Johannes 11:45-57
Wij hebben hier een bericht van de gevolgen van dit heerlijke wonder, en, als gewoonlijk, waren zij voor sommigen ene reuke des levens ten leven, en voor anderen ene reuke des doods ten dode.
I. Sommigen werden er door bewogen tot geloof. Velen der Joden, die aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem, en wèl mochten zij dat, want het was een onbetwistbaar bewijs van Zijne Goddelijke zending. Zij hadden dikwijls gehoord van Zijne wonderen, maar lieten zich niet er door overtuigen, daar zij er de werkelijkheid van in twijfel trokken, maar nu zij er zelf de ooggetuigen van waren geweest, was hun ongeloof overwonnen. Maar-Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Hoe meer wij van Christus zullen zien, hoe meer oorzaak wij zullen zien om Hem lief te hebben en op Hem te vertrouwen. Dezen waren sommigen uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, om haar te vertroosten. Als wij aan anderen goede diensten bewijzen, dan stellen wij ons op den weg om gunsten van God te ontvangen, en aan anderen goed doende, hebben wij de gelegenheid om goed voor ons zelven te verkrijgen.
II. Anderen werden er door geërgerd en verhard in hun geloof.
1. Dat waren de aanbrengers, vers 46. Sommigen van hen, die ooggetuigen waren geweest van het wonder, waren er zo weinig door tot overtuiging gebracht, dat zij tot de Farizeeën gingen, die zij wisten onverzoenlijke vijanden te zijn, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had, niet slechts als ene tijding, die hun aandacht wel waardig was, en nog veel minder als iets, waardoor zij bewogen konden worden om gunstiger over Christus te denken, maar met de hatelijke bedoeling om diegenen, welke dien prikkel volstrekt niet nodig hadden, toch nog aan te sporen om nog krachtiger maatregelen te nemen om Hem te vervolgen. Hier is dus wel:
a. Een verbazingwekkend voorbeeld van een uiterst hardnekkig ongeloof, dat ook voor de krachtigste middelen ter overtuiging niet wilde wijken, en het is moeilijk om zich voor te stellen hoe zij de kracht van dit bewijs konden weerstaan, zo niet de god dezer eeuw hun zinnen verblind had.
b. Van de meest ingewortelde vijandschap. Indien zij er niet van overtuigd konden worden, dat in Hem geloofd moest worden als den Christus, dan zou men denken, dat zij toch zachter gestemd zouden zijn jegens Hem, en bewogen om Hem niet te vervolgen, maar indien water niet overvloedig genoeg is om het vuur te blussen, dan zal het vuur er door aangewakkerd worden. Zij zeiden wat Jezus gedaan had, en zeiden niet meer dan wat waar was, maar hun boosaardigheid gaf iets duivels aan hun mededeling, zodat zij met liegen gelijk stond, de waarheid te verkeren en te verderven is even slecht als onwaarheid te verzinnen. Doëg wordt aangeduid als iemand met ene tong als een geslepen scheermes, werkende bedrog, Psalm 52:4, ene bedrieglijke tong, Psalm 120:3, hoewel hetgeen hij zei waar was.
2. De rechters, de blinde leidslieden des volks, waren niet minder in toorn ontstoken door het bericht, dat zij ontvingen, en hier wordt ons gezegd wat zij deden.
a. Er wordt een bijzondere raadsvergadering gehouden, vers 47. De overpriesters dan en de Farizeeën vergaderden den raad, gelijk voorzegd was, Psalm 2:2. De vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere. De beraadslagingen van het sanhedrin waren bestemd voor het openbare welzijn, maar onder schijn hiervan wordt aan het volk het grootste kwaad gedaan. Hetgeen tot den vrede der natie diende was verborgen voor de ogen van hen, aan wie hare belangen waren toevertrouwd. Deze raadsvergadering was belegd, niet slechts om te zamen overleg te plegen, maar om elkaar tot toorn op te wekken, opdat zij, gelijk men ijzer scherpt met ijzer, en gelijk de dove kool is om de vurige kool en het hout om het vuur, elkaar in toorn en woedende vijandschap zullen ontsteken tegen Christus en Zijne leer.
b. De zaak wordt ter tafel gebracht waarover zij moeten beraadslagen, en zij wordt verklaard van groot gewicht en verreikende gevolgen te zijn. De zaak, die behandeld moet worden was: welke maatregelen zij moesten nemen tegen dezen Jezus, ten einde Zijn toenemenden invloed tegen te gaan. Wat zullen wij doen? zeiden zij, want deze mens doet vele tekenen. Het bericht omtrent de opwekking werd meegedeeld, en de " mannen, broeders en vaders" werden met evenveel ijver ter hulp geroepen, alsof een geduchte vijand met een sterk leger het hart van hun land was binnengedrongen. Ten eerste. Zij erkennen de waarheid van Christus' wonderen, en dat Hij er velen gewrocht had, daarom getuigen zij tegen zich zelven, want zij erkennen Zijne geloofsbrieven als echt, en loochenen toch Zijne zending. Ten tweede. Zij overwegen wat er gedaan moet worden, en berispen er zich zelven om, dat zij niet reeds vroeger afdoende maatregelen hadden genomen, om Hem te verpletteren. Zij nemen volstrekt niet in overweging, of zij Hem ontvangen en erkennen moeten als den Messias, hoewel zij zeggen Hem te verwachten, en Jezus gewichtige en nadrukkelijke bewijzen had gegeven, dat Hij het was: maar zij nemen als bewezen aan, dat Hij een vijand is, en als zodanig vernietigd moest worden.
