Johannes 2:23-25
Hier hebben wij een bericht van den voorspoed op Christus' prediking en wonderen te Jeruzalem, toen Hij daar het pascha vierde. Merk op:
I. Dat onze Heere Jezus, toen Hij op het pascha te Jeruzalem was, gepredikt en wonderen gedaan heeft. Dat de mensen in Hem geloofden duidt aan, dat Hij predikte, en er wordt uitdrukkelijk gezegd, dat zij de tekenen zagen, die Hij deed. Hij was nu te Jeruzalem, de heilige stad, vanwaar het woord des Heeren uit zou gaan. Zijne woonplaats was meestal in Galilea, en daarom heeft Hij veel te arbeiden gehad, als Hij eens te Jeruzalem was. De tijd was een heilige tijd, het feest, een tijd, door God verordineerd voor Zijn dienst. Op het paasfeest onderwezen de Levieten de goede kennis des Heeren, 2 Kronieken 30:22,) en Christus nam die gelegenheid waar om te prediken, toen vele mensen bijeenkwamen, en aldus heeft Hij de Goddelijke inzetting van het pascha erkend en geëerd.
II. Dat hierdoor velen er toe gebracht werden om te geloven in Zijn naam, Hem te erkennen als een leraar van God gekomen, zoals Nicodemus gedaan heeft, Hoofdstuk 3:2, een groot profeet, en waarschijnlijk hebben zij, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten, geloofd, dat Hij de beloofde Messias was, zo bereid waren zij om die blinkende Morgenster bij haar eerste verschijning welkom te heten.
III. Dat Jezus zich zelven hun echter niet toebetrouwde, vers 24, ouk episteuen heauton autois. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt is voor in Hem te geloven, zodat in Christus te geloven wil zeggen ons zelven aan Hem en Zijne leiding toe te betrouwen. Christus zag geen reden om enig vertrouwen te stellen in deze nieuw-bekeerden te Jeruzalem, waar Hij vele vijanden had, die Hem zochten te verderven, hetzij:
1. Omdat zij, of tenminste sommigen van hen, onoprecht waren, en Hem zouden verraden, indien de gelegenheid er zich toe voordeed, of indien zij er sterk toe in verzoeking kwamen. Hij had onder de Galileërs meer discipelen, die Hij kon vertrouwen, dan onder de inwoners van Jeruzalem. In gevaarlijke tijden en plaatsen is het verstandig om wel toe te zien in wie gij vertrouwen stelt, memnêso apistein -leer te wantrouwen. Of:
2. Omdat zij zwak waren, en ik zou willen hopen, dat dit het ergste er van was, niet dat zij verraderlijk waren en voornemens waren Hem kwaad te doen, maar,
a. dat zij vreesachtig waren, dat het hun ontbrak aan ijver en moed en zij door vreesaanjaging er toe gebracht konden worden om iets verkeerds te doen. In tijden van moeilijkheden en gevaar kan in lafaards geen vertrouwen gesteld worden. Of
b. Zij waren onstuimig, het ontbrak hun aan tact en bescheidenheid. Die van Jeruzalem bouwden hun verwachtingen wellicht op de wereldlijke regering van den Messias, meer dan anderen dit deden, en in die verwachting zouden zij allicht een stouten stap wagen tegen de regering, indien Christus zich aan hen had toevertrouwd, en zich aan hun hoofd had gesteld, maar dat wilde Hij niet, want Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Onrustige, onstuimige lieden behoren wij te schuwen, zoals onze Meester hier gedaan heeft, al is het ook, dat zij evenals deze lieden, belijden in Christus te geloven. IV. Dat de reden, waarom Hij zich niet aan hen toebetrouwde, was dat Hij hen kende, vers 25, de boosheid kende van sommigen en de zwakheid van anderen. De evangelist gebruikt deze gelegenheid, om Christus' alwetendheid aan te tonen.
1. Hij kende alle mensen, niet slechts hun namen en hun aangezichten, zoals het ons mogelijk is velen te kennen, maar hun aard en karakter, hun neigingen en hun bedoelingen, zoals wij geen enkelen mens kennen, ja, nauwelijks ons zelven. Hij kent alle mensen, want Zijn machtige hand heeft allen gemaakt, Zijn doordringend oog ziet hen, doorziet hen. Hij kent Zijn listige vijanden, en al hun verborgen plannen, Zijn valse vrienden, en hun waar karakter, in wat zij wezenlijk zijn, in weerwil van alles wat zij voorgeven te zijn. Hij kent hen, die in waarheid de Zijnen zijn, Hij kent hun oprechtheid, en ook hun zwakheid. Hij weet wat maaksel zij zijn.
2. Hij had niet van node, dat iemand getuigen zou van den mens. Zijne kennis ontstond niet uit hetgeen Hem meegedeeld werd door anderen, maar door Zijn eigen onfeilbaar inzicht. Het is het ongeluk van aardse vorsten, dat zij door de ogen van anderen moeten zien, en met de oren van anderen moeten horen, en de dingen moeten nemen, zoals zij hun worden voorgesteld, maar Christus gaat zuiver en alleen af op Zijn eigen kennis. Engelen zijn Zijne boden, maar niet Zijne spionnen, want Zijn eigen ogen doorlopen de ganse aarde, 2 Kronieken 16:9. Het kan ons troost geven met betrekking tot Satans beschuldigingen, dat Christus zijne kenschetsing van der mensen karakter niet zal aannemen.
3. Hij zelf wist wat in den mens was. in bijzondere personen, zowel als in den aard en het geslacht der mensen. Wij weten wat door mensen gedaan wordt, Christus weet wat in hen is, Hij beproeft het hart en de nieren. Dat is het kroonrecht van het essentiële, eeuwige Woord, Hebreeën 4:12, 13. Wij matigen ons Zijn kroonrecht aan, als wij ons verstouten der mensen hart te oordelen. Hoe geschikt is Christus om de Zaligmaker der mensen te zijn, hoe zeer geschikt om de Geneesmeester te wezen, die zulk een volkomen kennis heeft van den toestand van den zieke, van zijn gestel en van zijne kwaal, zo volkomen weet wat in hem is! Hoe geschikt ook om de Rechter van allen te wezen! Want het oordeel van Hem, die alle mensen kent, alles weet wat in de mensen is, moet wel naar waarheid wezen. Dit nu was al de voorspoed, dien Christus' prediking en wonderen te Jeruzalem gehad heeft op deze reize. De Heere komt tot Zijn tempel, en tot Hem komen slechts enige zwakke, eenvoudige lieden, van wie Hij geen ere kon ontvangen, en in wie Hij geen vertrouwen kon stellen, in het einde echter zal het woord der profetie vervuld worden: van den arbeid Zijner ziel zal Hij vrucht zien.