15. Zo velen dan als wij volmaakt zijn \1), reeds boven het aanvangen in de Christelijke staat zijn gevorderd tot de rijpheid van de mannelijke leeftijd (
1 Corinthiërs 2:6;
3:1,
1Co 2. 6
Hebreeën 5:12) laat ons dit voelen, wat ik zo-even als de ware stemming van de Christen in mijn persoon heb voorgesteld, namelijk bij ootmoedige geringschatting van zichzelf een rusteloos voorwaarts streven; en als u iets anderzins voelt, als u over enig ondergeschikt punt nog in het onzekere bent, doordat het een of het ander bij u nog niet tot volkomen helderheid is gekomen, ook dat zal u God openbaren door Zijn Geest, die een Geest van de openbaring is (
Efeze 1:17). "Leugen" is de wortel van de zonde geweest en "de vader van de leugen een mensenmoordenaar vanaf het begin. " Gevolg hiervan was, dat de nu in zonde en dood geboren mens evenmin als Satan "in de waarheid" kan staan. Vandaar dat de zondaar vanzelf, zijns ondanks, in een leugenwereld leeft, in een onware toestand verkeert, in een onoprechte dampkring ademt en zo van alle kanten in de strikken van dit leugenachtig wezen verward raakt, dat "oprecht zijn" niet in een enkele zaak, maar als toestand, een voor hem onbereikbaar ideaal is. Ja, zo afschuwelijk staat het zelfs met deze leugen, dat men er te dieper in raakt hoe verder men in het heilige doordringt. Een onbekeerde kan nog eens waar zijn in een gewone zaak van het huiselijk leven, maar woelt hij zich op in de heilige dingen, dan komt alles anders voor hem te staan, dan het is, ziet hij zichzelf nooit dan in een valse spiegeling en is al zijn vroomheid niets dan verraad aan zijn eigen ziel gepleegd. Vandaar de onbegrijpelijke zelfverblinding in de afgoderijen, zelfs van de hoog beschaafde Grieken; vandaar de leugenachtige waan, die nu weer kloeke mannen in een kloppende tafelpoot een orakel doet zien; vandaar de vloek van het Farizeïsme, waaraan het heilige niet kan ontkomen; vandaar eindelijk ook de ontreddering van de kerk van de Heere, zodra "de leugen" in haar kruipt. Dat "leugenachtig wezen" nu kan geen mens, wie ook, het zij uit eigen hart uitnemen, het zij van zich weren in zijn omgeving en zolang God Almachtig hem niet op voor ons onbegrijpelijke manier overzet van dat wrak van de leugen op de vaste bodem van de waarheid, blijft hij onoprecht; onoprecht in de wortel van zijn wezen; onoprecht ook al spreekt hij waarheid naar zijn beste weten; dan zelfs onoprecht als hij bidt. Maar gebeurt dat onbegrijpelijke dan ook aan hem, grijpt God hem aan, wordt hij uit dat glibberachtige, verraderlijke, leugenachtige wezen uitgenomen, opgetrokken en overgezet op het terrein van de waarheid en het ware leven, o, dan is ook zijn ziel oprecht gemaakt, oprecht zijn ademtocht en oprecht zijn bidden, ook al is het, dat het slib, dat aan zijn voetzool bleef hangen, hem ook op dit heilig terrein nog telkens doet uitglijden en zelfs het anders spreken, dan zijn hart meent, hem door een verduistering van genade nog een enkele maal overkwam. Oprecht van staat en wezen is een ieder, die uit het web van de leugen is losgewikkeld en die nu God aanziet zoals Hij is en zichzelf beziet zoals hij er aan toe ligt en de wereld in haar holheid, ijlheid en nietigheid doorgluurd heeft en nu weet wat er is van het woord van de mensen, en ook weet wat er van Gods Woord aan is en zo de wereld van zijn dromen, de God van zijn inbeeldingen, de hoogheid van zijn eigenwaan, ja, heel het onwaarachtig toneel en de geveinsde vertoning van zijn leven en aanzijn voor waarheid, voor harde, maar dan ook sterkende en verfrissende waarheid heeft uitgeruild. Spreukenekt dus Paulus van onze "geheel oprechte geest en ziel en lichaam; " gewaagt hij van een feestvieren "in de geheel ongezuurde broden van de oprechtheid", of ook lezen we van Job, de hard beproefde lijder: "Hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid", dan is in deze oprechtheid niets te loven noch groot te maken dan de macht van God, die deze begenadigden uit de wereld van de leugenachtige inbeelding in de wereld van Zijn waarheid heeft overgezet, op het gevaar af dat zij nog een nawerking van leugen in zijn heilig erf indroegen. Paulus zegt: "Zovelen wij dan volmaakt zijn, laat ons allen naar dezelfde regel wandelen; " als hij de gemeenten aanspreekt als "heilige en beminde broeders; " als hij roemt "alle dingen te kunnen doen door Christus, die hem kracht geeft; " of ook als Johannes de uitspraak neerschrijft, "dat wie uit God geboren is, niet zondigen kan. " Van al deze Schriftuurplaatsen nu zal ons blijken, dat zij, met wat kunst of machinatie ook, nooit zó kunnen of mogen uitgelegd, dat ze ooit of te immer "een volmaaktheid van de trappen", - en die alleen is in geschil - reeds hier op aarde leren zouden. Maar dat zij integendeel geen andere volmaaktheid prediken noch toelaten, dan òf die van het standpunt, waarop Christus ons plaatst, òf die van het heil, dat in Christus verborgen ligt, òf die van de groei naar onze mate, òf eindelijk die van de delen, waarin ons wezen uiteenvalt. Van het nieuwe "levensstandpunt" spreekt Paulus b. v.
Colossenzen 1:28 : "lerend in alle wijsheid, opdat wij een ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus. " Van het "plaatsbekledend" heil dat "in Christus" geheel afgewerkt gereed ligt, schrijft hij bijvoorbeeld aan dezelfde gemeente van Kolosse (2:20): "En u bent in Hem volmaakt, die het hoofd is van alle overheid en macht. " Van de gorei naar onze mate heet het bijvoorbeeld in
Hebreeën 5:14 : "Maar de volmaakten is het vaste voedsel. " En eindelijk van de volmaaktheid "van de delen" van ons geestelijk wezen lezen we in
2 Timotheus 3:17 : "Opdat de mens van God volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. " Terwijl omgekeerd de volmaaktheid van de trappen ten stelligste weersproken wordt, al was het slechts in dit éne ontnuchterend woord van de man, die ons allen vooruit was: "Niet dat ik het al gegrepen heb, of al volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het grijpen mocht. "