"Wat zullen wij doen? Moeten wij er niet voor zorgen de kerk te steunen? Is het ons onverschillig, dat ene leer, die zo indruist tegen onze belangen, verbreid wordt? Zullen wij gedwee toelaten, dat aan de genegenheid des volks voor ons afbreuk zal worden gedaan? Zullen wij ons gezag laten minachten, ons laten benadelen in onze middelen van bestaan, zonder dat wij daar iets tegen doen? Wat hebben wij al dien tijd toch gedaan? En waaraan denken wij thans? Zullen wij altijd praten, en nooit iets tot stand brengen?" Hetgeen die zaak van gewicht maakte, was het gevaar, dat zij voor hun kerk en volk duchten van de zijde der Romeinen, vers 48. "Indien wij hem niet tot zwijgen brengen en hem weg doen, dan zullen allen in hem geloven, hem tot koning maken. Hierdoor zullen de Romeinen zich beledigd achten, met een leger komen, en wegnemen beide onze plaats en ons volk, en daarom is het nu geen tijd van beuzelen". Zie wat mening zij hebben: Ten eerste. Van hun eigene macht. Zij spreken, alsof zij denken, dat Christus' voortgang en voorspoed afhingen van hun oogluikend toelaten er van, alsof Hij gene wonderen kon werken, en gene discipelen kon maken, of zij moesten Hem laten geworden, alsof het in hun macht was Hem ten onder te brengen, te overwinnen, die den dood had overwonnen, of alsof zij tegen God konden strijden en voorspoedig zijn. Maar die in den hemel zit, lacht om de dwaze inbeelding, die de machteloze boosheid van hare eigene almacht heeft.
Ten tweede. Van hun eigen beleid. Zij verbeelden zich mannen te zijn van groot doorzicht en schranderheid in hun voorspellingen.
a. Zij nemen het op zich te profeteren, dat, zo men Hem de vrijheid laat voort te gaan, weldra allen in Hem zullen geloven, hiermede erkennende, nu het in hun kraam te pas kwam, dat Zijne leer en Zijne wonderen ene grote kracht van overtuiging hadden, die niet weerstaan kon worden, zodat alle mensen Zijne bekeerlingen en volgelingen zullen worden. Zo stellen zij het nu dan voor, alsof Hij een groten, machtigen invloed had, hoewel diezelfde mannen, als dit meer met hun doeleinden strookte, dien invloed als volstrekt onbeduidend voorstelden, Hoofdstuk 7:48, Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd? Dat was het wat zij duchtten, dat de mensen in Hem zouden geloven, want dan zouden al hun maatregelen op niets uitlopen. De voorspoed van het Evangelie is hetgeen door de tegenstanders er van gevreesd wordt, als zielen behouden worden, dan is het met hen gedaan.
b. Zij voorzeggen, dat indien de meerderheid des volks tot Hem over gaat, dit hun den toorn der Romeinen op den hals zal halen. Zij zullen komen en wegnemen beide onze plaats en volk, onze plaats: het land in het algemeen, inzonderheid Jeruzalem of de tempel, de heiligeplaats, en hun plaats, hun afgod, of hun ambt in den tempel, hun plaats van macht en vertrouwen. Nu was het waar, dat de Romeinen hen met zeer achterdochtige blikken gadesloegen, wetende dat hun niets dan de macht of de gelegenheid ontbrak om hun juk af te schudden. Even waar was het, dat, zo de Romeinen met een leger bij hen binnendrongen, het hun zeer zwaar zou vallen hen te weerstaan, maar hier bleek ene lafhartigheid, die men in de priesters des Heeren niet gevonden zou hebben, indien zij door hun boosheid alle gunst van God en goede mensen niet hadden verbeurd. Indien zij in hun oprechtigheid hadden volhard, dan hadden zij de Romeinen niet behoeven te vrezen, maar zij spreken als moedeloze lieden, zoals de mannen van Juda spraken, toen zij laag en lafhartig tot Simson zeiden: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Richteren 15:11. Als de mensen hun Godsvrucht verliezen, dan verliezen zij ook den moed. Maar:
a. het was niet waar, dat er gevaar was, dat de Romeinen vertoornd zouden zijn op hun volk vanwege den voortgang van Christus' Evangelie, want het was in geen enkel opzicht koningen of landschappen schade aanbrengende, maar wel was het er weldadig voor. De Romeinen waren volstrekt niet naijverig op Zijn toenemenden invloed, want Hij leerde den mensen den keizer schatting te geven, den boze niet te weerstaan, maar het kruis op zich te nemen. Bij zijn verhoor kon de Romeinse stadhouder gene schuld in Hem vinden. Er was meer gevaar, dat de Romeinen door de priesters op het Joodse volk vertoornd zouden worden dan door Christus. Voorgewende vrees is dikwijls de dekmantel geweest van boze plannen.
