Johannes 6:28-59
Of deze samenspreking plaatshad met de lieden van Kapernaum, in wier synagoge Christus zich nu bevond, of met hen, die van de andere zijde der zee gekomen waren, is niet zeker en van weinig aanbelang. Het is echter een voorbeeld van Christus' vriendelijke neerbuigendheid, dat Hij hun verlof gaf Hem vragen te doen, en de stoornis niet ten kwade duidde of opnam als ene belediging, al behoorden de vragers ook tot de geringsten Zijner hoorders, en ofschoon zij Zijne onmiddellijke volgelingen niet waren. Zij, die geschikt willen zijn om te onderwijzen, moeten naarstig zijn om te horen, en er zich op toeleggen om te kunnen antwoorden. De leraren zullen verstandig handelen, indien zij, als hun ongepaste en onnutte vragen gedaan worden, daar aanleiding uit nemen om een antwoord te geven, dat nuttig is, zodat wel de vraag ter zijde wordt gesteld, maar de vrager toch onderricht wordt.
I. Daar Christus hun nu gezegd had, dat zij voor de spijze, waarvan Hij gesproken had, moesten werken, vragen zij, welk werk zij moeten doen, en Hij antwoordt, vers 28, 29.
1. Hun vraag was gepast genoeg, vers 28.
Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? Sommigen houden dit voor een onbeschaamde vraag: "Welke werken Gods kunnen wij doen, die meer en beter zijn dan die wij in gehoorzaamheid aan de wet van Mozes doen?" Ik beschouw het echter veeleer als een ootmoedige, ernstige vraag, welke toont dat zij, voor het ogenblik ten minste, in een goede gemoedsstemming zijn, gewillig om hun plicht te kennen en te doen. En ik stel mij voor dat zij, die deze vraag deden: hoe en wat, vers 30, en zij, die het verzoek deden, vers 34, niet dezelfde personen waren, die murmureerden, vers 41, 42, en streden, vers 52, want dezen worden uitdrukkelijk de Joden genoemd, die uit Judea gekomen waren (want, strikt genomen, werden dezen Joden genoemd) om te vitten, terwijl die mensen uit Galilea waren gekomen, om onderwezen te worden. Deze vraag nu geeft hun overtuiging te kennen, dat zij die eeuwigdurende spijze wilden verkrijgen:
a. Er naar moeten streven om iets groots te doen. Zij, die hun blik hoog richten in hun verwachtingen, en de heerlijkheid Gods wensen deelachtig te worden, moeten ook hun streven hoog richten en er zich op toeleggen de werken Gods te doen, werken, die Hij eist en aanneemt, werken Gods onderscheiden van de werken van wereldse mensen in hun werelds streven. Het is niet genoeg de woorden Gods te spreken, wij moeten de werken Gods doen.
b. Bereid moeten zijn om alles te doen, wat het ook zij.
Wat zullen wij doen? Heere, ik ben bereid alles te doen wat Gij mij zult aanwijzen te doen, al gaat het ook in tegen vlees en bloed, Handelingen 9:6.
2. Christus' antwoord was duidelijk genoeg, vers 29. Dit is het werk Gods, dat gij gelooft. Merk op:
a. Dat het werk des geloofs het werk Gods is. Zij vragen naar de werken Gods (in het meervoud), bekommerd zijnde over vele dingen, maar Christus wijst hen op een werk, dat alles in zich sluit, het ene nodige: dat gij gelooft, dat in de plaats treedt van al de werken der ceremoniële wet, het werk, dat nodig is om alle andere werken welbehaaglijk te doen zijn, en ze teweegbrengt, want zonder geloof kunt gij Gode niet behagen. Het is Gods werk, want Hij werkt het in ons, het onderwerpt de ziel aan Zijn werken op ons, en wekt de ziel op om te werken voor Hem.
b. Dat geloof het werk Gods is, hetwelk zich verenigt met Christus, en op Hem steunt. Het is te geloven in Hem, als door God gezonden, als den Gevolmachtigde in de grote zaak des vredes tussen God en den mens, als zodanig op Hem te betrouwen, en ons aan Hem over te geven, zie Hoofdstuk 14:1.
