Johannes 7:14-36
Hier is:
I. Christus' openbare prediking in den tempel, vers 14. Hij ging op in den tempel, en leerde, overeenkomstig Zijne gewoonte, als Hij te Jeruzalem was. Zijn werk was het Evangelie des koninkrijks te prediken, en Hij deed het overal waar het volk bijeen vergaderde. Zijne leerrede wordt hier niet meegedeeld, omdat zij waarschijnlijk van dezelfde strekking was als van die welke Hij in Galilea had gehouden, en door de andere evangelisten meegedeeld werd. Want het Evangelie is hetzelfde voor de eenvoudigen en voor de beschaafden en ontwikkelden. Maar wat hier opmerkelijk is, is dat zij gehouden werd tegen "het midden van het feest", op den vierden of vijfden van de acht dagen. Of Hij pas tegen het midden van het feest te Jeruzalem kwam, of reeds bij het begin gekomen was, maar zich tot nu afzonderlijk had gehouden, is niet zeker. Maar, waarom ging Hij niet eerder naar den tempel om te leren?
1. Omdat het volk meer tijd zou hebben om Hem te horen, en, naar men kon hopen, ook in betere stemming zou zijn om Hem te horen, als zij eerst enige dagen in hun loofhutten hadden doorgebracht, zoals dit op dat feest hun gewoonte was.
2. Omdat Hij vrienden en vijanden eerst naar zich wilde laten zoeken, en aldus een voorbeeld te geven van Zijne wijze van verschijning, nl. te middernacht, Mattheus 25:6. Maar waarom verscheen Hij nu in het openbaar? Voorzeker om Zijne vervolgers, de overpriesters en ouderlingen te beschamen.
a. Door te tonen, dat hoe vertoornd en verbitterd zij ook op Hem waren, Hij hen, noch hun macht vreesde, Jesaja 50:7, 8.
b. Door hun het werk uit de handen te nemen. Hun ambt was het, het volk te leren in den tempel, inzonderheid op het feest der loofhutten, zie Nehemia 8:17, 18. Maar zij hebben hun of in het geheel niet geleerd, of hun leerstellingen geleerd, die de geboden waren van mensen, en daarom gaat Hij op naar den tempel en leert het volk. Toen Israël's herders de schapen tot hun roof maakten, was het tijd voor den Oppersten Herder om te verschijnen, gelijk beloofd was, Ezechiël 34:22, Maleachi 3:1.
II. Zijn gesprek met de Joden hierop, en die samenspreking kan onder vier hoofden worden gebracht.
1. Betreffende Zijne leer. Zie hier:
a. Hoe de Joden haar bewonderden, vers 15. Zij verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? Merk hier op: a. Dat onze Heere Jezus niet opgeleid was in de scholen der profeten, of aan de voeten van den rabbijn, niet slechts niet, gelijk de filosofen, gereisd heeft om geleerdheid op te doen, maar ook niet eens van de scholen of academiën van Zijn land gebruik heeft gemaakt. Aan Mozes was de wijsheid der Egyptenaren onderwezen, maar aan Christus was niet eens de wijsheid der Joden onderwezen, den Geest ontvangen hebbende zonder mate, heeft Hij gene kennis behoeven te ontvangen van mensen noch door mensen. Ten tijde van Christus' verschijning bloeide de geleerdheid, zowel in het Romeinse rijk, als in de Joodse kerk, meer dan ooit te voren, of ooit daarna, en in dien tijd van onderzoek en navorsing verkoos Christus Zijn Godsdienst te vestigen, niet in ene eeuw van onwetendheid, opdat het den schijn niet zou hebben van een bedriegen van de wereld, maar Hij zelf heeft de geleerdheid, die toen in zwang was. niet bestudeerd. b. Dat Christus de letteren wist, al had Hij ze niet geleerd, machtig was in de Schrift, schoon Hij nooit een wetgeleerde tot onderwijzer heeft gehad. Het is noodzakelijk, dat de dienstknechten van Christus geleerdheid hebben, zoals Hij haar had, maar daar zij niet kunnen verwachten, haar, evenals Hij, door Goddelijke ingeving te hebben, moeten zij zich de moeite geven om haar op de gewone wijze te verkrijgen.
c. Dat Christus wijsheid had, zonder er in onderwezen te zijn, stempelde Hem tot een groot en buitengewoon Persoon, de Joden spraken er hier van met verwondering. Ten eerste. Sommigen hebben dit waarschijnlijk opgemerkt ter Zijner ere. Hij, die gene menselijke geleerdheid had, en toch allen zo ver overtrof die haar wèl hadden, moet voorzeker met Goddelijke kennis begaafd zijn. Ten tweede. Anderen hebben er waarschijnlijk met minachting van gesproken: Wat hij ook moge schijnen te hebben, wezenlijke geleerdheid kan hij niet hebben, want hij is nooit aan ene hogeschool geweest, heeft geen graad gehaald. Ten derde. Sommigen hebben wellicht het denkbeeld geopperd, dat Hij Zijne kennis door middel van toverij, of andere onwettige middelen had verkregen. Daar zij niet weten, hoe Hij een geleerde kon wezen, willen zij geloven, dat Hij een tovenaar is.
b. Wat Hij zelf er van zei: drie dingen: -dat Zijne leer Goddelijk is, vers 16. Mijne leer is Mijne niet, maar degene, die Mij gezonden heeft. Zij waren geërgerd, omdat Hij het op zich nam te onderwijzen, hoewel Hij zelf nooit geleerd had, waarop Hij antwoordt, dat Zijne leer niet geleerd kon worden, omdat zij geen voortbrengsel was van menselijk denken, of van natuurlijke vermogens, ontwikkeld en verruimd door lectuur en gesprekken, maar dat zij ene Goddelijke openbaring was. Als God, evengelijk met den Vader, zou Hij in waarheid hebben kunnen zeggen: "Mijne leer is Mijne, en degene, die Mij gezonden heeft, " maar thans in Zijn staat der vernedering zijnde, en, als Middelaar, de dienstknecht Gods zijnde, was het meer gepast te zeggen: Mijne leer is niet Mijne, niet Mijne alleen, niet oorspronkelijk Mijne als Mens en Middelaar, maar "degene, die Mij gezonden heeft, zij heeft Mij niet tot einddoel, leidt niet tot Mij, maar tot Hem, die Mij gezonden heeft". Betreffende den groten profeet had God beloofd, dat Hij Zijne woorden in Zijn mond zal geven, Deuteronomium 18:18, waarnaar Christus hier schijnt te verwijzen. Het is de troost van hen, die Christus' leer aannemen, en de veroordeling van hen, die haar verwerpen, dat zij van God is, en niet van den mens. Dat diegenen het meest geschikt en bevoegd zijn om over Christus' leer te oordelen, die met een oprecht hart begeren en er naar streven Gods wil te doen, vers 17. Zo iemand wil deszelfs wil doen, die zijn eigen wil, als het ware opgelost heeft in den wil van God, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mij zelven spreek. Merk hier op: Ten eerste. Wat de kwestie is betreffende de leer van Christus: of zij al of niet uit God is, of het Evangelie ene Goddelijke openbaring, of een bedrog is. Christus zelf wilde, dat men Zijne leer onderzoeken zou, of zij al of niet van God was, en nog veel meer moeten Zijne dienstknechten dit willen, en het betaamt ons, het is van het hoogste belang voor ons, te onderzoeken op welken grondslag wij staan, want, zo wij bedrogen zijn, zijn wij ongelukkig. Ten tweede. Wie waarschijnlijk wèl zullen slagen in dit onderzoek: zij, die den wil van God doen, ten minste begerig zijn hem te doen. Zie nu:
1. Wie het zijn, die den wil van God willen doen. Het zijn dezulken, die onpartijdig zijn in hun onderzoek naar den wil van God, en niet vooringenomen zijn door hun lust of hun eigenbelang, en dezulken, die vast besloten zijn om, als zij ontdekt hebben wat Gods wil is, hem door Gods genade ook te doen, er zich naar te gedragen. Het zijn dezulken, die oprecht eerbied voor God hebben, en waarlijk begerig zijn Hem te verheerlijken en te behagen.