b. En al ware er gevaar geweest van de Romeinen te mishagen, door Christus' prediking te dulden, dan zou hun haten en vervolgen van een Godvruchtige er toch niet door gerechtvaardigd zijn. De vijanden van Christus en Zijn Evangelie hebben dikwijls aan hun vijandschap den schijn gegeven van zorge voor het openbare welzijn en de algemene veiligheid, en daarom hebben zij dan profeten en leraren als beroerders Israël's gebrandmerkt, of als mensen, die de wereld in roer hebben gesteld. Ene vleselijke staatkunde zal gewoonlijk redenen van staat stellen tegenover de regelen der gerechtigheid. Als de mensen meer geven om hun rijkdom en hun veiligheid dan om waarheid en plicht, dan is dit ene wijsheid van beneden, welke aards, natuurlijk, duivels is. Maar zie wat de uitkomst er van is: zij wendden voor te vrezen, dat een dulden van Christus' Evangelie verwoesting en verdelging door de Romeinen over hen zou brengen, en daarom zullen zij er zich terecht of te onrecht tegen stellen, maar het bleek, dat hun vervolging van het Evangelie juist datgene over hen bracht, dat zij vreesden, de mate hunner ongerechtigheid vol deed worden, en de Romeinen kwamen, en namen weg beide hun plaats en hun volk, en hun plaats kent hen niet meer. Als wij aan ene ramp zoeken te ontkomen door zonde, dan doen wij juist al het mogelijke om die ramp over ons te brengen, en zij, die denken door Christus' koninkrijk tegen te staan, hun eigene wereldse belangen te bevorderen, zullen bevinden, dat Jeruzalem een zwaarder steen is dan zij denken, Zacheria 12:3. 1) De vreze des goddelozen zal hun overkomen, Spreuken 10:24.
c. Kajafas houdt bij die gelegenheid ene boosaardig bedoelde rede, waarin echter ene verborgenheid lag opgesloten. Het boosaardige er van blijkt terstond, vers 49, 50. De hogepriester zijnde, en dus voorzitter van den raad, nam hij het op zich de zaak te beslissen nog voor er over gedebatteerd werd: "Gij verstaat niets, uw aarzelen bewijst uwe onwetendheid, want het is gene zaak, waarover geredetwist kan worden, gij zult spoedig tot een besluit komen, als gij dit algemeen erkende grondbeginsel in aanmerking neemt: dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk. Die raadgever was Kajafas, die in dat jaar hogepriester was. Het hogepriesterschap moest naar Goddelijk bestel bekleed worden door een mannelijken erfgenaam uit het huis van Aäron, en wel gedurende zijn leven, en ging daarna aan zijn mannelijken erfgenaam over, maar in deze ontaarde tijden was het wel niet, gelijk het consulschap, een jaarlijks ambt geworden, maar er had toch dikwijls verandering plaats, al naar mate men invloed had bij de Romeinse overheid. Nu gebeurde het, dat in dit jaar Kajafas den hogepriestershoed droeg. De strekking van zijn raad was-kort samengevat-deze: Dat er het een of ander middel bedacht moest worden om Jezus te doden. Wij hebben redenen te geloven, dat zij een sterk vermoeden hadden, dat Hij waarlijk de Messias was, maar Zijne leer druiste zozeer in tegen hun geliefkoosde inzettingen en wereldse belangen, en Zijn bedoelen was zo in strijd met hun denkbeelden omtrent het koninkrijk van den Messias, dat zij besluiten, dat Hij-wie Hij ook moge wezen-ter dood gebracht moet worden. Kajafas zegt niet: Laat hem het zwijgen worden opgelegd, laat hij gevangen genomen of verbannen worden, hoewel dit genoeg zou zijn om iemand, dien zij gevaarlijk achtten, in bedwang te houden, maar neen, hij moet sterven. Zij, die zich tegen het Christendom hebben gesteld, hebben gewoonlijk alle menselijkheid afgeschud, en zijn berucht geworden om hun wreedheid. Dit wordt onder een zeer schonen schijn voorgesteld, met al de list en al de boosheid van de oude slang.
1. Hij wijst op zijne eigene schranderheid, waarin hij, naar wij moeten denken, als hogepriester heeft uitgemunt, hoewel de Urim en Thummin reeds sedert lang verloren waren. Hoe minachtend zegt hij: "Gij verstaat niets, gij, die slechts gewone priesters zijt, maar gij moet mij toelaten verder, dieper inzicht in die dingen te hebben dan gij!" Zo is het de gewoonte van hen, die het gezag in handen hebben, krachtens dit gezag hun verdorvene meningen aan anderen op te leggen, en, omdat zij de wijsten en besten behoorden te zijn, te verwachten, dat iedereen zal geloven, dat zij het ook werkelijk zijn.
2. Hij acht het ene uitgemaakte zaak, dat het geval eenvoudig en onbetwistbaar is, en
dat diegenen zeer onwetend zijn, die het niet als zodanig inzien. Rede en recht worden dikwijls door de hoge hand der verdrukkers ter neergeworpen. De waarheid struikelt op de straat, en als zij gevallen is, zo laat haar blijven liggen, en wat recht is kan er niet ingaan, en als het buiten is, zo laat het buiten blijven, Jesaja 59:14.
3. Hij legt nadruk op een grondbeginsel in de staatkunde: dat het welzijn van het gemenebest boven dat van bijzondere personen gaat.
