10. Die bekendmaking is geschied, om, zoals het Zijn welbehagen of Zijn genadige bedoeling was, in de bedeling van a) de volheid van de tijden, toen de vooraf bepaalde tijd (
Galaten 4:4) tot volvoering van Zijn raadsbesluit gekomen was, door de prediking (
1 Corinthiërs 4:1) van het Evangelie, van nu aan, zoals Zijn eindbedoeling was, weer alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel is en dat op de aarde is.
a) Genesis 49:10. Daniël 9:24.
De apostel herhaalt nogmaals de gedachte, reeds in Vers 5 uitgesproken, op het nadrukkelijkst; de gedachte, het goddelijk besluit tot verlossing van de mensheid, een gevolg was van Gods vrijmachtige raad en van de absolute wil van God; nu vermeldt hij datgene, waarop de hoogste bedoeling van God bij het verlossingswerk eigenlijk was gericht. Wel zou het kunnen schijnen, alsof in Vers (?) door de apostel reeds nader was uiteengezet, dat er geen hogere bedoeling van God zou kunnen zijn, dan dat de zondige mens weer tot de rechten werd gebracht van een kind van de hemels. Tot bereiking van dit doel was echter nog een bijzondere daad nodig, een goddelijk werk, dat iets hogers op het oog heeft, namelijk de vereniging van alle dingen in de persoon van Christus; en dit nu is het goddelijk einddoel. Christus moest dus volgens Gods raadsbesluit niet slechts de Verzoener van de mensheid met Hemzelf zijn, maar ook de Middelaar van de hemel met de aarde, de Hersteller van de wereldharmonie, door God oorspronkelijk gewild.
De uitdrukking "alles, beide, dat in de hemel is en dat op de aarde is" omvat al het geschapene; niet alleen de mensen op aarde, maar ook alles, wat tot de wereld van de mens behoort en in de hemel, het geestenrijk, dat aan gindse kant van deze wereld is. Zal nu de geschiedenis in een énige samenvatting van dat alles uitgaan, dan ontbreekt de eenheid, waartoe God het ten slotte hersteld wil zien. Zo is het ook werkelijk, niet slechts om de tegenstelling van goed en kwaad, die de mensheid verdeelt, maar ook vanwege de tegenspraak, waaraan het gehele leven op aarde lijdende is en waarin, ook afgezien van de tegenstelling van goede en kwade geesten, het geestenrijk door zijn werken in deze wereld begrepen is. Uit deze scheiding moet alles tot een geheel worden hersteld, waarvan het verenigingspunt Hij is, die God aan de zondige mensheid tot een Heiland heeft gegeven. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat ten slotte alles, wat tot de schepping behoort, in Hem en hierdoor onder elkaar zal verenigd zijn, maar alleen dat er geen andere herstelling van het geschapene tot eenheid is dan die, die het door steeds voortgaande vereniging met de Heiland tegemoet gaat. Wat buiten Christus blijft, zal ten slotte geen bestanddeel zijn van het in Hem verenigde "alles", waartoe volgens het voornemen en het welbehagen van God het geschapene zal worden geleid.