebben kan, want als God oordeelt zal Hij overwinnen.
E. Ook over hun kooplieden en hen die met hen handelden, zal het oordeel gaan, vers 15, degenen, die met hen handelden van hun jeugd aan.
a. Die met hen handelden door middel van raadpleging, hun sterrenkijkers die in zwarte kunst handelden, en er altijd op gesteld waren om die handel te drijven. Die waren hun voornaamste handelaars, want voorspellen was een van de voordeligste broodwinningen in Babel, en zij die daaraan deden leefden zeer waarschijnlijk op grote voet en verdienden meer dan de rijkste kooplieden. Toch werden sommigen van hen verteerd, anderen vluchtten naar hun land of verscholen zich in hun woning, geen van hen was veilig in Babel. Zij waren allen ellendige vertroosters.
b. Of die met hen handelden als kooplieden. Evenals hun sterrenkijkers hun arbeid zagen mislukken, zo ging het hunnen kooplieden, deze droegen zorg hum eigen bezittingen te redden en bemoeiden zich niet met wat er van Babel terechtkwam. Zij dwaalden elk zijns weegs, ieder zorgde voor zijn eigen veiligheid, geen hunner leende iemand de helpende hand, zelfs niet in een stad waarin daarmee zoveel geld te verdienen was, en waarin zij zoveel verdiend hadden. Elk voor zichzelf, niemand voor zijn vrienden. Het Babylon in het Nieuwe Testament wordt beklaagd door de kooplieden, welke het rijk gemaakt had, zij stonden echter voorzichtig van verre hun jammertonen aan te heffen, Openbaring 18:15, en durfden niets tot haar hulp ondernemen. Zalig zij, die door geloof en gebed in verbintenis staan met Hem, die een hulp is in benauwdheid!