Het is ons als priesters, daar al onze belangen er mede gemoeid zijn, nut, dat een mens sterve voor het volk. In zoverre spreekt hij de waarheid, het is nut, ja meer, het is waarlijk eervol, dat een mens zijn leven in de waagschaal stelt ten dienste van zijn land, Filippenzen 2:17, 1 Johannes 3:16, maar een onschuldige ter dood te brengen onder schijn van voor de openbare veiligheid te zorgen, dat is de staatkunde des duivels. Kajafas oppert listiglijk het denkbeeld dat de grootste en beste mens wel groter is dan iedere mens, maar toch kleiner, dat is van minder betekenis is, dan het volk als geheel, en dat hij kan achten zijn leven goed besteed, ja zelfs goed verloren te hebben, als hij er zijn land voor ondergang door kan behoeden. Maar wat heeft dit te doen met den moord, gepleegd op een mens, die blijkbaar ten grootsten zegen is, onder voorwendsel van een denkbeeldig kwaad van het land af te wenden? De zaak had aldus voorgesteld moeten worden: Was het nut voor hen om over hen zelven en over hun volk bloedschuld te laten komen, het bloed eens profeten, ter beveiliging van hun burgerlijke belangen tegen een gevaar, dat zij gene reden hadden te vrezen? Was het hun nut God en Zijne heerlijkheid van hen weg te drijven, veeleer dan zich aan het ongenoegen der Romeinen bloot te stellen, die hun geen leed konden doen, zo God aan hun zijde was? Ene vleselijke staatkunde, die alleen met wereldlijke belangen te rade gaat, zal, alles denkende te redden door zonde, ten laatste alles verderven. De verborgenheid, die in dezen raad van Kajafas lag opgesloten, wordt niet op den eersten aanblik gezin, maar de evangelist leidt ons er toe in, vers 51, 52. Dit zei hij niet uit zich zelven, het was niet bloot de taal van zijne eigene vijandschap en staatkunde, maar in deze woorden profeteerde hij, ofschoon hij er zich niet van bewust was, dat Jezus sterven zou voor het volk. Hier is ene kostelijke verklaring van een' verderfelijken tekst, de raad van den gevloekten Kajafas zo uitgelegd, dat hij in overeenstemming komt met den raad des gezegenden Gods. De liefde leert ons aan der mensen woorden en daden de gunstigst mogelijke uitlegging te geven, maar de Godsvrucht leert ons ze tot een goed gebruik aan te wenden, zelfs tot het tegenovergestelde gebruik van hetgeen er mede bedoeld werd. Indien slechte mensen in hetgeen zij tegen ons doen de hand Gods zijn om ons te verootmoedigen en te verbeteren, waarom zouden zij dan niet in hetgeen zij tegen ons spreken Gods mond kunnen zijn, om ons te onderwijzen en te overtuigen? Maar in dit woord van Kajafas was ene buitengewone bestiering van den hemel, die hem deed zeggen, hetgeen van hoog verheven betekenis was. Gelijk het hart van alle mensen in Gods hand is, zo is ook hun tong onder Zijn bestuur. Diegenen bedriegen zich, welke zeggen: Onze tong behoort ons, zodat wij, of mogen zeggen wat wij willen zonder er voor Gods gericht verantwoordelijk voor te zijn, of kunnen zeggen wat wij willen zonder dat Zijne macht en voorzienigheid het ons kan beletten. Bileam kon niet zeggen wat hij wilde, toen hij kwam om Israël te vervloeken, evenmin als Laban toen hij Jakob vervolgde.
d. De evangelist verklaart de woorden van Kajafas. Hij toont aan, dat zij niet alleen geschikt maar ook bestemd waren om tot een voortreffelijk doeleinde te dienen. Hij sprak dit niet uit zich zelven. Als kunstgreep om den raad tegen Christus op te zetten, zei hij het uit zich zelven, of liever uit den duivel, maar als profetie, het voornemen Gods verklarende, om door den dood van Christus Gods geestelijk Israël van de zonde en den toorn te verlossen, heeft hij het niet uit zich zelven gezegd, want van die zaak wist hij niets, hij meende het niet en in zijn hart dacht hij het niet, want in zijn hart was gene andere gedachte dan om te verdelgen en uit te roeien, Jesaja 10:7.
Ten eerste. Hij profeteerde, en zij, die geprofeteerd hebben, hebben niet uit zich zelven gesproken. Maar is Kajafas ook onder de profeten? Ja, hij is het, pro hác vice -ditmaal, hoewel hij een slecht mens, en een vijand is van Christus en Zijn Evangelie. God kan gebruik maken van slechte mensen om Zijne eigene voornemens en bedoelingen tot stand te brengen, en dikwijls doet Hij dat ook, want Hij houdt hen niet slechts aan ene keten om hen te weerhouden van het kwaad te doen, dat zij zouden willen doen, maar ook in toom, om hen te leiden tot het werk en den dienst, dien zij niet zouden willen verrichten. Woorden van profetie in den mond zijn ook geen onfeilbaar bewijs van genade in het hart. Heere, Heere, hebben wij niet in Uwen naam geprofeteerd? Dat zal ene pleitrede wezen, die als beuzelachtig verworpen zal worden.