II. Christus, hun gezegd hebbende, dat de Zoon des mensen hun die spijze zou geven, vragen zij verder omtrent Hem, en Hij beantwoordt hun vraag.
1. Zij vragen naar een teken, vers 30:Wat teken doet gij dan? Zij hadden in zoverre gelijk, dat, daar Hij geloof van hen vraagt, Hij Zijne geloofsbrieven moet tonen, en door een wonder bewijzen, dat Hij van God was gezonden. Daar Mozes zijne zending door tekenen heeft bewezen, was het nodig, dat Christus, die gekomen is om de ceremoniële wet op te heffen, op dezelfde wijze Zijne zending bewijzen zou: Wat werkt Gij? Welke blijvende hoedanigheden van Goddelijke macht zult Gij geven aan uwe leer? Zij hebben echter hierin misgetast:
a. Dat zij de vele wonderen voorbijzagen, die Hij alrede gewrocht had, en die het overvloedig bewijs Zijner Goddelijke zending waren. Is dit ene ure van den dag om te vragen: Wat teken doet Gij? inzonderheid te Kapernaum, de stapelplaats der wonderen, waar Hij zo vele krachten gedaan had, wonderen die de betekenis van Zijn ambt en Zijne onderneming zozeer deden uitkomen? Waren niet deze zelfde lieden nog onlangs wonderdadiglijk door Hem gespijzigd? Niemand is zo blind als zij, die niet willen zien, want zij kunnen zo blind zijn, dat zij twijfelen of het wel dag is, terwijl de zon in hun ogen schijnt.
b. Dat zij aan de wonderdadige spijziging van Israël in de woestijn de voorkeur gaven boven al de wonderen door Christus gewrocht, vers 31. Onze vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, en om aan de tegenwerping kracht bij te zetten halen zij de Schrift aan: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten, genomen uit Psalm 78:23, Hij gaf hemels koren. Welk een goed gebruik zou gemaakt kunnen worden van de geschiedenis, waarnaar zij verwijzen! Het was een gedenkwaardig voorbeeld van Gods macht en goedheid, dat dikwijls tot eer van God vermeld is geworden, Nehemia 9:20, 21. Zie echter hoe deze lieden haar bederven en er een slecht gebruik van maken. Christus bestraft hen om hun voorliefde voor wonderdadig brood, en zegt hun het hart niet te stellen op de spijze, die vergaat. "Maar", zeggen zij, "spijzen voor den buik is het grote goed, dat God aan onze vaders in de woestijn heeft gegeven, waarom zouden wij dan niet werken voor die spijzen? Indien God ze zo hoog heeft geschat, wie zijn wij, dat wij ze niet hoog zouden schatten? Christus had vijf duizend mensen gespijzigd met vijf broden, en had hun dat als een teken gegeven, dat Hij van God was gezonden, maar onder schijn van de wonderen van Mozes te verheerlijken, onderschatten zij stilzwijgend dit wonder van Christus, en ontwijken er het bewijs van. Christus heeft Zijne duizenden gespijzigd, maar Mozes zijne honderdduizenden: Christus heeft hen slechts eens gespijzigd, en toen heeft Hij hen bestraft, die Hem gevolgd waren in de hoop van nog door Hem gespijzigd te worden, en hen afgescheept met ene rede over geestelijke spijze, maar Mozes heeft zijne volgelingen veertig jaren lang gespijzigd, en wonderen waren voor hen gene zeldzaamheden, maar hun dagelijks brood. Christus spijzigde hen met brood uit de aarde, gerstebrood, en vissen uit de zee, maar Mozes heeft Israël gevoed met brood uit den hemel, engelenspijze. Zo hoog hebben deze Joden opgegeven van het manna, dat hun vaders hebben gegeten, maar hun vaders hebben dat manna evenzeer