2. Van waar zo iemand van de waarheid van Christus' leer zal weten.
a. Christus heeft beloofd aan de zodanige kennis te schenken. Hij heeft gezegd: die zal bekennen, dat is: weten, en Hij kan kennis en verstand geven. Zij, die het licht, dat zij hebben, gebruiken, en er nauwgezet naar leven, zullen door Gods genade voor verderfelijke dwalingen bewaard worden.
b. Zij zijn geneigd en bereid die kennis te ontvangen. Hij, die er toe bewogen is zich aan de regelen der Goddelijke wet te onderwerpen, is ook geneigd om de stralen van het Goddelijk licht in zich toe te laten. Wie heeft, dien zal gegeven worden. Diegenen hebben goed verstand, die Zijne geboden doen, Psalm 111:10 1). Zij, die op God gelijken, Zijn beeld dragen, zijn het meest geschikt om Hem te verstaan. Dat hieruit bleek, dat Christus, als Leraar, niet van zich zelven heeft gesproken, omdat Hij zich zelven niet heeft gezocht, vers 18. Ten eerste. Zie hier den aard van een bedrieger: hij zoekt zijne eigene eer, hetgeen een teken is, dat hij van zich zelven spreekt, zoals de valse Christussen en de valse profeten gedaan hebben. Hier is de beschrijving van den bedrieger: zij spreken van zich zelven, en hebben gene opdracht en gene instructies van God. gene volmacht dan hun eigen wil, gene ingeving dan die hunner eigene verbeelding, beleid en kunst. Gezanten spreken niet van zich zelven, deze leraren wijzen deze hoedanigheid voor zich af, zij roemen er in dat zij van zich zelven spreken. Maar zie nu de ontdekking van het bedrog, hieruit blijkt het ongegronde hunner aanspraken, zij gaan slechts te rade met hun eigene eer, die zich zelven zoeken, spreken van zich zelven. Zij, die van God spreken, spreken voor God, en voor Zijne eer, zij, die slechts hun eigenbelang en bevordering op het oog hebben, doen hiermede blijken, dat zij geen opdracht van God hebben ontvangen. Ten tweede. Let op de tegenovergestelde hoedanigheid, die Christus aan zich zelven en aan Zijne leer geeft: die-zoals Ik-de eer zoekt degene, die hem gezonden heeft-doet blijken, dat hij-waarachtig is.
1. Hij was van God gezonden. Alleen die leraren, die van God gezonden zijn, moeten door ons ontvangen en welkom geheten worden. Zij, die ene Goddelijke boodschap brengen, moeten bewijzen, dat zij ene Goddelijke zending hebben, hetzij door ene bijzondere openbaring, hetzij door den geordenden weg.
2. Hij zocht de ere Gods. Het was de strekking van Zijne leer en van Zijn wandel God te verheerlijken.
3. Dat was een bewijs, dat Hij waarachtig was, en dat er gene ongerechtigheid in Hem was. In valse leraren is zeer grote ongerechtigheid, zij doen onrecht aan God, wiens naam zij misbruiken, en onrecht aan de zielen der mensen, die zij misleiden. Groter ongerechtigheid dan deze bestaat er niet. Maar Christus deed blijken, dat Hij waarachtig was, dat Hij wezenlijk was wat Hij zei te zijn, dat er gene ongerechtigheid was in Hem, gene leugen in Zijne leer, geen bedrog of misleiding in Zijne handelingen met ons. 2. Zij spreken over de misdaad, die Hem ten laste was gelegd met betrekking tot de genezing van den verlamde, aan wie Hij gebood zijn bed te dragen op den sabbat, waarvoor zij Hem te voren vervolgd hadden, en dat nu nog ten voorwendsel strekte van hun vijandschap tegen Hem. a. Hij antwoordt bij wijze van recriminatie, dat is door ene tegenbeschuldiging, hen overtuigende van veel slechter praktijken, vers 19. Hoe schaamden zij zich niet Hem te bestraffen wegens overtreding van de wet van Mozes, als zij zelven haar toch zo openlijk verbraken? Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En het was hun voorrecht de wet te hebben, geen volk had zulk ene wet, maar het was hun boosheid en goddeloosheid, dat niemand hunner de wet deed, dat zij er tegen rebelleer den, er in tegenspraak mede leefden. Er zijn velen, aan wie de wet gegeven is, zij hebben haar, maar houden haar niet. Hun veronachtzamen van de wet was algemeen: niemand van u doet de wet, noch diegenen van hen, die ereplaatsen bekleden, en haar het best hadden moeten kennen, noch diegenen, die op plaatsen van onderworpenheid of ondergeschiktheid waren, en het meest gehoorzaamheid hadden moeten betonen. Zij roemden op de wet, en wendden ijver voor haar voor, zij waren in woede ontstoken tegen Christus, omdat Hij haar scheen te overtreden, en toch was er niemand onder hen, die de wet deed, evenals zij, die zeggen voor de kerk te zijn toch nooit naar de kerk gaan. Het was ene verzwaring hunner boosheid, dat zij, Christus vervolgende wegens overtreding der wet, haar zelven niet hielden. "Niemand uwer doet de wet, wat zoekt gij Mij dan te doden, omdat Ik haar niet houd?" Diegenen hebben altijd het meest op anderen te zeggen, die zelven vol van fouten en gebreken zijn. Zo zijn de geveinsden zeer ijverig om den splinter uit te doen uit het oog huns broeders, zonder den balk in hun eigen oog te bemerken. Wat zoekt gij Mij te doden? Sommigen houden dit voor het bewijs van hun niet houden van de wet. "Gij doet de wet niet, want