Hebreeën 1:1-3
De apostel begint hier met een duidelijke, algemene verklaring van de voortreffelijkheid der evangelische bedeling boven die der wet, welke hij aantoont uit de verschillende wegen en wijzen, waarop God zich zelven, Zijn wil en Zijn bedoeling onder de ene en onder de andere openbaarde, beide bedelingen waren goed, beide waren van God, maar er is groot verschil in de wijzen, waarop zij van God tot ons gekomen zijn.
I. De wijze, waarop God zich zelven en Zijn wil aan de mensen openbaarde onder het Oude Testament. Wij hebben hier ene voorstelling:
1. Van de personen, door wie God Zijn wil onder het Oude Testament openbaarde. Die waren de profeten, dat is, mensen door God verkozen en aangesteld, voor dien dienst, om den wil van God aan de mensen te openbaren. Niemand neemt zich zelven die eer, zonder geroepen te zijn, en zij, die door God geroepen zijn, worden door Hem bekwaamd.
2. De personen, tot wie God door de profeten gesproken heeft. Tot de vaderen, tot al de Oud Testamentische heiligen, die onder die bedeling leefden. God begunstigde en vereerde hen met veel helderder licht dan dat der rede, onder hetwelk de overige mensen leefden.
3. De wijze, waarop God tot de mensen gesproken heeft in die tijden, die aan het Evangelie voorafgingen, die verleden tijden, Hij sprak tot Zijn volk veelmaal en op velerlei wijzen.
A. Veelmaal, of bij verschillende gedeelten, gelijk het woord betekent. Dat kan zien op de verschillende eeuwen van de Oud Testamentische bedeling: de patriarchale, de Mozaïsche, en de profetische tijdvakken. Het kan ook slaan op de verschillende graden van Zijn openbaring betreffende den Verlosser: tot Adam, dat de Messias zou zijn het zaad der vrouw, tot Abraham, dat Hij uit diens lenden zou voortkomen, tot Jakob, dat Hij zou zijn uit den stam Juda, tot David, dat Hij uit zijn geslacht zou spruiten, tot Micha, dat Hij zou geboren worden te Bethlehem, tot Jesaja, dat Hij zou zijn de zoon ener maagd.
B. Op velerlei wijzen. Overeenkomstig de verschillende wijzen, waarin God het goed achtte Zijn wil aan de profeten mede te delen, soms door de ingevingen van zijn Geest, soms door dromen, soms door gezichten, soms door een hoorbare stem, soms door schrift van Zijn eigen hand, als toen Hij de tien geboden op stenen tafelen schreef. Van enkele dezer verschillende wijzen zegt God zelf in Numeri 12:6-8 :Zo er een profeet onder u is, Ik de Heere, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Alzo is mijn knecht Mozes niet, die in mijn ganse huis getrouw is. Van mond tot mond spreek Ik tot hem, en door aanzien, niet door duistere woorden.
II. Gods wijze van openbaring van Zijn wil onder de Nieuw Testamentische bedeling, deze laatste dagen zoals ze hier genoemd worden, dat is: tot het einde der wereld, of veel: tot het einde van den Joodsen staat. De tijden van de bedeling des Evangelies zijn de laatste dagen, de openbaring des Evangelies is de laatste, die wij van God te verwachten hebben. De eerste was de natuurlijke openbaring, daarop volgde de patriarchale, door dromen, gezichten en stemmen, toen de Mozaïsche, in de wet afgekondigd en neergeschreven, vervolgens de profetische, in het uitleggen van de wet en het geven van duidelijker aanwijzingen van Christus. Maar wij kunnen geen nieuwe openbaring meer verwachten, alleen meer van den Geest van Christus om ons te helpen beter te verstaan wat ons geopenbaard is. De voortreffelijkheid van de evangelische openbaring boven de vorige bestaat in twee dingen:
1. Zij is de laatste, de afsluitende openbaring, gegeven in de laatste dagen van goddelijke openbaring, waar niets meer is bij te voegen. De canon der Schrift is nu vastgesteld en bezegeld, de geesten der mensen mogen nu niet meer in onzekerheid gehouden worden door de verwachting van nieuwe ontdekkingen, maar zij verheugen zich in een volledige openbaring van den wil van God, zowel voorschrijvend als voorzienend, zover als zij nodig hebben dien te kennen voor hun bestier en hun troost. Want het Evangelie bevat een ontdekking van de grote gebeurtenissen, die over de kerk Gods komen zullen tot het einde der wereld.
2. Zij is ene openbaring, die God gegeven heeft door Zijnen Zoon, de uitnemendste boodschapper, die ooit in de wereld gezonden werd, ver boven al de oude patriarchen en profeten, door wie God in vorige tijden Zijn wil aan Zijn volk bekendmaakte. En nu volgt een uitnemende beschrijving van de heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.