geminacht, als zij nu de gerstebroden minachtten, zij noemden het zeer licht brood, Numeri 21:5. Zo geneigd zijn wij om de blijken van Gods macht en genade in onzen eigen tijd voorbij te zien of gering te achten, terwijl wij voorgeven vol van bewondering te zijn voor de wonderen, waarvan onze vaders ons verteld hebben. Gesteld nu eens, dat dit wonder van Christus overtroffen werd door dat van Mozes, er waren dan toch andere voorbeelden, waarin Christus' wonderen de zijne overtroffen, en daarenboven, alle ware wonderen bewijzen een Goddelijke leer, al zijn zij niet allen gelijkelijk groot in de bijzonderheden, welke allen verschilden al naar de gelegenheid het vereiste. Zo ver het manna de gerstebroden overtrof, zo ver, ja nog veel verder, overtrof de leer van Christus de wet van Mozes, en Zijn hemelse inzettingen de vleselijke verordeningen van die bedeling. 2 Hier is Christus' antwoord op deze vraag, waarin:
a. Hij hun vergissing herstelt betreffende het typische manna. Het was waar, dat hun vaders het manna hadden gegeten in de woestijn. Maar het was niet Mozes, die het hun gegeven had, zij waren er hem niet voor verplicht, hij was slechts het werktuig, en daarom moeten zij over hem heen zien naar God. Wij vinden zelfs niet, dat Mozes God om het manna gebeden heeft, en hij heeft onbedachtelijk gesproken, toen hij zei: zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen? Mozes heeft hun noch dat brood, noch dat water gegeven. Het werd hun niet, zoals zij zich verbeeldden, uit den hemel gegeven, uit de hoogste hemelen, maar slechts uit de wolken, en daarom was het niet zoveel beter dan dat, hetwelk, naar zij dachten, uit de aarde voortkwam. Omdat de Schrift zegt: "Hij gaf hun brood uit den hemel, volgt daar nog niet uit, dat het hemels brood was, of bestemd was om voedsel te zijn voor de ziel. Verkeerd-begrepen uitdrukkingen van de Schrift veroorzaken vele vergissingen omtrent de dingen Gods.
c. Hij geeft hun inlichting betreffende het ware manna, waarvan dat manna het type geweest is: Mijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel, datgene, hetwelk waarlijk en eigenlijk het brood uit den hemel is, waarvan het manna slechts de afschaduwing is geweest, is nu gegeven, niet aan uwe vaders, die gestorven zijn, maar aan u van dezen tegenwoordigen tijd, voor wie deze betere dingen zijn weggelegd. Hij geeft u thans dit brood uit den hemel, dat met recht zo genoemd wordt. Zo ver de troon van Gods heerlijkheid boven de wolken der lucht is, zo ver overtreft het geestelijk brood van het eeuwig Evangelie het manna. Door God Zijn Vader te noemen maakt Hij zich bekend als groter te zijn dan Mozes, want Mozes is slechts als een dienstknecht getrouw geweest, Christus als Zoon, Hebreeën 3:5, 6.
III. Geantwoord hebbende op hun vragen, neemt Christus nu uit hun tegenwerping van het manna aanleiding om van zichzelf te spreken onder de gelijkenis van brood, en van geloven onder de gelijkenis van eten en drinken, waartoe met Zijne samenvoeging van het eten van Zijn vlees en het drinken van Zijn bloed, met opmerkingen hierover van Zijne hoorders, het overige van deze samenspreking gebracht kan worden.
1. Christus had van zichzelf gesproken als van de grote gave Gods, en het ware brood, vers 32, en nu verklaart en bevestigt Hij dit uitvoerig, opdat wij Hem op de rechte wijze zullen kennen.
