2 Timotheus 4:1-8
Merk op:
I. Hoe dringend deze opdracht wordt ingeleid, vers 1. Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die de levenden en doden zal oordelen in Zijne verschijning en in Zijn koninkrijk. Ook de beste mensen hebben nodig ernstig tot hun plicht vermaand te worden. Het werk van den dienaar is geen onverschillig ding, maar beslist noodzakelijk. Wee over hem indien hij niet het Evangelie verkondigt, 1 Corinthiërs 9:16. Om hem tot getrouwheid op te wekken, moet hij aanmerken:
1. Dat de ogen van God en van Jezus Christus op hem zijn: Ik betuig u voor God en den Heere Jezus Christus, dat is: als gij prijs stelt op de gunst van God en van Jezus Christus, als gij u bij God en Jezus Christus aangenaam wilt maken door het vervullen uwer verplichtingen, beide van den natuurlijken en den geopenbaarden godsdienst, als gij u dankbaar betonen wilt aan God, die u schiep, en aan Jezus Christus, die u verloste.
2. Hij betuigt hem, dat hij verantwoording doen moet in den groten dag, en herinnert hem aan het komend oordeel, dat den Heere Jezus is opgedragen. Hij zal oordelen de levenden en de doden, in Zijne verschijning en in Zijn koninkrijk, dat is, wanneer Hij verschijnen zal in Zijn koninkrijk. Dit betreft allen' Christenen en dienaren, zij moeten nauwkeurig achtslaan op de rekenschap, die zij binnenkort aan Jezus Christus doen moeten van al de hun toevertrouwde talenten. Christus zal oordelen de levenden en de doden, dat is, hen, die op den jongsten dag levend overgebleven zullen zijn, en hen, die uit het graf ten leven opgewekt zullen worden.
A. De Heere Jezus Christus zal oordelen de levenden en de doden. God heeft al het oordeel den Zoon overgegeven, en Hem aangesteld als Rechter van levenden en doden, Handelingen 10:42.
B. Hij zal verschijnen, Hij zal ten tweeden male komen, en dat zal een luisterrijke verschijning zijn, gelijk het woord epiphaneia aantoont.
C. Dan zal Zijn koninkrijk in heerlijkheid verschijnen. In Zijne verschijning en koninkrijk, want Hij zal dan verschijnen in Zijn koninkrijk, zitten op Zijn troon en de wereld oordelende.
II. Wat is de inhoud van dezen last? vers 2-5. Hij draagt hem op:
1. Predik het woord. Dat is het werk van de dienaren, dat is de bedeling hun toevertrouwd. Zij moeten niet hun eigen inzichten en verbeeldingen prediken, maar het zuivere, eenvoudige woord van God, en zij mogen het niet bederven, maar in oprechtheid, maar als van God, maar als voor Gods aangezicht moeten zij het spreken in Christus, 2 Corinthiërs 2:17.
2. Hij moet het betuigen en met allen ernst zijn hoorders op het hart binden: Houd aan tijdelijk, ontijdelijk, weerleg, bestraf, vermaan, doe dit werk met alle vurigheid des geestes. Roep hen, die u toebetrouwd zijn, op om zich te wachten voor de zonde en hun plicht te doen, roep hen op tot berouw, en geloof, en een heilig leven, en doe dat tijdelijk en ontijdelijk. Tijdelijk, wanneer zij op hun gemak zijn om u te horen, wanneer de een of andere gunstige gelegenheid zich voordoet om tot hen te spreken. Ja, ook ontijdelijk, wanneer er ogenschijnlijk geen gelegenheid is om vat op hen te krijgen, want gij weet niet of dan de Geest Gods beslag op hen legt. De wind blaast waarheen hij wil, zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uwe hand des avonds niet af. Prediker 11:6. Wij moeten het doen tijdelijk, dat is, gene gelegenheid laten voorbijgaan, en ontijdelijk, dat is, onzen plicht niet verzuimen, onder voorwendsel dat het nu niet gelegen is.
3. Hij moet den mensen hun gebreken aantonen. Weerleg, bestraf. Overtuig goddelozen van het kwaad en het gevaar van hun verkeerden weg. Tracht, door rond en open met hen te spreken, hen tot berouw te brengen. Bestraf hen met ernst en gezag, in den naam van Christus, opdat zij uw ongenoegen mogen beschouwen als een openbaring van Gods ongenoegen tegen hen.
