13. En daarom doen wij ook niet zoals Mozes, die, zoals in
Exodus 34:33, bij het boven (
vers 7) herinnerde, verder wordt gemeld, een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien a) op het einde van hetgeen teniet gedaan wordt; evenals de glans, die langzamerhand verdwijnt, zou het toch ten slotte voor iets anders wijken (
Deuteronomium 18:15). Zij zouden het ophouden van het laatste zijn gewaar geworden, als zij het eerste hadden opgemerkt, juist daarom moest dit worden bedekt.
a) Romeinen 10:4.
Op de rijke en grootse voorstelling van de heerlijkheid in de apostolische bediening laat Paulus nu volgen de toepassing op de bediening van zijn ambt in een eenvoudige getuigenis over zichzelf. De hoop, die hij erkent te bezitten als van een verzekerde bezitting, is verwant met, niet één met het vertrouwen in Vers 4. Dat vertrouwen steunde op hetgeen reeds aanwezig was, op de vrucht van het werk van zijn bediening; deze hoop ziet echter op iets toekomstigs, dat nog verborgen is, namelijk op het blijvend voortduren van de bediening van het Nieuwe Verbond en van zijnn zegen en op de latere openbaring en volmaking daarvan.
Hij spreekt van een hoop, die hij bezat, omdat hij van zijn ambt heeft gezegd, dat het een blijvende heerlijkheid had. In zoverre is zijn bewustzijn van de heerlijkheid van zijn ambt een hoop te noemen en hij noemt het zo, omdat hij wil te kennen geven dat geen gedachte aan een ophouden van de heerlijkheid van zijn ambt de volkomene openbaring in de weg staat, ten opzichte van hen, aan wie hij zijn ambt bedient. Vrijmoedig is het vaste vertrouwen, waarmee men inwendig en uitwendig tegenover een ander staat, of omdat men niets van hem heeft te vrezen, of omdat men geen reden heeft iets voor hem te bedekken. Mozes nu, had zo'n vertrouwen, om vrij en openlijk op te treden, niet, als hij na het mededelen van de ontvangene openbaring een deksel over Zijn aangezicht legde, opdat zij, die in de wonderbaren glans daarvan een getuigenis hadden gezien van de goddelijke oorsprong van hetgeen hij tot hen sprak, hun blik niet zouden laten rusten op het latere verdwijnen van deze glans; want de woorden, zoals die naar de grondtekst luiden, geven bepaald en ondubbelzinnig te kennen dat er een bedoeling ligt in de handelwijze van Mozes.
De bedoeling van de woorden is: "Mozes legde een deksel op zijn aangezicht, opdat de kinderen Israëls niet zouden zien, dat zij tot een bedeling behoorden, die zou ophouden, maar de indruk, die zij door het schitteren van zijn aangezicht omtrent de heerlijkheid van zijn bediening hadden verkregen, blijven zou. " Hier ontstaat nu echter de vraag: "ligt dan zo'n bedoeling in de woorden Exodus 34:33, ? " Het schijnt, dat het doel van de bedekking aldaar een geheel ander was dan om voor de Israëlieten het verdwijnen van de glans te verbergen. Zo zou men kunnen zeggen, de typische verklaring mag toch de geschiedenis ten behoeve van haar verklaringen niet veranderen, zij moet ze nemen, zoals zij is. Dit zullen wij nu zeker moeten vasthouden als grondstelling. Maar een zekere vrijheid is in het toepassen van de geschiedenis ook noodzakelijk met de typiek gegeven. Zij mag wat niet uitdrukkelijk wordt gezegd of als doel van een handeling wordt opgegeven, gemodificeerd opvatten. Dat nu het verbergen van Mozes aangezicht daarom geschiedde, omdat de Israëlieten de glans van zijn aangezicht niet konden verdragen, staat daar niet uitdrukkelijk, maar het blijkt uit de samenhang van de plaats, dat dit het eerste doel is geweest. Nadat Paulus hiermee in Vers 7 ten minste enigszins had gerekend, kon hij hier nog een ander aanwijzen, dat met het eerste daarin overeenkomst had, dat de gehele handeling betrekking had op de zwakheid van de Israëlieten. Zoals zij namelijk de glans niet uitwendig konden dragen, zo konden zij ook inwendig het inzien in de waarheid niet verdragen; voor beide soorten van zwakheid was het bedekken nodig.
Mozes kon het niet vrijuit zeggen, dat hij slechts een voorbijgaande bedeling diende, hoewel hij als profeet, die dieper in de goddelijke raad inzag, daarvan wist. En hoewel hij er ook niet duidelijk en bepaald van wist had hij toch een profetisch voorgevoel bij hetgeen hij deed en zo valt het bedekken van zijn aangezicht onder het begrip van een pedagogische maatregel.
Het verbergen van het aangezicht van Mozes diende als een middel tot profetische voorstelling van een hogere waarheid, die nu in het licht van het nieuwe verbond duidelijk is geworden, maar toen nog moest worden verborgen gehouden. Paulus handelt bij deze aanwijzing van de aangehaalde trek van de geschiedenis, op gelijke manier als hij in Galaten 4:21, de verhouding van het Oude en Nieuwe Testament aanwijst en duidelijk maakt in het voorbeeld van de beide zonen van Abraham.