Ten tweede. Hij profeteerde, zijnde hogepriester deszelven jaars, niet alsof het feit, dat hij hogepriester was, hem geneigd of bevoegd maakte om een profeet te zijn, wij kunnen niet veronderstellen, dat de hogepriesterlijke hoed den slechtsten man, die hem ooit gedragen heeft, het eerst profetie zou ingegeven hebben, maar:
1. Hogepriester zijnde, en dus van hoog aanzien in den raad, heeft het God behaagd hem veeleer dan een ander dit woord van zo hoge betekenis in den mond te leggen, ten einde het des te meer opgemerkt zou worden, of opdat het niet opmerken ervan des te minder te verontschuldigen zou zijn. De kernspreuken van grote mannen heeft men altijd bijzondere aandacht waardig gekeurd. "Ene Goddelijke spreuk is op de lippen des konings", Spreuken 16:10 1), daarom was deze Goddelijke spreuk, of waarzegging, op de lippen des hogepriesters gelegd, opdat zelfs uit zijn mond dit woord bevestigd zou worden: dat Christus stierf tot heil des volks, en niet omdat er onrecht in Zijne handen was. Hij was hogepriester in het jaar, dat bestemd was, om het jaar der verlosten te zijn, wanneer "Messias, de Vorst, uitgeroeid zou worden", Daniël 9:26, en hij moet dit erkennen en uitspreken.
2. Deszelven jaars hogepriester zijnde, in het vermaarde en merkwaardige jaar, toen er zulk ene overvloedige uitstorting des Geestes geschiedde, meer overvloedig dan ooit te voren, overeenkomstig de profetie, Joël 2:28, 29, vergeleken met Handelingen 2:17, zijn enige droppelen van den uitgegoten stroom op Kajafas gevallen, zoals de kruimkens, zegt Dr. Lightfoot, die van de tafel der kinderen vallen voor de honden. Dat jaar was het einde van het Levitische priesterschap, en uit den mond van hem, die dat jaar hogepriester was, was de onbepaalde overgave er van afgedwongen aan Hem, die niet, (gelijk zij gedurende zo vele eeuwen gedaan hadden) dieren heeft geofferd, en aldus een einde heeft gemaakt aan het zondoffer. Deze overgave deed hij onwetend, zoals Izaak onwetend den zegen aan Jakob heeft gegeven.
Ten derde. De inhoud van zijne profetie was, dat Jezus voor het volk zou sterven, dus juist de zaak, waarvan alle profeten hebben getuigd, die te voren getuigden het lijden, dat op Christus komen zou, 1 Petrus 1:11, dat de dood van Christus het leven en de zaligheid van Israël zijn zou. Hij bedoelde met het volk diegenen er van, die hardnekkig het Judaïsme bleven aankleven, maar God bedoelde er mede hen, die de leer van Christus wilden ontvangen en geloven, en Zijne volgelingen wilden worden, alle gelovigen, het geestelijk zaad van Abraham. De dood van Christus, dien Kajafas thans beraamde, bleek het verderf te wezen der belangen van het volk, voor hetwelk hij het als de veiligheid en bevestiging bedoelde, want hierdoor is de toorn over hen gekomen tot het einde. Maar hij bleek de bevordering te zijn van de belangen, waarvan hij hoopte, dat zij er door vernietigd zouden worden, want Christus, van de aarde verhoogd zijnde, heeft allen tot zich getrokken. Het is iets groots, dat hier geprofeteerd wordt: Dat Jezus zou sterven, voor anderen zou sterven, niet slechts voor hun welzijn, maar in hun plaats, sterven voor dat volk, want aan hen was de eerste aanbieding der zaligheid gedaan door Zijn dood. Indien het gehele volk der Joden eenstemmig in Christus had geloofd, en Zijn Evangelie had aangenomen, dan zouden zij niet slechts voor eeuwig behouden zijn geweest, maar ook als volk verlost zijn geworden van hun leed. De fontein was het eerst geopend voor het huis David's, Zacheria 13:1. Hij is voor dat volk in dier voege gestorven, dat niet het gehele volk ten verderve ging, maar dat een overblijfsel behouden werd, Romeinen 11:5. De evangelist geeft ene uitbreiding aan dit woord van Kajafas, vers 52. En niet alleen voor dat volk, hoe zij zich ook de beminden, de uitverkorenen des hemels dachten, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen. Let hier: Ten eerste. Op de personen, voor wie Christus gestorven is: niet alleen voor dat volk der Joden (het zou vergelijkender wijs gesproken, te gering geweest zijn voor den Zone Gods, om zo groot een werk te doen alleen maar om de stammen van Jacob op te richten en de bewaarden in Israël weer te brengen) neen, Hij moet het heil zijn tot aan de einden der aarde, Jesaja 49:6. Hij moet sterven voor de kinderen Gods, die verstrooid waren.
1. Sommigen verstaan dit van de kinderen Gods, die toen in wezen waren, verstrooid onder de Heidenen, Godvruchtige mannen van alle volken, Handelingen 2:5, die God vreesden, Handelingen 10:2, proselieten der poort, die den God van Abraham dienden, maar zich niet onderwierpen aan de ceremoniële wet van Mozes, mensen, die door den natuurlijken Godsdienst enig licht hadden, maar verstrooid waren onder de volken, gene eigene plechtige bijeenkomsten hadden, gene bijzondere belijdenis, die hen aan elkaar verbond, of van anderen onderscheidde. Nu is Christus gestorven om dezen tot een groot lichaam saam te voegen om naar Hem genoemd en door Hem geregeerd te worden, en dit was het oprichten ener banier, tot welke allen, die God vreesden, en zorgden voor hun ziel, zich heen konden begeven, om er zich onder te scharen.