anders zoudt gij beter weten dan te zoeken Mij te doden, omdat Ik een goed werk verricht heb." Zij, die zich en hun invloed staande houden door vervolging en geweld, zijn-wat zij ook mogen zeggen of voorgeven, en hoewel zij zich custodes utriusque tabula -de bewaarders der beide tafels noemen, gene onderhouders van Gods wet. Chemnitius beschouwt dit als ene reden, waarom het tijd was de wet van Mozes te vervangen door het Evangelie van Christus, dat de wet onvoldoende was bevonden om terug te houden van de zonde. "Mozes gaf u de wet, maar gij houdt haar niet, en wordt er niet door teruggehouden van de grootste goddeloosheid, dus is er een helderder licht nodig, en moet er ene betere wet komen, waarom zoekt gij Mij dan te doden, omdat Ik dat helderder licht en die betere wet tot u breng?" Hier werd Hij door de schare ruw in de rede gevallen en tegengesproken, vers 20. Gij hebt den duivel, wie zoekt u te doden? Dit geeft te kennen de goede mening, die zij hadden van hun oversten, die, denken zij, zich nooit aan zulk ene gruwelijke misdaad schuldig zullen maken om Hem te doden, zij hadden zulk ene hoge achting voor hun ouderlingen en overpriesters, dat zij er een eed op wilden doen, dat zij geen onschuldig man leed zouden willen berokkenen. Waarschijnlijk hadden de oversten hun verspieders onder het volk, die hun dit denkbeeld aan de hand gaven, velen ontkennen de boosheid op hetzelfde ogenblik, dat zij haar bedrijven of beramen. De kwade mening, die zij van onzen Heere Jezus hadden: Gij hebt den duivel, gij zijt bezeten door een leugengeest, en zijt een slecht mens om zo iets te durven zeggen, gelijk sommigen dit opvatten. Of liever: "Gij zijt een neerslachtig, zwak man, gij laat u verschrikken door nodelozen angst, zoals dit gewoonlijk het geval is bij zwaarmoedige mensen." Niet slechts openbare krankzinnigheid, maar ook stille droefgeestigheid werd toen gemeenlijk aan de macht en den invloed van Satan toegeschreven. "Gij zijt waanzinnig, gekrenkt in uwe geestvermogens." Het moet ons niet verwonderen als de besten der mensen in de zwartste kleuren worden voorgesteld. Op dien snoden laster geeft onze Heiland geen rechtstreeks antwoord, Hij schijnt er gene notitie van te nemen. Zij, die Christus gelijkvormig willen wezen, moeten beledigingen kunnen verdragen en voorbijzien, ze niet opmerken, veel minder er zich gevoelig over betonen, en het minst van alles ze willen wreken. "Ik ben als een man, die niet hoort." Toen Christus gescholden werd, heeft Hij niet weder gescholden. b. In zijn verder spreken zien wij hoe Hij zich verdedigt en zich beroept op hun eigen gevoelen omtrent dit wonder: "Een werk heb Ik gedaan en gij verwondert u allen, vers 21. Gij kunt niet anders dan u er over verwonderen, daar het in waarheid groot is en volstrekt bovennatuurlijk." Of, "Hoewel Ik slechts een werk gedaan heb, waaromtrent gij schijnbaar iets te berispen kunt vinden, verwondert gij u toch, zijt gij geërgerd en verstoord, alsof Ik ene snode misdaad had begaan". Hij beroept zich op hetgeen zij zelf doen in andere gevallen. "Ik heb een werk gedaan op den sabbat, en het werd gemakkelijk, zonder moeite of inspanning gedaan, door slechts een woord te spreken, en allen verwondert gij u, gij maakt er iets bijzonders van, dat een Godsdienstig man zo iets durft te doen, terwijl gij toch zelven menigmaal doet, wat veel meer een slaafs werk is, op den sabbatdag, voor de besnijdenis. Indien het u geoorloofd, ja meer, indien het uw plicht is, een kind op den sabbatdag te besnijden, als dit juist de achtste dag is-en ongetwijfeld is dit uw plicht-hoe veel te meer was het dan niet goed en geoorloofd voor Mij een kranken mens op dien dag te genezen." Merk op: Ten eerste. Den oorsprong der besnijdenis: Mozes heeft ulieden de besnijdenis gegeven, heeft u de wet op de besnijdenis gegeven. Hier wordt:
1. Gezegd, dat de besnijdenis gegeven is, en, vers 23, wordt van hen gezegd, dat zij haar ontvangen. Zij was hun niet opgelegd als een juk, maar geschonken als ene gunst. De inzettingen Gods, inzonderheid die, welke zegelen zijn des verbonds, zijn gaven, gegeven aan de mensen, en moeten als zodanig door hen worden ontvangen.
2. Van Mozes wordt gezegd, dat hij haar gaf, omdat zij een deel dier wet was, die door Mozes werd gegeven, maar gelijk Christus zei van het manna, Hoofdstuk 6:22, Mozes heeft haar niet aan hen gegeven, maar God, ja, zij was niet het eerst uit Mozes, maar uit de vaderen, vers 22. Hoewel zij in de Mozaïsche instelling was opgenomen, was zij toch lang te voren verordineerd, want zij was een zegel op de rechtvaardigheid uit het geloof en daarom begon zij met de belofte vier honderd en dertig jaren te voren, Galaten 3:17. Het kerklidmaat. schap der gelovigen en van hun zaad was niet uit Mozes of uit zijne wet, en daarom is het er ook niet mede gevallen, het was uit de vaderen, het behoorde tot de patriarchale kerk, en maakte een deel uit van dien zegen van Abraham, die tot de Heidenen komen zou, Galaten 3:14.
