1 Petrus 1:24-25
Nadat de apostel een beschrijving heeft gegeven van de uitnemendheid van den vernieuwden geestelijken mens als wedergeboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, laat hij ons nu zien de ijdelheid van den natuurlijken mens, die van al zijn versierselen en voordelen ontblotende. Want alle vlees is als gras en alle heerlijkheid des mensen als een bloem van het gras. En er is niets, dat hem tot een blijvend schepsel maken kan, behalve het wedergeboren worden uit onvergankelijk zaad, het Woord Gods, dat kan hem veranderen in een zeer uitnemend schepsel, welks heerlijkheid niet als een bloem zal verdwijnen, maar blinken als die eens engels. En dit woord wordt u in de prediking des Evangelies dagelijks voorgehouden.
1. De mens, ook in zijn hoogsten bloei en heerlijkheid, is niet meer dan een verwelkend, verdwijnend, stervend schepsel. Op zichzelf is alle vlees als gras. Bij zijn komst in de wereld, in zijn leven en in zijn val, is hij gelijk het gras, Job 14:2, Jesaja 40:6, 7. En in al zijn heerlijkheid is hij niet meer dan een bloem van het gras, zijn wetenschap, schoonheid, kracht, levenslust, overvloed, eer, - alle slechts bloemen in het gras, die spoedig verwelken en wegsterven.
2. De enige wijze om dat wegstervend schepsel duurzaam en onvergankelijk te maken, is hem het Woord Gods te doen aannemen, want dat blijft eeuwig en zal hem zodra hij het aangenomen heeft, het eeuwige leven schenken door eeuwig in hem te blijven.
3. De profeten en de apostelen verkondigden dezelfde leer. Het woord, dat Jesaja en anderen in het Oude Testament brachten, is hetzelfde dat de apostelen predikten in het Nieuwe.