2. Anderen voegen bij dezen ook allen, die tot de verkiezing der genade behoren en kinderen Gods worden genoemd, hoewel zij nog niet geboren zijn, omdat zij te voren verordineerd zijn tot kinderen, Efeze 1:5. Dezen nu zijn verstrooid in onderscheidene plaatsen der aarde, onder alle geslachten en volken, Openbaring 7:9 en in onderscheidene tijden der wereld tot aan het einde des tijds, dat zijn zij, die Hem vrezen van geslacht tot geslacht. Op die allen heeft Hij het oog gehad in de verzoening, die Hij gedaan heeft door Zijn bloed, gelijk Hij heeft gebeden, zo is Hij gestorven, voor allen, die in Hem zullen geloven.
Ten tweede. Het doel van Zijn dood betreffende deze personen: Hij stierf om de afgedwaalden weer te brengen, en tot een te vergaderen, die verstrooid zijn, om hen tot zich te roepen, die verre van Hem zijn, en in Hem diegenen met elkaar te verenigen, die ver van elkaar verwijderd zijn. Christus' dood is:
1. De grote aantrekkingskracht voor ons hart, Hij is van de aarde verhoogd, om allen tot zich te trekken. De bekering der zielen is ze bijeen te vergaderen tot Christus als hun Gids en Toevlucht, zoals duiven tot hare vensters, en om dit teweeg te brengen is Hij gestorven. Door te sterven heeft Hij hen zich gekocht, alsmede de gave des Heiligen Geestes voor hen, Zijne liefde in Zijn sterven voor ons is de grootste magneet onzer liefde.
2. Het grote middelpunt onzer eenheid. Hij vergadert alles tot een, Efeze 1:10. Zij zijn een met Hem, een lichaam, een geest, een met elkaar in Hem. Al de heiligen aan alle plaatsen en in alle eeuwen ontmoeten elkaar in Christus, gelijk alle leden in het hoofd, en alle takken in den wortel. Door de verdienste van Zijn dood heeft Christus al de heiligen in een der genade en gunst van God bevolen, Hebreeën 2:11-13, en, door de beweegoorzaak van Zijn dood heeft Hij hen onderscheidenlijk in elkanders goede gezindheid en liefde bevolen, Hoofdstuk 13:34. e. De uitslag van deze bespreking is een besluit van den raad om Jezus ter dood te brengen, vers 53. Van dien dag af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden. Nu begrepen zij elkanders bedoelen, en zo was ieder bij zich zelven besloten, dat Jezus moest sterven, en het scheen, dat een comite benoemd was om elke dag te vergaderen en te beraadslagen hoe het besluit ten uitvoer te brengen. De goddeloosheid der bozen rijpt trapsgewijze, Jakobus 1:15, Ezechiël 7:10. Zij waren nu twee grote stappen gevorderd in hun gevloekt voornemen tegen Christus. Hetgeen te voren door ieder afzonderlijk gedacht was, was nu ene beslotene zaak, waaromtrent zij samen stemden, en aldus sterkten zij elkanders handen in deze boosheid, en werkten zij dus met des te groter zekerheid. Slechte mensen bevestigen elkaar in het kwade, en moedigen elkaar er toe aan. Mensen van een verdorven gemoed achten zich gelukkig als zij anderen in ene zelfde gezindheid vinden: de boosheid, die te voren onuitvoerbaar scheen, blijkt dan niet slechts mogelijk, maar gemakkelijk te volvoeren, vis unita fortior -verenigde krachten brengen krachtdadiger uitwerking teweeg. Wat zij te voren wensen te doen, maar waarvoor zij een voorwendsel nodig hadden, kunnen zij dan nu doen, daar hun ene schoonschijnende reden gegeven is om er zich in te rechtvaardigen, en die dienen zal, zo niet om de schuld weg te nemen (hetgeen wel het minst is waarom zij zich bekommeren) maar dan toch om er den blaam van weg te nemen, en aldus, indien niet het persoonlijke, dan toch het politieke geweten te bevredigen. Velen zullen zeer gerust voortgaan met kwaad doen, zolang zij slechts ene verontschuldiging er voor kunnen aanvoeren. Nu wordt door hun besluit, om Hem terecht of te onrecht ter dood te brengen, bewezen, dat het rechtsgeding, dat zij later tegen Hem begonnen, en het verhoor, dat zij Hem lieten ondergaan, niets dan blote schijn was, zij hadden te voren reeds bepaald wat zij doen zouden.