Ten tweede. Den eerbied voor de wet der besnijdenis boven dien op den sabbat in de voortdurende gewoonte der Joodse kerk, als een kind geboren werd op een sabbat, dan werd het zonder twijfel op den volgenden sabbat besneden. Indien dan, toen de sabbatsrust zo streng gehandhaafd werd, die werken toch geoorloofd waren, welke tot onderhoud van den Godsdienst waren, hoeveel te meer zijn zij dan niet geoorloofd onder het Evangelie, wanneer de nadruk meer gelegd wordt op sabbatswerk. Ten derde. De gevolgtrekking, die Christus hieruit afleidt ter rechtvaardiging van zich zelven en van hetgeen Hij gedaan had, vers 23. Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde of gelijk sommigen den tekst lezen: zonder dat de wet gebroken wordt, namelijk die van den sabbat. De geboden Gods moeten zo opgevat en verklaard worden, dat zij met elkaar overeenkomen. "Indien dit nu door u zelven wordt toegelaten, hoe onredelijk zijt gij dan, gij die toornig op Mij zijt, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat! emoi cholate. Het woord komt slechts hier voor, van cholê, gal. Zij waren ten hoogste vertoornd op Hem, het was een spijtige toorn, waarin gal gemengd was. Het is ongerijmd en onredelijk van ons om anderen te veroordelen om hetgeen wij in ons zelven rechtvaardigen. Let op de vergelijking, die Christus hier maakt tussen hun besnijden van een kind en Zijn genezen van een mens op den sabbatdag. 1. De besnijdenis was slechts ene ceremoniële inzetting, zij was wel uit de vaderen, maar niet van den beginne, maar wat Christus deed was een goed werk door de wet der natuur, ene uitnemender wet dan die, welke de besnijdenis tot een goed werk maakte.
2. De besnijdenis was ene bloedige inzetting, zij deed zeer, maakte ene wond, maar wat Christus deed was genezen, het maakte gezond. De wet werkt pijn, en indien dat werk op den sabbat gedaan mag worden, hoeveel te meer dan niet een Evangelie werk, dat vrede teweeg brengt.
3. Inzonderheid in aanmerking nemende, dat, als zij een kind hadden besneden, zij er alleen voor zorgden, om het besneden deel te genezen, hetgeen geschieden kon, terwijl het kind toch nog onder andere ziekte bleef lijden, en Christus dien gehelen mens gezond had gemaakt. Geheel het lichaam was genezen, want de ziekte had het gehele lichaam aangetast, en het was ene volkomene genezing, zodat geen spoor van de ziekte was overgebleven, ja meer, Christus heeft niet slechts zijn lichaam genezen, maar ook zijne ziel, door deze vermaning: Ga heen, zondig niet meer, en aldus heeft Hij inderdaad den gehelen mens gezond gemaakt, want de ziel is de mens. De besnijdenis was inderdaad bestemd tot welzijn der ziel, en den gehelen mens te maken wat hij behoort te zijn, maar zij hadden haar verdorven, en haar in ene bloot vleselijke inzetting verkeerd. Christus heeft echter Zijne uitwendige genezing doen vergezeld gaan van innerlijke genade, en aldus heeft Hij ze sacramenteel gemaakt, en den gehelen mens gezond gemaakt. Hij sluit Zijn betoog met dezen regel, vers 24:Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. Dit kan toegepast worden, hetzij, Ten eerste. In het bijzonder op dit werk, dat zij afkeurden als ene schending der wet. Zijt niet partijdig in uw oordeel, oordeelt niet, kat ophin -met aanzien des persoons, "het aangezicht kennende", zoals de Hebreeuwse uitdrukking luidt, Deuteronomium 1:17. Het is in strijd met de wet der gerechtigheid, zowel als der barmhartigheid om diegenen te laken en te bestraffen als overtreders, die in mening met ons verschillen, door die vrijheid te nemen, die wij in hen, welke van onze eigene partij zijn, en in gevoelen en denkwijze met ons overeenkomen, toch toelaten, en even onbillijk is het om in sommigen datgene te loven als noodzakelijke strengheid en nauwgezetheid, wat wij in anderen als een opleggen van lasten en vervolging afkeuren en veroordelen. Of, Ten tweede. In het algemeen, op Christus' Persoon en prediking, die hen ergerden, en waartegen zij bevooroordeeld waren. De dingen, die onwaar zijn, en bedoeld om de mensen te bedriegen, schijnen meestal het best, als zij naar het uiterlijk aanzien beoordeeld worden, zij schijnen het fraaist op den eersten aanblik. Hierdoor verkregen de Farizeeën zo veel invloed en zulk ene vermaardheid, dat zij "den mensen van buiten rechtvaardig schenen", Mattheus 23:27, 28, en de mensen hen naar dien schijn beoordeelden, en dus deerlijk in hen bedrogen werden. "Maar", zegt Christus, "denkt niet, dat allen wezenlijk heiligen zijn, die het schijnen te wezen". Wat Hem zelven betrof, Zijn uitwendig aanzien bleef verre achter bij Zijne werkelijke waardigheid en voortreffelijkheid, want Hij heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen, Filippenzen 2:7, Hij was in gelijkheid des zondigen vlezes, Romeinen 8:3, Hij had gene gedaante noch heerlijkheid, Jesaja 53:2, zodat zij, die het ondernamen naar Zijn uitwendig aanzien te oordelen, of Hij al of niet de Zoon van God was, waarschijnlijk geen rechtvaardig oordeel oordeelden. De Joden verwachtten, dat het uitwendig voorkomen van den Messias glansrijk en prachtig zijn zou, vergezeld zou zijn van al de plechtigheden van wereldse majesteit en grootheid, en Christus beoordelende naar dien regel, was hun oordeel van het begin tot het einde ene vergissing, want het koninkrijk van Christus was niet van deze wereld, en kwam niet met uiterlijk gelaat. Al was nu Zijn uiterlijk voorkomen nog zo gering, zo ene Goddelijke kracht Hem vergezelde, zo God van Hem getuigde, zo de Schriften in Hem vervuld werden, hadden zij Hem behoren te ontvangen, Hem moeten beoordelen naar het geloof en niet naar het ge zicht der ogen, Jesaja 11:3, 1 Samuël 16:7. Christus en Zijne leer en Zijn doen begeerden niets dan een rechtvaardig oordeel, zo waarheid en gerechtigheid slechts het oordeel mogen uitspreken, zal de zaak van Christus de overwinning behalen. Wij moeten de mensen niet beoordelen naar hun uiterlijk aanzien, noch naar hun titels, of hun aanzien in de wereld, en hun schitterend vertoon, maar naar hun innerlijke waardij, naar de gaven en genade van Gods Geest in hen. 3. Christus spreekt hier met hen van zich zelven, van waar Hij kwam, en waar Hij heenging, vers 25-36.