a. Hij toont hier, dat Hij het ware brood is, telkens en nogmaals wordt dit door Hem herhaald, vers 33, 35, 48-51. Merk op dat Christus brood is, datgene is voor de ziel, wat brood is voor het lichaam, het geestelijk leven voedt en onderhoudt (er de staf van is) zoals brood het lichamelijk leven, het is de staf des levens. De leerstellingen van het Evangelie betreffende Christus, dat Hij de Middelaar is tussen God en den mens, dat Hij onze vrede is, onze gerechtigheid, onze Verlosser: bij deze dingen leeft men. Ons lichaam zou beter kunnen leven zonder voedsel, dan onze ziel zonder Christus. Het broodkoren moet verbrijzeld worden, Jesaja 28:28, ook Christus werd verbrijzeld. Hij was geboren te Bethlehem, het broodhuis, en Hij is afgeschaduwd door het toonbrood. Dat Hij het brood Gods is, vers 33, Goddelijk brood, Hij is het, die van God is, vers 46, brood, dat Mijn Vader geeft, vers 32, dat Hij tot voedsel onzer zielen gemaakt heeft, het brood van Gods huisgezin, het brood Zijner kinderen. De Levitische offers worden het brood Gods genoemd, Leviticus 21:21, 22, 1) en Christus is het grote offer, Christus in Zijn woord en in Zijne inzettingen, het feestmaal op het offer. Dat Hij is het brood des levens, vers 35, en wederom in vers 48, zinspelende op den boom des levens in het midden van den hof van Eden, die voor Adam het zegel was van dat deel van het verbond: Doe dit en leef, waarvan hij kon eten en leven. Christus is het brood des levens, want Hij is de vrucht van den boom des levens. Ten eerste. Hij is het levende brood (aldus verklaart Hij zich zelven, vers 51): Ik ben dat levende brood. Brood op zichzelf is een dood ding, en voedt niet anders dan door de hulp van de vermogens van een levend lichaam, maar Christus is zelf levend brood, en voedt door Zijn eigen kracht. Het manna was een dood ding, als het slechts een nacht overbleef, bedierf het en kwamen er wormen in, maar Christus is eeuwig levend, brood, dat nooit beschimmelt, nooit oud wordt. De leer van Christus gekruisigd is thans even versterkend en vertroostend voor den gelovige als zij ooit geweest is, en Zijn Middelaarschap is nog van evenveel waardij en kracht als ooit tevoren.
Ten tweede. Hij geeft der wereld het leven. vers 33, geestelijk en eeuwig leven, het leven der ziel in vereniging en gemeenschap met God hier, en in het zien en genieten van Hem hiernamaals, een leven, dat alle gelukzaligheid in zich sluit. Het manna heeft slechts het leven bewaard en onderhouden, heeft het leven niet bewaard en eeuwigdurend gemaakt, veel minder nog hersteld, maar Christus geeft leven aan hen, die dood waren in de zonde. Het manna was slechts verordineerd voor het leven der Israëlieten, maar Christus is gegeven voor het leven der wereld, niemand is buitengesloten van de weldaad van dit brood, dan die er zich zelven van buitensluiten. Christus is gekomen om leven te brengen in het hart der mensen, beginselen, die welbehaaglijke daden teweegbrengen. Dat Hij het brood is, dat uit den hemel nedergedaald is, dit wordt hier dikwijls herhaald vers 33, 50, 51, 58. Dit geeft te kennen: Ten eerste. De Godheid van Christus' Persoon. Als God had Hij een bestaan in den hemel, vanwaar Hij gekomen is, om onze natuur aan te nemen. Ik ben uit den hemel nedergedaald, waaruit wij Zijne oudheid kunnen afleiden, Hij was in den beginne bij God, Zijne macht, want de hemel is het uitspansel Zijner sterkte, en Zijn gezag, Hij kwam met een Goddelijke opdracht. Ten tweede. Den Goddelijken oorsprong van al het goed, dat ons door Hem toevloeit. Hij komt, niet slechts katabas -dat nederdaalde, vers 51, maar katabainooi -dat nederdaalt, Hij is nederdalende, hetgeen een voortdurende mededeling aanduidt van licht, liefde en leven, van God aan de gelovigen door Christus, zoals het manna dagelijks nederdaalde, zie Efeze 1:3, Omnia desuper -Alle dingen van boven. Dat Hij het brood is, waarvan het manna het type is geweest, vers 58, het brood, het ware brood, vers 32. Gelijk de rots, uit welke zij dronken, Christus was, zo was het manna, dat zij aten geestelijk brood, 1 Corinthiërs 10:3, 4. Het manna was aan Israël gegeven, zo is Christus aan het geestelijk Israël gegeven. Er was manna genoeg voor allen, zo is in Christus ene volheid van genade voor alle gelovigen, hij, die van dat manna veel vergadert, zal, als hij het gaat. gebruiken, niets overhouden, en hij, die weinig vergadert, zal, wanneer zijne genade volkomen zal gemaakt zijn in heerlijkheid, bevinden dat hem niet ontbrak. Het manna moest des morgens verzameld worden, en, gelijk de schrijver van de Wijsheid van Salomo ons zegt (Boek der Wijsheid 16:20) het was naar ieders smaak, en hun, die geloven, is Christus dierbaar. Israël leefde van het manna totdat zij in Kanaän kwamen, en Christus is ons leven. Er was ene gedachtenis van het manna bewaard in de ark, en evenzo van Christus in des Heeren Avondmaal, als het voedsel der ziel.