A. De heerlijkheid van Zijne bediening, en zulks in drie opzichten:
a. God heeft Hem gesteld tot een erfgenaam van alles. Als God was Hij de gelijke van den Vader, maar als Godmens en Middelaar werd Hij door den Vader gesteld tot een erfgenaam van alles, de oppermachtige beschikker en regeerder over alle personen en alle dingen, Psalm 2:6, 7. Alle macht is Hem gegeven in hemel en op aarde, al het oordeel is Hem overgegeven, Mattheus 28:18, Johannes 5:22.
b. God heeft ook door Hem de wereld gemaakt, alle dingen, zienlijke en onzienlijke, den hemel en de aarde, niet door Hem als werktuig, maar door Hem als Gods eigen Woord. en wijsheid. Door Hem maakte Hij de oude schepping, en door Hem maakte Hij het nieuwe schepsel, beide bestuurt en regeert Hij door Hem.
c. Die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, Hij bewaart de wereld voor verdwijning. Door Hem bestaan alle dingen. Het gewicht van de gehele schepping is op Christus gelegd, Hij draagt het heelal en al zijn delen. Toen, na den afval, onder den toorn en den vloek van God de wereld bezig was uiteen te vallen, heeft de Zoon van God het werk der verzoening ondernomen, Hij heeft haar bijeengehouden en vastgesteld door Zijn goddelijke macht en goedheid. Geen van de oude profeten deed zulk een dienst, of was er toe bij machte.
B. Thans gaat de apostel over tot bespreking van de heerlijkheid van Christus, waardoor Zijn persoon instaat was zulk een bediening te vervullen. Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, vers 3. Dat is een hoge en heerlijke beschrijving van den goddelijken Verlosser, het is de beschrijving van Zijn persoonlijke heerlijkheid.
a. Hij is, persoonlijk, de Zoon van God, en als zodanig moet Hij dezelfde natuur hebben. Deze persoonlijke onderscheiding onderstelt altijd een en dezelfde natuur. Iedere zoon van mensen is mens, indien de natuur niet dezelfde was, zou de voortplanting van het geslacht monsterachtig zijn. b. De persoon van den Zoon is de heerlijkheid des Vaders, schijnende met waarachtig goddelijken glans. Gelijk de stralen de schitterende openbaring zijn van de zon, als de bron en fontein des lichts, zo is Jezus Christus in Zijn persoon God geopenbaard in het vlees, licht uit licht, de ware Schechinah.
c. De persoon van den Zoon is het ware beeld en de uitdrukking van den persoon des Vaders, daar Hij van dezelfde natuur is, moet Hij hetzelfde beeld en dezelfde gelijkenis dragen. Zo wij de macht, de wijsheid, de goedheid van den Heere Jezus Christus zien, aanschouwen wij de macht, de wijsheid, de goedheid van den Vader, want Hij heeft in zich zelven de natuur en de volmaaktheden Gods. Die den Zoon gezien heeft, die heeft den Vader gezien, dat is: hij heeft hetzelfde Wezen gezien. Die den Zoon gekend heeft, die heeft den Vader gekend, Johannes 14:7-9. Want de Zoon is in den Vader en de Vader is in den Zoon, de persoonlijke onderscheiding is geen andere dan die bestaan kan met werkelijke eenheid. Dit is de heerlijkheid van den persoon van Christus, de volheid Gods woont, niet typisch, maar wezenlijk in Hem.
C. Van de heerlijkheid van den persoon van Christus gaat hij over tot het vermelden van de heerlijkheid Zijner genade, Zijn neerbuiging was waarlijk heerlijk. Het lijden van Christus had deze grote eer in zich, dat het de volle voldoening was voor de zonden Zijns volks.
Hij heeft de reinigmaking onzer zonden door zich zelven teweeggebracht, dat is: door de eigen inwonende verdienste van Zijn bloedstorting en dood, door hun oneindige innerlijke waarde, zij waren Zijn eigen lijden en daardoor heeft Hij de reinigmaking onzer zonden teweeggebracht. Hijzelf, de heerlijkheid van Zijn persoon en natuur, gaf aan Zijn lijden zulke verdiensten, dat het een volkomen herstelling van de ere Gods was, die een oneindige belediging en onrecht door de zonden der mensen geleden had.
D. Van de heerlijkheid van Zijn lijden worden wij ingeleid in de beschouwing van de heerlijkheid Zijner verhoging. Nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door zich zelven heeft teweeggebracht, is Hij gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, aan Zijns Vaders rechterhand. Als Middelaar en Verlosser werd Hij bekleed met de hoogste eer, macht en werkzaamheid ten goede van Zijn volk. De Vader doet nu alle dingen door Hem en ontvangt alle diensten van Zijn volk door Hem. Daar Hij onze natuur heeft aangenomen en in die natuur op aarde geleden heeft, zo heeft Hij haar met zich ten hemel opgenomen, en daar heeft zij de hoge eer van de naaste aan God te zijn. Dat was de beloning voor Zijne vernedering. Welnu, door niemand minder dan door Hem heeft God in deze laatste dagen tot de mensen gesproken, en aangezien de waardigheid van den boodschapper macht en heerlijkheid aan de boodschap bijzet, moet daarom de voortreffelijkheid van de bedeling des Evangelies veel, veel hoger zijn dan die van de bedeling der wet.