Markus 3:31-35
Hier is de oneerbiedigheid, die Christus' nabestaanden naar het vlees Hem betoonden. Toen Hij predikte (en zij wisten zeer goed dat dit Zijn geliefd werk was) stonden zij buiten, gene begeerte hebbende om binnen te komen en Hem te horen, en dat niet alleen, maar zij zonden tot Hem om Hem te roepen, vers 31, 32, alsof Hij van Zijn arbeid moest ophouden om naar hun vrijpostigheden te luisteren. Zeer waarschijnlijk hadden zij toen niets met Hem te doen, en zonden zij slechts tot Hem om Hem te noodzaken Zijne rede af te breken, opdat Hij zich niet door zich te overwerken aan Zijn leven of gezondheid zou benadelen. Hij wist wel hoe ver Zijne krachten zouden reiken, en stelde de redding en verlossing van zielen boven Zijn eigen leven, gelijk Hij dit weldra door de daad zou doen blijken. Daarom was het ijdele beuzelpraat om, onder voorwendsel van bezorgdheid voor Zijn leven, Hem te storen, en het was nog erger, indien iets anders hen drong, daar zij toch wisten dat Zijn arbeid als Verlosser en Zaligmaker Hem boven alle andere dingen ging. 2.. De eerbied, dien Christus bij deze gelegenheid aan Zijn geestelijke maagschap betoonde. Evenals op andere tijden scheen Hij-vergelijkenderwijs gesproken, -een zekere onverschilligheid voor Zijne moeder aan den dag te leggen, hetgeen blijkbaar ten doel had om de buitensporige verering te voorkomen, die de mensen in latere tijden geneigd zouden zijn haar te bewijzen. Onze eerbied moet geleid en geregeld worden naar dien van Christus. Nu wordt de maagd Maria, of Christus' moeder, hier niet gelijkgesteld, maar achtergesteld bij gewone gelovigen, aan wie Christus hier meerdere eer geeft. Hij overzag die om Hem zaten, en verklaarde diegenen hunner, die den wil van God niet slechts hoorden maar deden, voor Hem te zijn als Zijn broeder, en zuster en moeder, even geacht, bemind en verzorgd als Zijn naaste bloedverwanten, vers 33-35. Dat is een goede reden, waarom wij hen moeten eren, die den Heere vrezen, en hen kiezen als ons volk, waarom wij niet slechts hoorders moeten zijn van het woord, maar daders des werks, opdat wij met de heiligen mogen delen in deze eer. Voorzeker is het goed om verwant te zijn aan hen, die zo innig met Christus zijn verbonden, gemeenschap te hebben met hen, die gemeenschap hebben met Christus, en wee hun, die hen, welke van Christus' maagschap zijn, van Zijn been en Zijn vlees zijn, allen van gedaante als koningszonen, Richteren 8:18, 19, haten en vervolgen, want Hij zal ijverig hun zaak bepleiten en hun bloed wreken.