b. Hij toont hier, waarin Zijne onderneming bestond, en wat Zijne boodschap was in de wereld. De beeldspraak nu ter zijde latende, spreekt Hij klaar en duidelijk van Zijn werk onder de mensen, vers 38-40. Hij verzekert ons in het algemeen, dat Hij voor het werk Zijns Vaders van den hemel is gekomen, vers 38, niet opdat Ik Mijn wil doe, maar den wil degene, die Mij gezonden heeft. Hij is van den hemel gekomen, hetgeen Hem als een verstandelijk werkzaam wezen aanduidt, die vrijwillig naar deze lagere wereld is afgedaald-een lange reize en een grote stap afwaarts. In aanmerking genomen de heerlijkheid van de wereld, vanwaar Hij kwam, en de ellende der wereld, waar Hij heenging, mogen wij wèl vragen: "Wat bewoog Hem tot zulk een tocht?" Hier zegt Hij ons, dat Hij niet is gekomen om Zijn eigen wil te doen, maar den wil Zijns Vaders, niet alsof Hij een wil had, die in strijd of in mededinging was met den wil Zijns Vaders, maar zij, tot wie Hij sprak, konden dit allicht denken. "Neen", zegt Hij, "Mijn eigen wil is niet de drijfveer, die Mij doet handelen, noch het richtsnoer waaraan Ik Mij houd, Ik ben gekomen om den wil te doen degene, die Mij gezonden heeft". Dat is: Ten eerste. Christus is niet als een particulier persoon in de wereld gekomen, die slechts voor zich zelven handelt, maar in publieke hoedanigheid, om voor anderen te handelen als gezant, of gevolmachtigde, aangesteld door een openbare opdracht. Hij kwam in de wereld als de grote agent Gods, en de grote geneesmeester der wereld. Het was geen bijzondere aangelegenheid, die Hem hier gebracht heeft, Hij kwam om zaken te regelen tussen partijen, en dezen waren geen minderen dan de grote Schepper en geheel de schepping. Ten tweede. Toen Christus in de wereld was, heet Hij geen particulier doel beoogd, noch had Hij enig afzonderlijk belang, onderscheiden van die van hen, voor wie Hij handelde. Het doel van geheel Zijn leven was God te verheerlijken en goed te doen aan de mensen. Daarom is Hij ook nooit te rade gegaan met Zijn eigen gemak, Zijn eigen veiligheid of rust, maar toen Hij Zijn leven moest afleggen, heeft Hij, schoon Zijn menselijke nat uur daarvoor terugschrikte, daar geen acht op geslagen, maar Zijn wil als mens opgelost in den wil van God: Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Hij maakt ons, in het bijzonder, bekend met dien wil des Vaders, dien Hij is komen doen, want hier ontvouwt Hij het raadsbesluit, dat Hij had uit te voeren, de instructies, die Hij had op te volgen.