a. Vanwaar Hij kwam, vers 25-31. Merk hier op, wat hier tegen ingebracht werd door sommige van de inwoners van Jeruzalem, die meer dan alle anderen tegen Hem bevooroordeeld schenen geweest te zijn, vers 25. Men zou gedacht hebben, dat zij die bij de bron woonden van kennis en Godsdienst, het meest bereid hadden moeten wezen om den Messias te ontvangen, maar het tegendeel is gebleken. Als de mensen de middelen van kennis en genade in overvloed bezitten en er niet beter door worden gemaakt, dan zullen zij er gewoonlijk slechter door worden, en onze Heere Jezus is dikwijls het minst welkom geheten door hen, van wie men gedacht zou hebben, dat zij Hem het hartelijkst zouden hebben ontvangen. Maar het was niet zonder grond of oorzaak, dat het spreekwoord ontstaan is: "Hoe dichter bij de kerk, hoe verder van God,'. Deze lieden van Jeruzalem toonden Christus hun slechte gezindheid: Ten eerste. Door hun aanmerking op de oversten, die Hem ongemoeid lieten: Is deze niet, dien zij zoeken te doden? De scharen, die van buiten waren gekomen om het feest te Jeruzalem te vieren, vermoedden niet, dat er kwaad tegen Hem beraamd werd, en daarom zeiden zij: Wie zoekt u te doden? vers 20. Maar die van Jeruzalem waren bekend met het complot en prikkelden hun oversten om het ten uitvoer te brengen: "Is deze niet, dien zij zoeken te doden? Waarom doen zij het dan niet? Wie verhindert hen? Zij zeggen, dat zij hem gaarne uit den weg zouden willen ruimen, en toch ziet! hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus?" vers 26 Listig en boosaardig geven zij hier twee dingen te kennen om de oversten tegen Christus te verbitteren, terwijl zij dien prikkel toch waarlijk niet nodig hadden.
1. Dat zij, door Zijne prediking oogluikend toe te laten, hun eigen gezag ondermijnden. "Moet aan een man, die door het sanhedrin is veroordeeld als een bedrieger, toegelaten worden vrijmoedig te spreken zonder enigerlei belemmering of tegenspraak? Hierdoor wordt hun vonnis dan slechts ene ijdele bedreiging. Indien onze oversten zich aldus willen laten vertreden, dan hebben zij het zich zelven te wijten, als niemand meer ontzag heeft voor hen of voor hun wetten." De ergste vervolgingen hebben dikwijls plaats gehad onder schijn van noodzakelijken steun van het gezag en de regering.
2. Dat zij hiermede hun oordeel verdacht maken: "Zouden zij weten dat deze is de Christus?" Dit wordt ironisch gezegd en bedoeld. "Hoe zijn zij er toe gekomen van denkwijze te veranderen? Welke nieuwe ontdekking hebben zij gedaan? Zij geven het volk aanleiding om te denken, dat zij hem geloven de Christus te zijn, en het voegt hun krachtig tegen hem op te treden om zich van die verdenking te zuiveren." Aldus hebben de oversten, die de scharen tot vijanden van Christus hebben gemaakt, hen tot kinderen der helle gemaakt, twee maal meer dan zij zelven, Mattheus 23:15. Als de Godsdienst en het belijden van Christus' naam uit de mode, en dus ook niet in aanzien is, dan is het voor velen ene sterke verzoeking om ze te vervolgen en tegen te staan, alleen maar om niet geacht te worden ze te begunstigen of toegedaan te zijn. Daarom zijn afvalligen en de ontaarde kinderen van goede ouders soms erger geweest dan anderen, om, als het ware, de smet hunner belijdenis af te wissen. Het was vreemd, dat de aldus geprikkelde oversten Christus toen niet gegrepen hebben, maar Zijne ure was nog niet gekomen, en God kan op bewonderenswaardige wijze der mensen handen binden, al is het, dat Hij hun hart dan nog niet verandert of bekeert.
Ten tweede. Door hun betwisten, dat Hij de Christus was, waarin zij wel boosaardigheid aan den dag legden, maar niets wezenlijks te berde brachten, vers 27. "Indien de oversten denken, dat hij de Christus is, willen noch kunnen wij het daarom geloven, want wij hebben dit argument er tegen, dat wij dezen man kennen, wet en van waar hij is, maar de Christus, wanneer Hij komen zal. zo zal niemand weten van waar Hij is." Dit is echter ene valse redenering, want beide voorstellingen zijn niet ad idem niet toepasselijk op hetzelfde gezichtspunt van het onderwerp.
1. Indien zij spreken van Zijne Goddelijke natuur, dan is het waar, dat wanneer Christus komt, niemand weet van waar Hij is, want Hij is priester naar de ordening van Melchizedek, die zonder geslachtsrekening was, en Zijne uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid, Micha 5:1. Maar het was niet waar, dat zij wisten van waar deze was, want zij kenden Zijne Goddelijke natuur niet, wisten niet, dat het Woord vlees was geworden.
2. Indien zij spreken van Zijne menselijke natuur, dan is het waar, dat zij wisten van waar Hij was, wie Zijne moeder was, en waar Hij was opgevoed, maar het is niet waar, dat ooit van den Messias gezegd was, dat niemand zou weten van waar Hij is, want het was te voren bekend, waar Hij geboren zou worden, Mattheus 2:4, 5. Merk op:
a. Hoe zij Hem minachtten, omdat zij wisten van waar Hij was. Gemeenzaamheid brengt minachting te weeg, en wij zijn maar al te zeer geneigd de nuttigheid, of bruikbaarheid gering te schatten van hen, wier oorsprong of afkomst wij kennen. Christus werd door de Zijnen niet aangenomen, omdat Hij de hun was, om welke reden zij Hem veeleer hadden moeten liefhebben, dankbaar hadden moeten wezen, dat hun volk en hun eeuw geëerd werden door Zijne komst.
b. Hoe zij hun vooroordeel gans ten onrechte op de Schrift zochten te gronden, alsof zij hen ondersteunde, terwijl daar toch niets van aan was. De mensen zijn in dwaling omtrent Christus, omdat zij de Schriften niet kennen. Christus' antwoord op deze tegenwerping, vers 28,29.
Ten eerste. Hij sprak vrij en vrijmoedig. Hij riep in den tempel, lerende. Hij sprak dit luider dan het overige van Zijne rede:
1. Om uitdrukking te geven aan Zijn ernst en vurigheid, bedroefd zijnde over de verharding van hun hart. Er kan hevigheid zijn in den strijd voor de waarheid, zonder dat er drift of hartstocht behoeft te wezen. Wij kunnen tegensprekers met warmte onderwijzen, en tevens met zachtmoedigheid.
2. De priesters, en zij, die tegen Hem bevooroordeeld waren, kwamen niet genoeg naderbij om Zijne prediking te horen, en daarom moet Hij luider spreken dan gewoonlijk wat Hij wil, dat zij zullen horen. Die oren heeft om te horen, dat hij dit hore.
Ten tweede. Zijn antwoord op hun haarkloverij is: 1. Bij wijze van concessie, toegevende, dat zij Zijne afkomst naar het vlees kenden, of konden kennen: Gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben. Het is gene verkleining van de leer van Christus, dat er datgene in is, hetwelk ook door de eenvoudigsten begrepen kan worden, duidelijke waarheden, die ook bij het licht der natuur ontdekt kunnen worden, en waarvan wij kunnen zeggen: Wij weten van waar zij zijn. "Gij kent Mij, gij denkt Mij te kennen, maar gij vergist u, gij houdt Mij voor den zoon des timmermans, en gij meent dat Ik te Nazareth ben geboren, maar zo is het niet.
