22. En heeft, om met de woorden van
Psalm 8:7 te spreken (
1 Corinthiërs 15:27.
Hebreeën 2:8), alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem, die zo hoog verheven is en alleen beheerst, van de gemeente, terwille van de gemeente, gegeven tot een hoofd boven alle dingen.
God werkt op de gelovigen overeenkomstig die macht, die Hij het sterkst en heerlijkst heeft geopenbaard in de opstanding en verhoging van Christus. Volgens dat verband kan het aldus wel niet twijfelachtig zijn, dat de oneindige grootheid van de goddelijke kracht, waarvan aan het einde van het vorige vers sprake was, naar de bedoeling van Paulus in het bijzonder moet worden opgevat van de algemene opwekking van de gelovigen uit de dood, waarmee het rijk van God, het heilige voorwerp van de Christelijke hoop zich in zijn heerlijkheid openbaart.
Niet in deze wereld regerende, maar in deze wereld verlossende werkzaamheid van God, zoals die zich laat aanschouwen in de door Christus geopenbaarde daden van het heil, vertoont zich de goddelijke macht het heerlijkst. Het is in het bijzonder de verhoging van Christus tot hemelse heerlijkheid, die in onmiddellijk verband staat met de opwekking van Christus uit de doden, waarin de apostel de verhevenste uitdrukking ziet van de werkingen van de goddelijke almacht. Het "gezet tot Zijn rechterhand in de hemel" beschrijft naar Psalm 110:1 v. het delen van Christus in de goddelijke heerlijkheid, dat in de staat van de verheerlijking plaats vindt en bij de uitdrukking "in de hemel" denkt de apostel zeker aan een bijzondere centraalplaats van de goddelijke heerlijkheid en openbaring, aan het hoogste van de hemelen.
Met enkel namen van hetgeen machtig is, noemt Paulus wat tot de geestenwereld behoort, omdat hij ons tot de troostvolle erkentenis wil leiden dat Jezus Christus verre boven alle aanwezige en denkbare machten, het mogen de goede engelen zijn, de dienaren van God bij het wereldbestuur (Psalm 103:20), of de boze, de van God afgevallen machten van de duisternis (Hoofdstuk 6:12), gesteld is als Heer en Heerser, over de eersten met een kracht om ze te doen dienen, over de anderen met overmeesterende macht. Vorstendom of overheid komt de geesten toe, omdat zij geplaatst zijn aan het hoofd van de wereldschepping en gesteld zijn tot regenten van de wereld; macht hebben zij over het hen onderworpen gebied; kracht is hun handelen, waarmee zij op deze aarde werken; heerschappij oefenen zij uit, omdat hun wil over de wil van anderen beschikt. De vier benamingen van hun betrekking tot de wereld betekent niet een plaatsing onder de engelen, maar omvatten in hun gelijksoortigheid de gehele plaatsing van de bovenaardse machten over de wereld, waartoe wij als schepselen behoren.
Van de hemelse machten, waarboven Christus geplaatst is, strekt zich de blik van de apostel uit tot al het geschapene, dat kan worden genoemd.
Het "alle naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende" moet uitsluiten dat enig wezen, hetzij in de tegenwoordige wereld, hetzij in de te verwachten staat van zaken van de toekomst een plaats zou kunnen innemen, hoe ook genaamd, waar dit niet aan Christus zou onderworpen zijn. Om nu later te kunnen zeggen "tot een Hoofd boven alle diegene" geeft de apostel met woorden, die hij ontleent aan een psalm, die de verhouding van de mens uitdrukt tot de wereld, die hem omgeeft, aan zijn woord over de verhoging van Christus deze uitdrukking, dat God alle dingen aan Zijn voeten heeft onderworpen. Hem nu, aan wie Hij alles onderworpen heeft, heeft Hij van de gemeente gegeven als een Hoofd, dat boven alles zonder uitzondering uitsteekt (zodat deze gemeente haar Hoofd heeft in Een, in wie de idee van de mens, zoals die in Psalm 8 op grond van Genesis 1:26 is voorgesteld, reeds is vervuld en daarin een onderpand, dat ook nog eens aan haar zal worden vervuld. Het begrip van het geven heeft daarbij zo zeker de klemtoon, zo zeker als daaraan moet worden herinnerd, wat aan de gemeente ten deel is geworden. In plaats van slechts als een deel van de wereld Hem onderworpen te zijn, staat zij tot Hem, aan wie alles onderworpen is, in de zo gehele andere verhouding van het lichaam tot zijn hoofd.