4. Hij moet leiden, aanmoedigen en opwekken hen, die betamelijk wandelen. Vermaan hen (moedig hen aan om vol te houden en te volharden tot het einde) met alle lankmoedigheid en leer.
A. Hij moet dat zeer geduldig doen, met alle lankmoedigheid. Indien gij niet onmiddellijk vrucht op uw arbeid ziet, geef het daarom niet op en wees niet verdrietig hen weer aan te spreken. Aangezien God hen met alle lankmoedigheid verdraagt, moeten ook de dienaren hen vermanen met alle lankmoedigheid.
B. Hij moet het doen redelijk, niet hartstochtelijk, maar in alle leer. Dat is: Breng hen tot een goeden wandel door hun goede beginselen in te prenten. Leer hen de waarheid zoals zij in Jezus is, breng hen tot een krachtig geloof in Hem, dat zal het middel zijn om hen van het kwade af te houden zowel als om hen tot het goede te brengen.
a. Het werk van den dienaar heeft verscheidene onderdelen, hij moet het woord prediken, wederleggen, bestraffen en vermanen.
b. Hij moet zeer ijverig en zorgvuldig zijn, hij moet aanhouden tijdelijk en ontijdelijk, hij moet arbeid noch moeite sparen, maar moet altijd gereed zijn om zorg te dragen voor de eeuwige belangen der zielen.
5. Hij moet wakker zijn in alles. Zoek elke gelegenheid om hun een vriendelijkheid te bewijzen, laat door uw verzuim geen gelegenheid verloren gaan. Waak bij uw werk, waak tegen de verzoekingen des Satans, waardoor gij er van afgetrokken zoudt worden, waak over de zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd.
6. Hij moet rekenen op verdrukkingen en die doorstaan, ze zo goed mogelijk verdragen, kakopathêson. Lijd verdrukkingen, wees in verdrukkingen lijdzaam. Word niet ontmoedigd door de verdrukkingen, die over u komen zullen, maar draag ze met gelijkmoedigheid. Gewen u aan ontberingen.
7. Hij moet zijn dienst indachtig zijn en zijn plicht vervullen. Doe het werk van een evangelist. Het werk van een evangelist was, als afgevaardigde van de apostelen, nat te maken wat zij gezaaid hadden. Zij waren geen ge- vestigde herders, maar vertoefden een tijdlang in de gemeenten, die de apostelen gesticht hadden, en gingen die voor, tot er een geregelde dienst was ingesteld. Dat was het werk van Timotheus. 8. Hij moest zijn bediening waarnemen.
Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij. Het was een belangrijke opdracht, die hem gegeven was, en daarom moest hij er aan beantwoorden, en alle delen van zijn dienst met ijver en zorg vervullen.
A. Een dienaar moet verdrukkingen verwachten in de getrouwe vervulling van zijn plichten.
B. Hij moet die lankmoedig verdragen als een Christelijke held.
C. Zij mogen hem niet ontmoedigen in zijn werk, want hij moet zijn werk doen en zijn dienst vervullen.
D. Het beste middel om te maken dat men van zijn dienst ten volle verzekerd is, bestaat in het getrouw volbrengen van al de delen van zijn werk.
III. De redenen, die deze opdracht aandringen.
1. Er zullen waarschijnlijk dwalingen en ketterijen de gemeente binnensluipen, waardoor de zielen van vele belijdende Christenen zullen verdorven worden, vers 3, 4. Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen. Gebruik daarom dezen tijd, terwijl zij haar nog wel verdragen willen. Wees nu ijverig, want het is nu zaaitijd, zwaai de sikkel terwijl de velden wit zijn om te oogsten, want de tegenwoordige gunstige tijd zal spoedig voorbij zijn. Zij zullen de gezonde leer niet verdragen. Er zullen opstaan, die ketelachtig van gehoor zijn en zich zelven leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden. Breng daarom in veiligheid zo velen gij maar kunt, opdat, wanneer deze stormen losbarsten, zij wel gefundeerd mogen zijn en hun afval worde voorkomen. De mensen moeten luisteren en de dienaren moeten prediken, tegen de komende tijden en zich behoeden tegen de ongerechtigheden, die in aantocht zijn, ofschoon ze niet dadelijk verschijnen. Zij zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, zij zullen het moede worden het Evangelie van Christus te horen, en zij zullen gretig fabelen aangrijpen en daar genoegen in vinden, en God zal hen aan die dwalingen overlaten, omdat zij niet de waarheid betracht hebben in liefde, 2 Thessalonicenzen 2:11, 12. Merk hier op:
A. Deze leraars zullen zij zich zelven vergaderen, zij worden niet door God gezonden, zij verkiezen ze om hun begeerten te vervullen en hun oren te strelen.