f. Hierop heeft Christus zich verborgen, wèl wetende, wat de uitslag hunner beraadslaging was, vers 54. Hij hield op van in het openbaar te verschijnen: Jezus wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, onder de inwoners van Judea, inzonderheid onder die van Jeruzalem, de eigenlijk gezegde Joden. Hij ging niet meer van plaats tot plaats om te prediken en wonderen te werken zo vrijelijk als Hij het te voren gedaan had, maar zo lang Hij nog in Judea verbleef, was Hij er incognito. Aldus hebben de overpriesters het licht Israël's onder ene korenmaat gesteld. Hij trok zich terug naar een onbekend deel des lands, zo onbekend, dat de naam der stad werwaarts Hij heenging, schier nergens elders wordt aangetroffen. Hij ging naar het land bij de woestijn, alsof Hij van onder de mensen verdreven was, of liever, met Jeremia wensende ene herberg der wandelaars te hebben in de woestijn, Jeremia 9:2. Hij ging naar de stad, genaamd Efraïm, sommigen denken Efrata, dat is Bethlehem, waar Hij geboren was, en dat aan de woestijn van Juda grensde, anderen denken Efron, of Efraïm, vermeld in 2 Kronieken 13:19. Derwaarts zijn Zijne discipelen met Hem gegaan, zij wilden Hem niet eenzaam laten blijven, en Hij wilde hen niet in gevaar laten. Aldaar verkeerde Hij, daar wist Hij dien tijd Zijner afzondering te benutten voor bijzondere gesprekken met Zijne discipelen, nu Hij de gelegenheid niet had om in het openbaar te prediken. Hij verkeerde met Zijne discipelen, die Zijn gezin uitmaakten, toen Hij van den tempel verdreven was, en Zijne redenen of gesprekken waren ongetwijfeld zeer stichtelijk. Wij moeten het goede doen, dat wij kunnen, als wij het goede niet kunnen doen, dat wij willen. Maar waarom heeft Christus zich nu verborgen? Het was noch uit vrees voor de macht Zijner vijanden, noch uit wantrouwen in Zijne eigene macht, Hij had velerlei middelen om zich te beveiligen en te behouden, en van lijden was Hij niet afkerig en er ook niet onvoorbereid op. Maar Hij trok zich terug: Ten eerste. Om Zijn ongenoegen aan te duiden over Jeruzalem en het volk der Joden. Zij hebben Hem en Zijn Evangelie verworpen, het was dus rechtvaardig, dat Hij zich en Zijn Evangelie aan hen onttrok. Dat was een droevig voorteken van die dikke duisternis, die weldra over Jeruzalem komen zou, omdat zij den dag hunner bezoeking niet bekend hebben.
Ten tweede. Omdat de wreedheid Zijner vijanden jegens Hem des te minder te verontschuldigen zou zijn. Indien Zijne openbare verschijning drukkend voor hen was en gevaarlijk geacht werd voor het publiek, dan wilde Hij beproeven of hun toorn afgekeerd kon worden door Zijne afzondering, toen David naar Gath gevlucht was, was Saul tevreden, en voer hij niet meer voort hem te zoeken, 1 Samuël 27:4. Maar het was het leven, het dierbare leven, dat deze boze mannen zochten.
Ten derde. Zijne ure was nog niet gekomen, en daarom ontweek Hij het gevaar, en deed dit op de wijze, die den mensen eigen is, om daardoor de vlucht te wettigen en aan te moedigen van Zijne dienstknechten in tijden van vervolging, en diegenen te vertroosten, welke weggerukt worden uit hun nuttigen werkkring, en zich in een afgelegen, onbekend oord moeten gaan verbergen, de discipel is niet meerder dan zijn Heere.
Ten vierde. Zijne afzondering voor ene wijle diende om Zijn terugkeer naar Jeruzalem, toen Zijne ure gekomen was, des te merkwaardiger te maken. Het heeft de blijde juichtonen uitgelokt, waarmee zij, die Hem genegen en welgezind waren, Hem bij Zijne openbare verschijning hebben verwelkomd, toen Hij in triomf de stad binnenreed.
g. Het strenge onderzoek, dat toen naar Hem gedaan werd, vers 55-57. De aanleiding hiertoe was het naderende feest van het pascha, waarvoor zij Zijne tegenwoordigheid verwachtten, overeenkomstig Zijne gewoonte, vers 55. Het pascha der Joden was nabij, een feest, waarvan reeds enigen tijd te voren grote verwachtingen gekoesterd werden. Dit was Christus' vierde en laatste pascha sedert Zijne openbare bediening, en men kon er in waarheid van zeggen, zoals in 2 Kronieken 35:18:Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, want op hetzelve is Christus, ons Pascha, voor ons geslacht. Het pascha nu nabij zijnde, gingen velen uit alle delen des lands op naar Jeruzalem, opdat zij zich zelven reinigden. Dat kan: Ten eerste, ene noodzakelijke reiniging geweest zijn van hen, die zich volgens de ceremoniële wet op de ene of andere wijze verontreinigd hadden, zij kwamen om besprengd te worden met water der ontzondiging en de overige plechtigheden der reiniging te vervullen volgens de wet, want zij mochten het pascha niet houden in hun onreinheid, Numeri 9:6. Aldus behoren wij voor ons Evangelie-pascha onze bekering te vernieuwen, en ons door het geloof te wassen in het bloed van Christus, en "rondom Gods altaar te gaan". Ten tweede. Het kan ene vrijwillige reiniging geweest zijn, een zich heiligen door vasten en bidden en andere Godsdienstige oefeningen, waaraan velen, die vromer waren dan anderen, zich enigen tijd voor het pascha overgaven, en dit het liefst te Jeruzalem deden, omdat zij er het voor recht van den tempeldienst hadden. Aldus moeten wij door ene plechtige voorbereiding den berg bepalen, waarop wij verwachten God te zullen ontmoeten. Het onderzoek geschiedde met grote belangstelling en zorg. Zij zeiden onder elkaar: Wat dunkt u? dunkt u, dat hij niet komen zal tot het feest? vers 56.
