Markus 14:43-52
Wij hebben hier de gevangenneming van onzen Heere Jezus door de beambten van de overpriesters. Dit was wat Zijne vijanden reeds lang op het oog hadden, zij hadden reeds dikwijls lieden uitgezonden om Hem te grijpen, maar Hij was aan hun handen ontkomen omdat Zijne ure nog niet was gekomen, en zij zouden Hem thans evenmin hebben kunnen grijpen, indien Hij zich niet vrijwillig aan hen had overgegeven. Eerst begon Hij te lijden in Zijne ziel, maar daarna in Zijn lichaam, ten einde verzoening te doen voor de zonde, die begint in het hart, maar daarna de leden van het lichaam stelt tot "wapenen der ongerechtigheid."
I. Een bende van ruwe booswichten wordt gebruikt om onzen Heere gevangen te nemen, een grote schare met zwaarden en stokken. Er is geen boosheid zo afschuwelijk, of er zullen onder de kinderen der mensen geschikte werktuigen voor gevonden worden, die daar niet voor terugdeinzen, zo ontzettend verdorven, is het mensdom. Aan het hoofd van dit gespuis is Judas, "een van de twaalven", een van hen, die gedurende vele jaren gemeenzaam met den Heere Jezus hebben omgegaan, in Zijn naam hadden geprofeteerd en in Zijn naam duivelen hadden uitgeworpen, en Hem toch verried. Het is niets nieuws, dat een zeer schoonschijnende belijdenis in een schandelijken afval eindigt. "Hoe zijt gij gevallen, o morgenster!"
II. Mannen van geen mindere betekenis dan de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen hadden hen gezonden en hen aan het werk gesteld, mannen, die voorgaven den Messias te verwachten en bereid te zijn Hem welkom te heten, en toch, als Hij gekomen is, en onmiskenbare bewijzen heeft geleverd dat Hij is, die komen zou, stellen zij zich tegen Hem, omdat Hij hun niet in het gevlei komt, hun pracht en aanzien niet goedkeurt of ondersteunt, niet verschijnt of optreedt als een aards vorst, maar een geestelijk koninkrijk opricht, bekering predikt en een heilige levenswijze, en der mensen gedachten en neigingen naar een andere wereld richt, zodat zij zonder Zijne geloofsbrieven aan een nauwkeurig en onpartijdig onderzoek te onderwerpen, besluiten Hem in minachting te brengen en te vernietigen.
III. Judas verried Hem met een kus, misbruik makende van de vrijheid, die Christus aan Zijne discipelen heeft toegestaan om Hem op de wang te kussen, als zij, na enigen tijd afwezig te zijn geweest, tot Hem terugkeerden. Hij noemde Hem: Rabbi, Rabbi! en kuste hem, alsof hij thans eerbiediger jegens Hem was dan ooit tevoren. Het is genoeg om iemand voor altijd er een afkeer van te doen opvatten om Rabbi, Rabbi genoemd te worden, Mattheus 23:7, daar het met deze plichtpleging was, dat Christus werd verraden. Hij zei hun: Grijpt hem en leidt hem zeker heen. Sommigen denken dat hij dit ironisch zei, wetende dat zij Hem niet konden grijpen zo Hij het niet wilde, dat deze Simson hun banden als gezengde vlasdraden kon verbreken, en hun kon ontkomen, en zo zou hij het geld, en Christus de eer hebben, terwijl er geen leed geschied was, en ik zou ook geneigd zijn dit te denken, maar Satan in hem gevaren zijnde is de boosaardigste bedoeling niet te slecht om haar in hem te veronderstellen. Daarenboven, hij had zijn Meester dikwijls horen zeggen, dat Hij, verraden zijnde, gekruisigd zou worden, en hij had geen reden om er anders over te denken.
IV. Zij grepen Hem en maakten Hem tot hun gevangene, vers 46. Zij sloegen hun handen aan Hem, ruwe gewelddadige handen, en grepen Hem, waarschijnlijk triomferende wijl zij nu gedaan hadden wat zo dikwijls tevergeefs beproefd was geworden. V. Petrus sloeg om zich heen om zijn Meester te verdedigen en wondde een der aanranders, daar hij zich voor het ogenblik nog de belofte herinnerde om zijn leven te wagen voor zijn Meester. Hij was een dergenen die daarbij stonden, een dergenen, die met Hem waren (zoals de betekenis is van het woord) een van de drie discipelen, die met Hem in den hof waren. Hij trok het zwaard, en bedoelde waarschijnlijk het hoofd af te slaan maar den slag missende, hieuw hij slechts het oor af van een dienstknecht des hogepriesters, vers 47. Het is gemakkelijker voor Christus te strijden dan voor Hem te sterven, maar de goede krijgsknechten van Christus overwinnen niet door anderen het leven te benemen, maar door hun eigen leven te geven. Openbaring 12:11.