2. Bij wijze van ontkenning, ontkennende, dat hetgeen zij in Hem zagen en van Hem wisten, alles was wat geweten kon worden, zo zij dus niet verder zagen, dan oordeelden zij slechts naar het uiterlijk aanzien. Zij wisten wellicht van waar Hij kwam, en waar Hij geboren was, maar Hij zal hun zeggen wat zij niet wisten, nl. van wie Hij kwam.
a. Dat Hij niet kwam van zich zelven, dat Hij niet liep zonder gezonden te zijn, noch kwam als particulier persoon, maar in ene publieke hoedanigheid.
b. Dat Hij gezonden was van Zijn' Vader, dat wordt tweemaal vermeld: Hij heeft Mij gezonden. En wederom: Hij heeft Mij gezonden om te zeggen wat Ik zeg, en te doen wat Ik doe. Hiervan was Hij zelf wèl verzekerd, en daarom wist Hij, dat Zijn Vader Hem ten einde toe zou ondersteunen en handhaven, en het is goed, dat wij dit ook weten, en er van verzekerd zijn, opdat wij met een heilig vertrouwen door Hem tot God kunnen gaan.
c. Dat Hij van den Vader was, par autou eimi -Ik ben van Hem, niet slechts gezonden door Hem als een dienstknecht door zijn meester, maar van Hem door ene eeuwige generatie, als een zoon door zijn vader, door ene essentiële emanatie, zoals de stralen van de zon.
d. Dat de Vader, die Hem gezonden heeft, waarachtig is. Hij had beloofd den Messias te geven, en, hoewel de Joden de belofte verbeurd hadden, is toch Hij, die beloofd heeft, getrouw, en Hij heeft de belofte vervuld. Hij had beloofd, dat de Messias zaad zal zien, en voorspoedig zal zijn in Zijne onderneming, en hoewel de meerderheid der Joden Hem verwerpt, Hem en Zijn Evangelie, is Hij toch waarachtig, en zal Hij de belofte vervullen in de roeping der Heidenen.
e. Dat deze ongelovige Joden den Vader niet kenden: die Mij gezonden heeft, welken gijlieden niet kent. Er is veel onwetendheid omtrent God, zelfs bij velen, die de gedaante der kennis hebben, en de ware reden waarom de mensen Christus verwerpen is, dat zij God niet kennen, want er is in de harmonie der Goddelijke eigenschappen in het werk der verlossing zulk ene bewonderenswaardige overeenkomst tussen den natuurlijken en den geopenbaarden Godsdienst, dat de rechte kennis van de eerste, de tweede niet slechts zou erkennen en toelaten, maar er toe zou leiden.
f. Onze Heere Jezus was gemeenzaam bekend met den Vader, die Hem gezonden heeft: Maar Ik ken Hem. Hij kende Hem zo goed, dat Hij volstrekt niet in twijfel was omtrent Zijne zending van Hem, maar er volkomen van verzekerd was, en evenmin was Hij in het duister betreffende het werk, dat Hij te doen had, Hij was er volkomen van onderricht, Mattheus 11:27. De ergernis, die dit gaf aan Zijne vijanden, die Hem haatten, omdat Hij hun de waarheid zei, vers 30. Zij zochten Hem dan te grijpen, de handen aan Hem te slaan, niet slechts om Hem kwaad te doen, maar om Hem op de ene of andere wijze het leven te benemen, maar door ene onzichtbare macht werden zij er van teruggehouden, niemand raakte Hem aan, want Zijne ure was nog niet gekomen. Dat was niet de reden waarom zij het niet deden, maar Gods reden, waarom Hij hun belette het te doen. De getrouwe predikers van Gods waarheid moeten, al gedragen zij zich ook met nog zo veel voorzichtigheid, verwachten gehaat en vervolgd te worden door hen, die denken, dat zij door hun getuigenis worden gepijnigd, Openbaring 1 l:10. God houdt de bozen in ene keten, en welk kwaad zij ook zouden willen doen, zij kunnen niet meer kwaad doen, dan God hun toelaat te doen. De boosaardigheid der vervolgers is onmachtig, zelfs als zij het heftigst is, en als Satan hun hart vervult, bindt God hun toch de handen. Gods dienstknechten worden soms op wonderbaarlijke wijze beschermd, door middelen, die wij niet bespeuren, en waarvan wij ons gene rekenschap kunnen geven. Hun vijanden doen het kwaad niet, dat zij hadden willen doen, en toch zouden, noch zij zelven, noch iemand anders, kunnen zeggen waarom zij het niet deden. Christus had Zijne bestemde ure, die ene einde moest maken aan Zijn dag en Zijn werk op aarde, en die ure hebben ook al de Zijnen, al Zijne dienstknechten, en, voordat de ure gekomen is, blijven al de aanslagen hunner vijanden tegen hen zonder gevolg, en zal hun dag duren zo lang hun Meester nog enig werk voor hen te doen heeft. Al de machten van hel en aarde zullen tegen hen niet overmogen, voordat zij hun getuigenis geëindigd hebben. De goede uitwerking, die Christus' rede, in weerwil hiervan, op sommigen van Zijne hoorders heeft gehad, vers 31:Velen uit de scharen geloofden in Hem. Gelijk Hij gezet was tot een val voor sommigen, zo was Hij ook gezet tot ene opstanding van anderen. Zelfs waar het Evangelie tegenstand ontmoet, kan nog zeer veel goeds gedaan worden, 1 Thessalonicenzen 2:2. Merk hier op, Ten eerste. Wie zij waren, die geloofden, niet weinigen, niet enkelen, maar velen, meer dan men zou verwacht hebben, nu de stroom zo sterk in andere richting ging. Maar die velen waren uit de schare ek tou ochlou -de menigte, de mindere soort, het grauw, zouden sommigen hen genoemd hebben. Wij moeten den voorspoed van het Evangelie niet afmeten naar deszelfs succes onder de groten, en de leraren moeten niet zeggen, dat zij te vergeefs arbeiden, al is het ook dat alleen de armen, mensen zonder enig aanzien, het Evangelie ontvangen, 1 Corinthiërs 1:26. Ten tweede. Wat hen bewoog in Hem te geloven: de wonderen, die Hij deed, welke niet slechts de vervulling waren der Oud-Testamentische profetieën, Jesaja 35:5, 6. maar ene betoogrede van Goddelijke kracht. Hij, die het vermogen bezat datgene te doen, want niemand dan God doen kan, de krachten der natuur beheersen en bedwingen, heeft ongetwijfeld ook de macht gehad datgene vast te stellen, hetwelk niemand dan God vaststellen kan, ene wet, die het geweten bindt, en een verbond, dat leven zal geven. Ten derde. Hoe zwak hun geloof was, zij verklaren niet met zekerheid en beslistheid, zo als de Samaritanen: deze is waarlijk de Christus, zij redeneren slechts: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die? Zij nemen aan, dat Christus komen zal, en, als Hij komt, vele wonderen zal doen. "Is deze het dan niet? In Hem zien wij wel niet al die aardse pracht, die wij ons voorstelden, maar toch al de Goddelijke kracht en macht, die wij geloofden, dat de Messias zou openbaren, waarom zou Hij het dus niet kunnen zijn? Zij geloven het, maar hebben den moed niet het te belijden. Ook zwak geloof kan waar geloof wezen, en aldus aangenomen worden door den Heere Jezus, die den dag der kleine dingen niet veracht.
