23. Zo is Hij dan de Heer van alles, om de gemeente te kunnen beschermen en zegenen, die Zijn Lichaam is (
Hoofdstuk 4:12,
16;
5:23,
30 12:13.
Colossenzen 1:18,
24;
2:19;
3:15 en, om nog duidelijker aan te wijzen hoe heerlijk haar betrekking tot Hem is, de vervulling van degene, die alles in allen, in alle vormen van bestaan en wijzen van openbaring, vervult (
Handelingen 9:4).
In het hoofd ligt de organiserende macht. Schubert beschrijft in de geschiedenis van de ziel die verhouding van het hoofd en het lichaam als beeld van een liefde, die van boven naar beneden afdaalt en van een verlangen, dat van beneden naar boven zich verheft, welks werk het is de lagere natuur van de verlangenden gaandeweg te veranderen in de hogere van de verlangden.
De Kerk zonder Christus zou zonder hoofd zijn, een onthoofd lijk met een verstijfd hart. Christus zou wel zonder Zijn Kerk een zelfstandig Hoofd zijn over alles, maar verlaten, ja, wij zouden zeggen een hoofd van het lichaam beroofd, omdat Hij niet dat lichaam had, waarvan Hij Heiland is; zo onafscheidelijk heeft God Christus en de gemeente samengevoegd.
Even zeker als nu aan het hoofd, wanneer het het lichaam miste, dat er toe behoort, iets wezenlijks zou ontbreken, om werkelijk hoofd te zijn, zo zeker is hetgeen gezegd is bij "Zijn lichaam" namelijk "de vervulling van degene, die alles in allen vervult" zo op te vatten, dat de gemeente datgene is, dat Christus om zo te zeggen volmaakt. Zij behoort tot Hem, aan wie God alles heeft onderworpen op die wijze, dat Hem iets wezenlijks zou ontbreken, wanneer Hij haar niet evenals het hoofd van zijn lichaam had. Zoals nu in 1 Corinthiërs 15:28 van de Vader wordt gezegd, dat Hij de Zoon alles heeft onderworpen met de bedoeling dat God ten slotte alles in allen zou zijn, zo is hier met de woorden: "die alles in allen vervult", een werk uitgedrukt, dat hetzelfde doel moet verwezenlijken. Het geheel van de wereld, dat aan Christus' voeten onderworpen is, sluit een rijkdom in van bestaanswijzen, waaraan tezamen de waarheid van het leven ontbreekt, sinds God om de zonde van de mensen Zijn schepping van de ijdelheid heeft onderworpen (Romeinen 8:20). Deze uit de dienstbaarheid te bevrijden van een bestaan, dat de waarheid van het leven mist, is het werk van Hem, die als Christus de zonden verzoend heeft en door de hiervoor geleden dood daarheen is gegaan, waar Hij het geheel van de wereld onder Zich heeft. In die mate nu, als Hij het menigvuldige van de bestaanswijzen, die de wereld in zich sluit, door Zichzelf vervult, zodat zij niet meer van wezenlijkheid ontbloot, maar door Hemzelf vervuld zijn, wordt God alles in allen. En de gemeente staat nu tot Hem, wiens werk dit tot in de verste toekomst is, in zo'n verhouding, dat Hij zonder haar ontbloot en leeg zou zijn van datgene wat Hem tot Christus maakt Zonder haar zou Hij niet Christus zijn, evenmin als het hoofd, dat geen lichaam heeft, hoofd kan zijn.
Zo heerlijk acht Christus Zijn gemeente en zo tedere liefde voelt Hij voor haar, dat Hij Zich zelf enigermate voor onvolkomen houdt, wanneer Hij niet met haar is verenigd en als wij niet met Hem, evenals het hoofd met het lichaam, verenigd zouden zijn als Zijn vervulling.