VI. Christus spreekt met hen, die Hem hadden gegrepen, en toont hun het ongerijmde van hun handelwijze.
1. Dat zij tegen Hem zijn uitgegaan als tegen een moordenaar, terwijl Hij toch generlei misdaad begaan had, Hij was dagelijks bij hen in den tempel, lerende, als Hij nu boze bedoelingen had, dan zou dit daar op den een of anderen tijd ontdekt zijn, ja, de beambten der overpriesters, die tot den tempeldienst behoorden, hebben zeer waarschijnlijk Zijne leerredenen aldaar gehoord (Ik was bij u in den tempel), had Hij hun dan geen voortreffelijke leerstellingen gepredikt? Zijne vijanden zelven rechters zijnde, konden het getuigen. Waren niet "al de redenen Zijns monds in gerechtigheid"? Was er "iets verdraaids of verkeerds" in? Spreuken 8:8. Aan Zijne vruchten werd Hij gekend als een goede boom, waarom zijn zij dan tegen Hem uitgegaan als tegen een moordenaar?
2. Dat zij aldus in het geheim kwamen om Hem te grijpen, terwijl Hij noch beschaamd noch bevreesd was om openlijk in den tempel te verschijnen. Hij was niet een van degenen, die kwaad doen en het licht haten, Johannes 3:20. Indien hun meesters Hem iets te zeggen hadden, zij konden Hem dagelijks vinden in den tempel, waar Hij op al hun vragen en beschuldigingen bereid was te antwoorden, en daar konden zij dan naar welgevallen met Hem handelen, want de priesters bewaarden den tempel, en hadden de tempelwacht onder hun bevelen, maar Hem aldus te middernacht in de plaats Zijner afzondering te overvallen was even laaghartig als lafhartig. Het was ene handelwijze zoals die van David's vijand, die in de achterlage der hoeven zit, om den onschuldige in verborgen plaatsen te doden, Psalm 10:8. Maar dat was niet alles. Zij kwamen met zwaarden en stokken, alsof Hij de wapenen had opgevat tegen de regering, en dus de burgerij tegen Hem gewapend moest worden om Hem ten onder te brengen. Die wapenen waren onnodig, maar zij maakten dien ophef, dat vertoon,
a. om zich te beveiligen tegen de woede van sommigen, zij kwamen gewapend, omdat zij het volk vreesden, maar aldus waren zij vervaard waar gene vervaardheid was, Psalm 53:6.
b. Om Hem bloot te stellen aan de woede van anderen. Door met zwaarden en stokken te komen om Hem te grijpen, stelden zij Hem aan het volk voor (want het volk wordt zeer licht onder dien indruk gebracht) als een gevaarlijk oproerig man, en poogden zij aldus hen tegen Hem op te zetten, en hen te doen roepen: Kruis hem! kruis hem! daar zij op geen andere wijze hun doel kunnen bereiken.
VII. Hij berustte in die onwaardige smadelijke bejegening, daar zij in overeenstemming was met de Oud Testamentische voorzeggingen van den Messias. Ik word hard behandeld, maar Ik onderwerp Mij er aan, opdat de Schriften vervuld worden, vers 49. 1. Zie welk een eerbied Christus heeft gehad voor de Schriften, Hij wilde liever alles verdragen, dan dat een titel of jota van het Woord Gods ter aarde zou vallen, en gelijk Hij er het oog op heeft gehad in Zijn lijden, zo heeft Hij ook het oog er op in Zijne heerlijkheid, immers wat doet Christus in het bestuur der wereld anders dan de Schriften vervullen?
2. Zie welk gebruik wij behoren te maken van het Oude Testament, wij moeten er Christus zoeken als den waren schat, die in dien akker is verborgen. Gelijk de geschiedenis van het Nieuwe Testament de profetieën verklaart van het Oude, zo helderen de profetieën van het Oude Testament de geschiedenis van het Nieuwe op.
VIII. Hierop hebben al de discipelen van Christus Hem verlaten, vers 50. Zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden. Zij waren vol vertrouwen geweest, dat zij bij Hem zouden blijven, maar zelfs Godvruchtige mensen weten niet wat zij zullen doen, voordat zij op de proef gesteld zijn. Indien het zulk een vertroosting voor Hem was, gelijk Hij nog kort tevoren had te kennen gegeven, dat zij "steeds met Hem zijn gebleven" in Zijn kleinere beproevingen, Lukas 22:28, dan kunnen wij ons wel voorstellen welk een smart het voor Hem was, dat zij Hem nu in Zijn grootste beproevingen verlieten, toen zij Hem van enigen dienst hadden kunnen zijn-toen Hij mishandeld werd door Hem te beschermen, en toen Hij beschuldigd werd door voor Hem te getuigen. Laat hen, die voor Christus lijden, het niet vreemd achten, als zij aldus verlaten worden, als de gehele kudde het gewonde hert schuwt. Zij zijn niet beter dan hun Meester en kunnen niet verwachten beter behandeld te worden door hun vijanden of door hun vrienden. Toen Paulus in gevaar was, is iemand bij hem geweest, maar hebben allen hem verlaten, 2 Timotheus 4:16.