B. De mensen doen dat wanneer zij de gezonde leer niet kunnen verdragen, de prediking die ontdekkend, eenvoudig en op den man af is, dan geven zij zich zelven leraars.
C. Er is een groot onderscheid tussen het woord Gods en het woord van zulke leraars, het ene is gezonde leer, het woord der waarheid, het andere is enkel fabelen.
D. Zij, die het oor lenen aan fabelen, wenden eerst het oor van de waarheid af, want zij kunnen niet beide tegelijkertijd horen en goedkeuren, niemand kan twee heren dienen. Zij zullen zich keren tot fabelen. God laat rechtvaardig toe dat zij, die de waarheid moede worden, zich keren tot fabelen, en door fabelen van de waarheid afgeleid worden. 2. Paulus heeft het grootste deel van zijn werk verricht. Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij, want ik word nu tot een drankoffer geofferd, vers 6.
A. Daarom zal er des te meer gelegenheid zijn voor u. Wanneer arbeiders uit den wijngaard worden weggeroepen, is het voor de achterblijvenden geen tijd om lui te worden, maar om hun ijver te verdubbelen. Hoe minder handen er voor het werk zijn, des te ijveriger moeten de overgebleven handen zijn.
B. Ik heb het werk van mijn tijd en tijdgenoten gedaan, doe gij nu even ijverig het uwe.
C. De troost en de blijmoedigheid van Paulus, in het vooruitzicht van zijn aanstaande ontbinding, moesten Timotheus aansporen tot den grootst-mogelijken ijver, werkzaamheid en ernst in zijn werk. Paulus was een oud krijgsknecht van Jezus Christus, Timotheus was een nieuw aangeworvene. "Kom", zegt Paulus, "ik heb ondervonden, dat de Meester vriendelijk en de zaak goed is, ik kan met veel genoegen en voldoening op mijn krijgsdienst terugzien, en daarom moet gij niet bevreesd zijn voor de moeilijkheden, waarmee gij te kampen zult hebben. De kroon des levens is voor u zo verzekerd alsof ze reeds op uw hoofd geplaatst was, verdraag daarom verdrukkingen en geef het volle bewijs van uw bediening". De moed en de vertroosting van stervende heiligen en dienaren, en vooral van stervende martelaren, zijn een grote bevestiging van de Christelijke belijdenis, en een grote aanmoediging voor levende heiligen en dienaren in hun werk. Hier ziet de apostel vooruit, naar zijn naderenden dood: Ik word nu geofferd. De Heilige Geest had van stad tot stad getuigd, dat hem banden en verdrukkingen aanstaande waren, Handelingen 20:23. Hij was nu te Rome, en het is waarschijnlijk dat hij bijzondere openbaring van den Heiligen Geest ontvangen had, dat hij daar de waarheid bezegelen zou met zijn bloed. Hij ziet er naar uit als naar iets, dat zeer aanstaande is. Ik ben alrede uitgegoten, zo staat in het oorspronkelijke, êdê spendomai, dat is: ik ben reeds martelaar in toewijding. Hij zinspeelt op het uitstorten van het drankoffer, want het bloed der martelaren, ofschoon het geen offerande ter verzoening was, was een offer van erkentelijkheid ter ere van de genade Gods en van Zijne waarheden. Merk op:
a. Met hoeveel bereidwilligheid hij van zijn sterven spreekt. Hij noemt het zijne ontbinding, ofschoon hij het vooruitzicht had op een bloedigen gewelddadigen dood, noemt hij het zijne ontbinding of vrijlating. De dood van den Christen is zijne vrijlating uit de gevangenschap dezer wereld en zijn afreis naar de genietingen van de andere wereld, hij houdt niet op te bestaan, maar verhuist alleen van de ene wereld naar de andere.