b. Waar Hij heenging, vers 32-36. Merk hier op, het plan, of voornemen der Farizeeën en overpriesters tegen Hem, vers 32. Ten eerste. Er werd hun bericht gebracht door hun spionnen, die zich onder de scharen mengden en hun gesprekken afluisterden, om aldus geruchten op te doen, die zij aan hun achterdochtige meesters overbrachten, dat de schare dit van Hem murmelde, dat er velen waren, die eerbied voor Hem hadden en Hem waardeerden, niettegenstaande alles wat zij gedaan hadden om Hem bij hen gehaat te maken. Hoewel de schare dit slechts fluisterde en den moed niet had om het uit te spreken, werden de Farizeeën er toch in woede door ontstoken. De rechtvaardigheid ener regering wordt met recht verdacht door anderen, die zelf zo achterdochtig is, dat zij notitie neemt, en onder den invloed komt van de geheime, onbepaalde fluisteringen van het gemene volk. De Farizeeën lieten zich zeer voorstaan op de achting des volks, en zij begrepen, dat, indien Christus aldus toenam, zij minder moesten worden. Ten tweede. Het plan, dat zij hierop beraamden, was Jezus te grijpen en Hem gevangen te nemen. "Zij zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden", niet om hen te grijpen, die over Hem murmelden en hen te verschrikken, neen, de zekerste, beste manier om de kudde te verstrooien is den herder te slaan. De Farizeeën schijnen de voorsten te zijn geweest in deze vervolging, maar, als zodanig, hadden zij gene macht, en daarom hebben zij, de overpriesters, de rechters in het kerkelijk gerechtshof aangezocht om met hen mede te werken, en dezen waren hiertoe maar al te zeer bereid. De Farizeeën maakten aanspraak op geleerdheid, en de overpriesters op heiligheid. Gelijk "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, en de grootste filosofen zich schuldig maakten aan de grofste vergissingen in den natuurlijken Godsdienst, zo heeft de Joodse kerk door hare wijsheid Christus niet gekend, hun grootste rabbijnen waren ten opzichte van hun denkbeelden omtrent Hem de grootste dwazen, ja Zijne grootste vijanden. Deze goddeloze oversten hadden hun dienaren, dienaren van hun hof, beambten der kerk, die zij gebruikten om Christus te grijpen, en die bereid waren op hun boodschap uit te gaan, hoewel het ene goddeloze boodschap was. Indien Sauls trawanten de priesters des Heeren niet willen aanvallen, dan heeft hij een herder, die het wèl wil, 1 Samuël 22:17, 18. De rede van onzen Heere Jezus hierop, vers 33, 34: Nog een kleinen tijd ben ik bij u, en Ik ga heen tot degene, die Mij gezonden heeft. Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden, en waar Ik ben, kunt gij niet komen. Evenals de wolk- en vuurkolom hebben deze woorden ene heldere en ene duistere zijde.
Ten eerste. Een heldere zijde, gekeerd naar onzen Heere Jezus zelven, zij spreken van overvloedige vertroosting tot Hem en tot al Zijne getrouwe volgelingen, die om Zijnentwil aan moeilijkheden en gevaren zijn blootgesteld. Er zijn drie dingen, waarmee Christus zich hier heeft vertroost:
1. Dat Hij nog slechts een kleinen tijd in deze moeitevolle wereld had te verwijlen. Hij ziet, dat Hij wel nooit een rustigen dag onder hen zal hebben, maar het is heerlijk, dat Zijn strijd weldra vervuld zal zijn, en dan "zal Hij niet meer in deze wereld zijn," Hoofdstuk 17:11. Met wie wij ook in deze wereld zijn, met vrienden of vijanden, het zal slechts een kleine tijd wezen, dat wij met hen zijn, en het is ene oorzaak van troost voor hen, die in de wereld zijn, maar niet van de wereld zijn, en er dus altijd door gehaat worden, en haar dus ook altijd moede zijn, dat zij er niet altijd wezen zullen, en er ook niet lang in zullen wezen. Voor ene wijle moeten wij wezen met hen, die smartende doornen en wee doende distels zijn, maar Gode zij dank. het is slechts voor een kleinen tijd, en dan zijn wij buiten hun bereik. Onze dagen kwaad zijnde, is het goed, dat zij weinig zijn.
2. Dat, wanneer Hij deze moeitevolle wereld ging verlaten, Hij tot Hem zou gaan, die Hem gezonden heeft. Ik ga. Niet: "Ik word met geweld weggedreven", maar "Ik ga, vrijwillig, Mijne zending volbracht hebbende. keer Ik terug tot Hem, op wiens boodschap Ik hier gekomen ben. Als Ik Mijn werk bij u volbracht heb, dan, en niet eerder, ga Ik tot Hem, die Mij gezonden heeft, en Mij zal ontvangen en verhogen, zoals gezanten bij hun terugkomst verhoogd worden." Hun woede jegens Hem zal Hem niet slechts niet verhinderen, om in te gaan tot de heerlijkheid en de vreugde, die Hem zijn voorgesteld, maar zal dat ingaan nog verhaasten. Laten zij, die om Christus' wil lijden zich hiermede vertroosten, dat zij een' God hebben tot wie heen te gaan, en dat zij ook, en dat wel snel, tot Hem gaan om voor eeuwig met Hem te zijn. 3. Dat zij Hem hier wel overal waar Hij heenging vervolgden, maar dat hun vervolgingen Hem toch niet in den hemel konden volgen: Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden. Uit hun vijandschap tegen Zijne volgelingen, nadat Hij van de aarde was weggegaan, blijkt, dat zij Hem nog vervolgd zouden hebben, zo zij Hem slechts hadden kunnen bereiken. "Maar in dien tempel kunt gij niet inkomen, zoals gij in dezen inkomt." Waar Ik ben, dat is: waar Ik dan zal zijn, maar Hij drukt het op die wijze uit, omdat Hij door Zijne Goddelijke natuur en Zijn Goddelijken zin zelfs toen Hij zich nog op aarde bevond, reeds in den hemel was, Hoofdstuk 3:13. Of wel, het geeft te kennen, dat Hij zo spoedig daar zou zijn, dat het zo goed was, alsof Hij er reeds was. Het verhoogt de zaligheid der verheerlijkte heiligen, dat zij buiten het bereik zijn van den duivel en van al zijne boze handlangers.