IX. Het gerucht en geraas bracht de buurt in beweging, zodat sommigen in gevaar gebracht werden, vers 51, 52. Dit deel van het verhaal vinden wij bij geen der andere evangelisten. Het is een bericht omtrent zeker jongeling, die, naar het schijnt, geen discipel van Christus was, en evenmin, gelijk sommigen gedacht hebben, een dienstknecht van het huis, waarin Christus het pascha had gegeten, en die Hem volgde om te zien wat er met Hem gebeuren zou, evenals de zonen der profeten, toen zij verstonden dat Elia opgenomen zou worden, tegenover stonden van verre, 2 Koningen 2:7, maar een jongeling, die daar dicht bij woonde, wellicht in het huis, waartoe de hof behoorde. Merk op, hem betreffende:
1. Hoe hij uit zijn bed opgeschrikt werd om een aanschouwer te zijn van Christus' lijden. Zulk ene menigte, aldus gewapend en in het holle van den nacht met zoveel woestheid aankomende in zulk een stil en rustig dorp, moest wel een grote opschudding teweegbrengen. Dit verschrikte dezen jongeling, die wellicht dacht dat er een oproer was ontstaan in de stad, een oproer onder het volk, en hij had de nieuwsgierigheid om te gaan zien wat er voorviel, en zoveel haast had hij om inlichtingen in te winnen, dat hij den tijd niet had om zich te kleden, maar slechts een laken, een lijnwaad, omsloeg, alsof hij als een wandelend spook wilde verschijnen met graf klederen aan, om hen te verschrikken, die hem verschrikt hadden, en zo liep hij in het dicht van het gedrang en vroeg: Wat is er te doen? Toen het hem gezegd was, wilde hij nu wel den afloop er van zien, daar hij ongetwijfeld veel van dezen Jezus gehoord had en van den roep, die van Hem uitging, en zo bleef hij Hem volgen, begerig zijnde te horen wat Hij zeggen zou, en te zien wat Hij zou doen. Sommigen denken dat het feit, dat hij niets anders dan dit lijnwaad om het naakte lichaam had, aanduidt dat hij een dier Joden was, die groter vroomheid beleden dan anderen, ten teken waarvan zij strenger waren in het zich ontzeggen van gerieflijkheden voor het lichaam. Zij gebruikten geen andere klederen dan een linnen kleed, dat wel aan de eisen der ingetogenheid beantwoordde, maar dun en koud was. Ik geloof echter niet dat dit zijn gewone kleding is geweest.
2. Zie, hoe verschrikt hij weer naar zijn bed vluchtte, toen hij in gevaar was om in Christus' lijden te moeten delen. Zijn eigen discipelen waren van Hem weggevlucht, maar deze jongeling had geen zorg over Hem, en hij dacht dat hij Hem wel veilig kon vergezellen, inzonderheid daar hij, wel verre van gewapend te zijn, niet gekleed was, maar de jongelingen, de Romeinse soldaten, die ter hulp waren geroepen, grepen hem, want alles was vis wat in hun net kwam. Wellicht waren zij nu boos op zich zelven omdat zij de discipelen hadden laten ontkomen, en daar dezen nu buiten hun bereik waren, besloten zij den eersten den besten te grijpen, dien zij in handen konden krijgen, hoewel deze jongeling wellicht tot de striktste sekten der Joden behoorde, hadden de Romeinen toch geen bezwaar om hem bij deze gelegenheid te mishandelen. Zich in gevaar ziende, verliet hij het lijnwaad, waarmee zij hem hadden aangegrepen, en is naakt van hen gevloden. Dit voorval wordt vermeld om aan te tonen welk een barbaarse troep het was, dien zij hadden afgezonden om Christus gevangen te nemen, en hoe ternauwernood de discipelen er aan ontkomen waren om in hun handen te vallen, niets heeft hen daarvoor ook kunnen bewaren dan huns Meesters zorg over hen, Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan, Johannes 18:8. Het duidt ook aan dat er geen trouw of standvastigheid is in hen, die door blote nieuwsgierigheid en niet door geloof en geweten gedrongen worden om Christus te volgen.