b. Met hoeveel tevredenheid hij terugziet op het leven, dat achter hem ligt, vers 7. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd. Hij vreesde den dood niet, want hij had het getuigenis van zijn geweten, dat hij door de genade Gods in zekere mate beantwoord had aan het doel des levens. Als Christen en als dienaar had hij den goeden strijd gestreden. Hij had den dienst verricht, de moeilijkheden van den krijg doorstaan, en was een werktuig geweest voor glorierijke overwinningen van den verhoogden Zaligmaker over de machten der duisternis. Zijn leven was een loop en die was nu geëindigd. Zijn krijg was uit gestreden, zijn loop was geëindigd. Ik heb het geloof behouden. Ik heb de leer van het Evangelie gehouden en geen enkel deel ervan verlaten. Merk op: Ten eerste. Het leven, van een dienaar vooral, en van iedere Christen is een krijg en een loop, in de Schrift nu eens met het ene en dan met het andere vergeleken. Ten tweede. Het is een goede strijd, de zaak is goed en de overwinning is zeker, zo wij getrouw en moedig volharden. Ten derde. Wij moeten dien goeden strijd strijden, wij moeten hem doorstrijden, wij moeten onzen loop voleinden, wij moeten niet ophouden alvorens wij meer dan overwinnaars zijn door Hem, die ons liefgehad heeft, Romeinen 8:37. Ten vierde. Het is een grote troost voor een stervenden heilige, wanneer hij, terugziende op zijn vorig leven, met den apostel zeggen kan: Ik heb den goeden strijd gestreden, enz. Ik heb het geloof behouden, de leer des geloofs en de genade des geloofs. Welk een troost, welk een onuitsprekelijke troost zal het zijn, wanneer wij aan het einde onzer dagen dat zeggen kunnen! Laat het dan ons gestadig trachten zijn, door de genade Gods, dat wij met blijdschap onzen loop mogen eindigen, Handelingen 20:24.
c. Met hoeveel blijdschap ziet hij vooruit! Naar het volgende leven, vers 8. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid. Hij had verloren voor Christus, maar hij was er zeker van, dat hij niet door Hem verliezen zou, Filippenzen 3:8. Dat moest Timotheus bemoedigen om als een goed krijgsknecht van Jezus Christus alle moeiten te doorstaan, dat er een kroon voor ons weggelegd is, de heerlijkheid en de vreugde, die overvloedig alle moeiten en gevaren van den tegenwoordigen krijg zullen belonen. Zij wordt genoemd een kroon der rechtvaardigheid, want zij zal onze diensten belonen, en God is niet onrechtvaardig, dat Hij die zou vergeten. Onze heiligheid en rechtvaardigheid zullen daar volmaakt worden en dat zal onze kroon zijn. God zal ons die geven als de rechtvaardige Rechter, die niets over het hoofd ziet. En deze kroon der rechtvaardigheid was niet alleen voor Paulus, alsof zij alleen gegeven zou worden aan de apostelen en aan uitnemende dienaren en martelaren, neen, zij is bestemd voor allen, die Zijne verschijning liefgehad hebben. Een kenmerk van alle heiligen is, dat zij de verschijning van Jezus Christus liefhebben, zij hebben Zijn eerste verschijning liefgehad, toen Hij kwam om de zonde door Zijn zelfs offerande weg te nemen, Hebreeën 9:26, en zij denken daaraan met liefde, -en zij hebben Zijn tweede verschijning op den groten dag lief, verlangen er naar, en voor hen, die de verschijning van Jezus Christus liefgehad hebben, zal Hij verschijnen met blijdschap, en er is een kroon der rechtvaardigheid voor hen bewaard, die hun dan zal gegeven worden, Hebreeën 9:28. Wij leren hier: Ten eerste: De Heere is de rechtvaardige Rechter, want Zijn oordeel is overeenkomstig de waarheid. Ten tweede: De kroon der gelovigen is een kroon der rechtvaardigheid, verworven door de gerechtigheid van Christus en geschonken als beloning voor de rechtvaardigheid der heiligen.
Ten derde: De kroon, die de heiligen zullen dragen, is voor hen weggelegd, zij hebben die thans nog niet, want zij zijn hier erfgenamen, zij bezitten haar nog niet, maar zij zijn er zeker van, want zij is voor hen weggelegd. Ten vierde: De rechtvaardige Rechter zal haar geven aan allen, die Zijne verschijning liefhebben, voorbereiden en er naar verlangen. Ziet, Ik kom haastelijk! Amen, ja kom, Heere Jezus!