6. Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn onuitsprekelijk grote (
2 Thessalonicenzen 1:9) genade, waardoor Hij ons, toen Zijn raadsbesluit en Zijn voornemen tot uitvoering kwam, begenadigd heeft in de Geliefde, namelijk in Zijn Zoon (
Colossenzen 1:13.
Mattheus 3:17).
Jezus Christus is werkelijk het geliefde kind van God en de eerstgeborene Zoon, door wie alle anderen tot genade en eer komen, zodat Hij niemand wil aanzien dan in deze Zoon. De Vader heeft Zijn welgevallen in Christus alleen. Die Hem hoort en doet wat Hij hem beveelt, die is het geliefde kind, omwille van de Geliefde, uit wiens volheid wij allen ontvangen genade voor genade (Johannes 1:17). Maar weer, zoals wij niet kunnen betwijfelen, maar daarvan zeker zijn, dat God de Vader in Christus een welbehagen heeft, ook dat Hij heilig is, zo twijfelen wij ook niet, dat, in zoverre wij in Christus zijn en Hem aanhangen door het geloof, de Vader ook in ons een welbehagen heeft en wij heilig zijn in de Geliefde. En alhoewel nog zonde ons vlees aankleeft en wij ook nog dagelijks struikelen en vallen, zo is toch de genade rijker, overvloediger en machtiger dan de zonde; zij heerst en regeert over ons in eeuwigheid (Psalm 117:2).
Evenals wanneer iemand een zieke, uitgehongerde enz. tot een schone jongeling maakt, zo heeft God onze ziel schoon en beminnenswaardig gemaakt voor de engelen en voor alle heilige en voor Zichzelf.
Wat een voorrecht is ons deel! Het sluit onze rechtvaardigmaking voor God in, maar de uitdrukking "begenadiging" in het Grieks betekent meer dan dat. Het betekent, dat wij de voorwerpen van de goddelijke goedheid, ja zelfs van het goddelijk welbehagen zijn. Hoe wonderbaar, dat wij wormen, stervelingen, zondaren, de voorwerpen van de goddelijke liefde zijn zouden! Maar het is alleen "in de Geliefde. " Sommige Christenen schijnen te menen, dat zij in hun eigen bevinding zijn aangenomen, ten minste dat is hun gedachte. Wanneer hun geest opgewekt en hun hoop zeker is, dan menen zij dat God hen aanneemt, want zij voelen zich zo hemels gezind, zo boven de aarde verheven! Maar kleven hun zielen aan het stof, dan zijn zij aan de vrees prijsgegeven, van niet langer begenadigd te zijn. Konden zij slechts zien, dat al hun grote vreugde hen niet verheft en al hun moedeloosheid hen niet werkelijk vernedert in het oog van hun Vader, maar dat zij zijn begenadigd in Hem, die nooit verandert; in Hem, die altijd de Geliefde van God, altijd volmaakt, altijd zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks is, hoeveel gelukkiger zouden zij zijn en hoeveel meer zouden zij hun Heiland verheerlijken! Verblijd u daarin, gelovige. U bent begenadigd in de Geliefde. U slaat uw oog naar binnen en u zegt: hier is niets aannemenswaardigs. Maar zie op Christus en zie of niet alles daar van de aanneming waardig is. Uw zonden bedroeven u, maar God heeft uw zonden achter Zijn rug geworpen en u bent in de Rechtvaardige begenadigd. U heeft tegen het verderf te strijden en tegen de verzoeking te worstelen, maar u bent reeds begenadigd in Hem, die de kop van de Satan heeft vermorzeld. Wees u door volkomen verzekering uw heerlijke aanneming bewust. Zelfs de verheerlijkte zielen zijn niet meer begenadigd dan u. Zij zijn in de hemel ook alleen aangenomen "in de Geliefde" en u bent, zelfs nu, op dezelfde manier in Christus aangenomen.