Ten eerste. Sommigen denken, dat dit gezegd werd door hen, die Hem welgezind waren, en Zijne komst verwachtten, om Zijne leer te horen en Zijne wonderen te zien. Zij, die vroeg van uit de provincie waren gekomen om zich te reinigen, waren zeer verlangend om Christus te ontmoeten, en wellicht zijn zij in die verwachting vroeger gekomen, daarom hebben zij, staande in den tempel, de plaats hunner reiniging, naar berichten omtrent Christus gevraagd. Kon iemand hun hoop geven, dat zij Hem zien zullen? Indien er dezulken waren, en dezulken behoorden tot de vroomsten en die het meeste belang stelden in den Godsdienst, die voor Christus dezen eerbied aan den dag legden, dan was dit een slag voor de vijandschap der overpriesters en een getuigenis tegen hen.
Ten tweede. Het heeft echter den schijn alsof het veeleer Zijne vijanden waren, die dit onderzoek naar Hem instelden, en naar de gelegenheid verlangden om Hem te grijpen. Ziende, dat de stad zich begon te vullen met lieden van het land, verwonderden zij zich Hem niet onder hen te vinden. Toen zij naar den plicht van hun ambt hun behulpzaam hadden moeten zijn, die gekomen waren om zich te reinigen, hielden zij zich bezig met tegen Christus samen te spannen. Hoe ontzettend ontaard was de Joodse kerk, nu de priesters des Heeren als de priesters der kalveren waren geworden een strik te Mizpa, en een uitgespannen net op Tabor, en zich verdiepten om te slachten, Hosea 5:1, 2, -toen zij, in plaats van het feest der ongezuurde broden te houden, zelven doortrokken waren van den zuurdesem der grootste boosaardigheid! Hun vragen: Wat dunkt u? Zal hij niet komen tot het feest? duidt aan:
1. Een hatelijk vermoeden tegen Christus, alsof Hij het feest des Heeren niet zou bijwonen uit vrees van zich aan gevaar bloot te stellen. Indien anderen uit onverschilligheid voor den Godsdienst wegblijven, dan wordt daar gene aanmerking op gemaakt, maar als Christus afwezig is om zich voor gevaar te behoeden (want God wil barmhartigheid, en gene offerande) dan wordt Hem dit tot smaad gerekend, zoals het David ten smaad werd aangerekend, toen zijne plaats op het feest ledig bleef, hoewel Saul zijne tegenwoordigheid slechts begeerde om de gelegenheid te hebben van hem met zijne spies aan den wand te spitten, 1 Samuël 20:25-27. Het is treurig om heilige inzettingen tot zo onheilige doeleinden misbruikt te zien.
2. De vrees, dat Hij hun zou ontkomen. "Zal hij niet komen tot het feest? Indien hij niet komt, dan zullen onze plannen in duigen vallen, en dan is het met ons gedaan, want wij kunnen geen staatsbode naar het land zenden om hem te halen." De orders der regering om Hem gevangen te nemen waren zeer streng, vers 57. Onder voorgeven, dat Hij een misdadiger was, die het gerecht was ontvlucht, had het grote sanhedrin een bevelschrift uitgevaardigd, waarbij aan ieder, die wist waar Hij was, gelast werd het te kennen te geven, opdat Hij gevangen genomen zou worden. Waarschijnlijk was er ook ene beloning toegezegd aan wie Hem zou ontdekken, en werd straf bedreigd aan wie Hem ene schuilplaats zou verlenen: zodat Hij den volke als een schadelijk en gevaarlijk mens werd voorgesteld, een vogelvrijverklaarde, dien ieder het recht had te doden. Saul heeft zulk een bevel uitgevaardigd voor de gevangenneming van David, en Achab van Elia. Zie nu, ten eerste. Hoe ijverig zij zich toelegden op deze vervolging, hoe onvermoeid zij er werkzaam voor waren, en dat wel op een tijd, wanneer, indien zij enigen Godsdienstzin hadden gehad, of enig besef van den plicht, dien hun ambt hun voorschreef, zij het moeilijk gevonden zouden hebben om iets anders te doen. Ten tweede. Hoe bereid zij waren, om anderen in hun zonde te doen delen, indien iemand bij machte was Christus over te leveren, dan wilden zij, dat hij zich verplicht zou achten het te doen. Aldus misbruikten zij tot de slechtste doeleinden den invloed, dien zij hadden op het volk. Het is ene verzwaring van de zonden der goddeloze regeerders, dat zij gewoonlijk hun onderhorigen tot de werktuigen maken van hun ongerechtigheid. Maar zo groot was de liefde, die sommigen voor Hem koesterden, en zo groot Gods macht over de gewetens van anderen, dat Hij, in weerwil van dit uitgevaardigd bevel, en ofschoon sommigen voorzeker wel geweten hebben waar Hij was, toch onontdekt is gebleven, want de Heere had Hem verborgen.