1. Heren, doe uw dienstknechten recht en gelijk, geef alles, waarop zij rechtmatig aanspraak hebben (
Mattheus 20:4) en wat u als rechtgeaarde meesters hen geven moet; doe hun wat recht en billijk is, wetende dat ook u, evenals uw dienstknechten, een Heere heeft in de hemel, aan wie u verantwoordelijk bent (
Efeze 6:9).
Het moet de aandacht trekken, dat Paulus de verhouding van de dienstknechten met grotere uitvoerigheid behandelt dan de vroeger besprokene, maar zeker niet minder belangrijke. Het is mogelijk, dat dit zijn aanleiding heeft in de vlucht en de bekering van Onesimus, de slaaf, die te Kolosse was geboren (vgl. de gelijktijdig geschreven brief aan Filemon); want de tegenstellingen zijn hier nog scherper getekend dan in de brief aan de Efeziërs.
Evenals bij kinderen tegenover hun ouders (Vers 20), zo wordt bij de dienstknechten tegenover hun heren gezegd: "wees in alles gehoorzaam. " Wat echter daar tot nadrukkelijke aanbeveling van deze gehoorzaamheid is gezegd met de korte woorden: "want dat is de Heere welbehaaglijk", wordt hier in verschillende zinnen uiteengezet, die wat inhoud aangaat en grotendeels ook in uitdrukking met de overeenkomstige afdeling van de brief aan de Efeziërs overeenstemmen. De eerste zin (Vers 22) eist, dat het gehoorzamen, dat voorgeschreven is, niet bestaat in zodanige dienstbetoningen, waarmee men de meester voldoet alleen voor zover zijn oog reikt en zich hem welbehaaglijk wil maken. Christelijke slaven moesten in eenvoudigheid van het hart, dus zonder iets anders te willen, dan dat zij hun plicht doen, zover als die reikt, gehoorzamen, terwijl zij het in de vrees van de hemelse Heer doen, tegenover wie de aardse heren "heren naar het vlees" (vgl. Romeinen 9:3) genoemd zijn. In de tweede zin (Vers 23 v.) verlangt de apostel, dat zij al hun arbeid gewillig, van ganser harte doen, waartoe echter nodig is, dat zij dat niet doen voor mensen, wier aard en gedrag hen eerder verdrietig en ontstemd zou maken, maar de hemelse Heere, van wie zij ook de vergelding van het loon verwachten, die hen, die op aarde geen bezitting hebben, maken zal tot degenen, die de ware erfenis bezitten. Ten opzichte van de woorden "want u dient de Heere Christus" is het de vraag, of daardoor de onmiddellijke voorgaande zin "wetend, dat u van de Heere zult ontvangen de vergelding van de erfenis" moet worden bevestigd, of, wat wel meer juist zal zijn, de vermaning, die daaraan voorafgaat: "al wat u doet, doe dat van harte als de Heere en niet de mensen. " In dat laatste geval moest echter het woord "dient" genomen worden in die zin, waarin de aangesprokenen woordelijk "dienaars" (Vers 22) heten, zodat de woorden zouden zeggen: "u bent toch wat u bent, namelijk slaven voor de Heere, die is Christus. Als hun slavenleven de Heere gewijd is een bevestiging is van hun verhouding tot Hem, zouden zij dan niet wat zij als slaven werkten, zo doen als degenen, die het doen voor Hem, van wie zij juist daarom ook de vergelding van hun werk verwachten? De apostel gaat echter vervolgens ook over tot een waarschuwing, die in tegenstelling tot het vroeger beloofde loon, die slaaf aangaat, die onrecht pleegt. Zo'n waarschuwing voor het oordeel, dat over hem zal gaan, die zich tegen zijn heer bezondigt door opzettelijk veroorzaken van schade, was wel geschikt om het slot van deze aanspraak te vormen, opdat een Christelijke slaaf bij dergelijke verkeerdheden zich er niet mee zou troosten, dat God wel wat toegeeflijker voor hem zou zijn, omdat hij het harder in zijn leven had gehad, of, als zijn heer geen Christen was, God hem, omdat hij wel een Christen was het bedreven onrecht tegen die niet zo hoog zou aanrekenen. Voor de heren zijn weinige woorden voldoende. De apostel herinnert hen, dat ook zij een Heer hebben, wel niet op aarde, maar in de hemel en vermaant hen, om van dat bewustzijn uitgaande hun dienstknechten te geven wat recht is, omdat God van hen de eigenschap eist van degenen, die recht en billijk denken. Waren de slaven eveneens Christenen, dan strekte zich voor de heren dat wat "gelijk" was (2 Corinthiërs 8:13 v.) zelfs zo ver uit als in Filemon 1:16 nader wordt aangeduid.
OVER HET GEBED EN DE VOORZICHTIGE WANDEL VAN DE CHRISTENEN