Ten tweede. Die woorden hebben ene zwarte en donkere zijde, gekeerd tegen deze goddeloze Joden, die Christus haatten en vervolgden. Zij verlangden nu van Hem ontdaan te zijn: "Weg met hem van de aarde!" Maar laten zij wèl weten, dat, naar hun keuze, hun oordeel zijn zal. Zij waren ijverig om Hem van zich weg te drijven, en hun zonde zal hun straf zijn. Hij zal hen niet lang lastig vallen, nog een kleinen tijd, en Hij zal van hier weggaan. Het is rechtvaardig in God om diegenen te verlaten, die denken, dat Zijne tegenwoordigheid een last is. Zij, die Christus moede zijn, hebben niets anders nodig om rampzalig te zijn, dan dat hun wens vervuld wordt.
1. Dat zij voorzeker berouw zullen hebben van hun keus, als het te laat zal wezen.
a. Te vergeefs zullen zij zoeken naar de tegenwoordigheid van den Messias: Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden. G ij zult verwachten, dat de Christus komen zal, maar uwe ogen zullen bezwijken van naar Hem uit te zien, en gij zult Hem nooit vinden." Zij, die den waren Messias verwierpen, toen Hij gekomen is, werden terecht overgelaten aan ene ellendige en eindeloze verwacht ing van enen, die nooit komen zal. Of het kan zien op de eindelijke verwerping van zondaars, hun afgesneden zijn van de gunst en genade van Christus op den groten dag. Zij, die Christus thans zoeken, zullen Hem vinden, maar de dag komt, wanneer zij, die Hem thans afwijzen, Hem zullen zoeken, en Hem niet zullen vinden, Spreuken 1:28. Te vergeefs zullen zij roepen: Heere, Heere, doe ons open! Of wellicht zullen deze woorden vervuld worden in de vertwijfeling van sommigen der Joden, die wellicht overtuigd, maar niet bekeerd zijn, die te vergeefs zullen wensen Christus te zien, en Hem weer te horen prediken, maar de dag der genade is voorbij". Lukas 17:22. Maar dat is nog niet alles.
b. Zij zullen te vergeefs ene plaats in den hemel verwachten. Waar Ik ben, en waar alle gelovigen met Mij zullen wezen, kunt gij niet komen. Niet slechts omdat zij door het rechtvaardig en onherroepelijk vonnis van den rechter buitengesloten zijn, en vanwege het zwaard van den engel aan iedere poort van het nieuwe Jeruzalem, dat den toegang bewaakt tot den boom des levens tegen ieder, die geen recht heeft, om binnen te gaan, maar omdat zij er door hun eigene ongerechtigheid en ongeloof niet toe in staat zullen zijn: gij kunt niet komen, omdat gij niet wilt. Zij, die het haten om te zijn waar Christus is, in Zijn woord en Zijne inzettingen op aarde, zijn zeer ongeschikt om te zijn waar Hij is in Zijne heerlijkheid in den hemel, want de hemel zou voor hen ook waarlijk geen hemel zijn, zo groot is de afkeer van ene ongeheiligde ziel van de gelukzaligheid van zulk een staat. Wat zij zeiden van deze rede, vers 35, 36. De Joden dan zeiden onder elkaar: Waar zal deze heengaan? Zie hier: Ten eerste. Hun moedwillige onwetendheid en verblinding. Hij had uitdrukkelijk gezegd, waar Hij zou heengaan, nl. tot Hem, die Hem gezonden heeft, tot Zijn Vader in den hemel, en zij vragen: Waar zal deze heengaan? en: Wat is dit voor ene rede? Niemand zo blind als zij, die niet willen zien, die geen acht willen geven. Christus' redenen zijn duidelijk voor hem, die verstaat, zij zijn voor den verstandige licht, maar alleen voor diegenen moeilijk, die geneigd zijn er mede te twisten. Ten tweede. Hun driest minachten van Christus' bedreigingen. In stede van te sidderen op dat ontzettend woord: Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden, hetgeen de uiterste rampzaligheid aanduidt, spotten en schertsen zij er mede, zoals de zondaren, die "de vreze belachen, en niet ontsteld worden, en zeggen: Dat Hij haaste, Jesaja 5:19. Nu dan, drijft den spot niet, opdat uwe banden niet vaster gemaakt worden, Jesaja 8:22. Ten derde. Hun ingewortelde boosaardigheid en woede tegen Christus. Al wat zij vreesden van Zijn heengaan, was, dat Hij dan buiten het bereik zou zijn van hun macht. "Waar zal deze heengaan, dat wij hem niet zullen vinden. Als hij boven den grond is zullen wij hem vinden, wij zullen gene plaats, geen hoek ondoorzocht laten," zoals Achab, toen hij Elia zocht, 1 Koningen 18:10. Ten vierde. Hun trotse minachting van de Heidenen, die zij hier de verstrooide Grieken noemen, bedoelende, hetzij de Joden, die onder de Grieken verstrooid waren, Jak 1:1, 1 Petrus 1:1, zal hij heengaan om zich onder deze dwaze lieden een aanhang te verwerven? Of, de Heidenen, verstrooid over de wereld, in onderscheiding van de Joden, die ingelijfd waren in ene kerk en volk, zal hij hen gaan vleien, ten einde invloed op hen te krijgen? Ten vijfde. Hun naijver bij de minste aanduiding van gunst jegens de Heidenen: "Zal hij de Grieken, de Heidenen, leren? Zal hij met zijne leer tot hen gaan?" Wellicht hadden zij gehoord van enigerlei achting, die Hij aan de Heidenen betoond heeft, zoals in Zijne rede te Nazareth, en ten opzichte van den overste over honderd en de Kananése vrouw, en er was niets dat zij meer vreesden dan dit mede opnemen der Heidenen. Het is iets gans gewoons, dat zij, die de kracht van den Godsdienst verloren hebben, zeer naijverig zijn op het monopolie van den naam er van. Nu spotten zij er mede, dat Hij de Heidenen zou gaan leren, maar niet lang daarna heeft Hij dit door Zijne apostelen en evangeliedienaren in vollen ernst gedaan, en deze verstrooide volken vergaderd, tot groot verdriet van de Joden, Romeinen 10:19. Zo waar is dit woord van Salomo: de vreze des goddelozen, die zal hem overkomen.