Lukas 18:15-17
Dit verhaal hebben wij reeds bij Mattheus en Markus aangetroffen, zeer gepast volgt het hier op de geschiedenis van den tollenaar, als een bevestiging van de waarheid, die door deze gelijkenis in het licht gesteld moest worden, dat diegenen Gode welbehaaglijk zijn en door Hem geëerd zullen worden, die zich vernederen, en voor hen heeft Christus zegeningen weggelegd, de keurigste en de beste zegeningen. Merk hier op:
1. Zij, die zelf in Christus zijn gezegend, moeten begeren dat ook hun kinderen in Hem gezegend zullen wezen, en zij behoren hun eerbied voor Hem te doen blijken, door gebruik van Hem te maken, en hun ware liefde voor hun kinderen aan den dag te leggen door hun zorg voor de belangen hunner ziel. Zij brachten kinderkens tot Hem, zeer jonge kinderen, die nog niet konden lopen, zuigelingen, zoals sommigen denken. Geen kinderen zijn te klein, te jong, om tot Christus te worden gebracht, die weet hoe hun vriendelijkheid te betonen, die nog niet instaat zijn Hem dienst te bewijzen.
2. Een enkele genaderijke aanraking van Christus zal onze kinderen gelukkig maken. Zij brachten de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken ten teken van de toepassing van Zijne genade en Zijn Geest op hen, want dat baant altijd den weg voor Zijn zegen, dien zij verwachten, Jesaja 44:3. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en dan Mijn zegen op uwe nakomelingen.
3. Het is niets vreemds dat zij, die zich tot Christus wenden voor hen zelven of voor hun kinderen, ontmoedigd worden, zelfs door hen, die hierin behoorden te steunen en aan te moedigen: De discipelen, dat ziende, dachten dat, indien dit toegelaten werd, het eindeloze vermoeienis opleveren zou voor hun Meester, en daarom bestraften zij hen, zagen ze nors en onvriendelijk aan. De bruid klaagt over de wachters, Hooglied 3:3, 5:7.
4. Velen, die door de discipelen worden bestraft, worden door den Meester genodigd: Jezus riep de kinderkens tot zich, toen zij, wegens de bestraffing der discipelen, weggingen. Zij hebben geen beroep gedaan van de discipelen op hun Meester, maar de Meester heeft kennis genomen van hun geminachte zaak.
5. Het is Christus' wil en bedoeling dat kinderkens tot Hem gebracht worden, en Hem als levende offeranden tot Zijne eer zullen aangeboden worden. "Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet, laat niets gedaan worden om hen te verhinderen, want zij zullen even welkom zijn als ieder ander." De belofte is aan ons en ons zaad, en daarom zal Hij, die de beloofde zegeningen heeft uit te delen, hen met ons bij zich welkom heten.
6. De kinderen, aan wie het koninkrijk Gods toebehoort, behoren ook zelf aan dat koninkrijk, gelijk de kinderen van vrijen vrij zijn. Indien de ouders leden zijn van de zichtbare kerk, dan zijn de kinderen het ook, want indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
7. Zo welkom zijn de kinderen aan Christus, dat die volwassenen Hem het meest welkom zijn, die het meest de gezindheid der kinderen in zich hebben, vers 17. Zo wie het koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, dat is: er het voorrecht en voordeel van ontvangen met ootmoed en dankbaarheid, zonder, gelijk de Farizeeër, er aanspraak op te maken als op iets dat hij verdiend heeft, maar gaarne erkent het zuiver en alleen verschuldigd te zijn aan de vrije genade Gods, zoals de tollenaar gedaan heeft, tenzij iemand tot zulk een zelf-verloochenende gemoedsstemming gebracht is, zal hij geenszins inkomen in dat koninkrijk. Zij moeten het koninkrijk Gods ontvangen als kinderen, hun bezittingen ontvangen door afkomst en erfrecht, niet door aankoop, en het dan huns Vaders vrije gave noemen.