Ten eerste. De bijzondere instructies, aan Christus gegeven, namelijk dat Hij geheel het verkoren overblijfsel zou verlossen, en dit is het verbond der verlossing tussen den Vader en den Zoon, vers 39:Dit is de wil des Vaders, die Mij gezonden heeft, dit is de opdracht, Mij toevertrouwd, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze. Er is een zeker aan al van de kinderen der mensen, door den Vader aan Jezus Christus gegeven, om het voorwerp te zijn Zijner zorg, en Hem aldus tot een naam en tot lof te zijn, Hem gegeven tot een erfdeel en ene bezitting. Laat Hem alles voor hen doen wat hun toestand vereist, hen onderwijzen en genezen, hun schuld betalen, hun zaak bepleiten, hen toebereiden en bewaren voor het eeuwige leven. De Vader zou naar Zijn welgevallen over hen kunnen beschikken, als schepselen was hun leven en bestaan aan Hem ontleend, als zondaren was hun leven en bestaan aan Hem verbeurd. Hij zou ter voldoening van Zijne gerechtigheid hen verkocht kunnen hebben, hen den pijnigers overgeleverd kunnen hebben, maar Hij verkoos hen om gedenktekenen te zijn van Zijne barmhartigheid, en gaf hen over aan den Zaligmaker. Hen, die God verkoos om de voorwerpen te zijn van Zijn bijzondere liefde, heeft Hij aan de handen van Christus ter bewaring toevertrouwd. Jezus Christus heeft op zich genomen, om van hen, die Hem aldus door den Vader gegeven waren, niemand te verliezen. Van de vele kinderen, die Hij tot de heerlijkheid zou leiden, zal er geen gemist worden, allen zullen zij komen, Mattheus 18:14. Geen van hen zal verloren gaan wegens den onvoldoenden prijs om hen vrij te kopen, of wegens ongenoegzame genade om hen te heiligen. Christus' zorg voor hen, die Hem gegeven zijn, strekt zich ook uit tot de opstanding van hun lichaam, maar hetzelve opwekken ten uitersten dage, hetgeen veronderstelt alles wat voorafgaat, maar dit is de voltooiing en de kroon van het werk. Het lichaam maakt deel uit van den mens, en is daarom ook een deel van het door Christus vrijgekochte, het behoort tot de beloften, en daarom zal het niet verloren gaan. Wat Hij op zich heeft genomen is niet slechts, dat Hij niemand zal verliezen, maar ook dat Hij niets zal verliezen, geen deel van den persoon, en dus niet het lichaam, Christus' onderneming zal niet voltooid wezen voor de opstanding, als de ziel en het lichaam der heiligen herenigd zullen wezen, en vergaderd tot Christus, opdat Hij ze den Vader kunne voorstellen: Zie daar Ik en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt, Hebreeën 2:13, 2 Timotheus 1:12. 4. De bron en oorsprong van dat alles is de vrijmachtige wil van God, de raad Zijns willens, waarnaar Hij dit alles werkt. Dit was het gebod, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, toen Hij Hem in de wereld heeft gezonden, en waarop de Zoon steeds het oog gevestigd heeft.
Ten tweede. De openbare instructies, die aan de kinderen der mensen gegeven waren, op wat wijze en op welke voorwaarden zij de zaligheid door Christus konden verkrijgen, en dat is het verbond der genade tussen God en den mens. Wie de bijzondere personen waren, die aan Christus gegeven waren, is ene geheimenis, ene verborgenheid. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, wij niet, en het voegt ook niet, dat wij hen kennen, maar hoewel hun namen verborgen zijn, hun aard, hun hoedanigheden zijn bekend gemaakt. Er is op evangelievoorwaarden ene aanbieding van leven en zaligheid gedaan, opdat zij, die aan Christus gegeven werden, er door tot Hem gebracht zullen worden, en anderen niet te verontschuldigen zouden zijn, vers 40, Dit is de wil - de geopenbaarde wil- degene, die Mij gezonden heeft, de overeengekomen methode, naar welke met de kinderen der mensen gehandeld moet worden, dat een iegelijk, Jood of heiden, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Dit voorwaar is Evangelie, goede tijding. Geeft het niet een nieuw leven om dit te horen?
1. Dat het eeuwige leven te verkrijgen is, dat het on ze eigen schuld zou zijn, zo wij het niet deelachtig worden, dat, terwijl na Adams zonde de toegang tot den boom des levens gesloten werd, hij door de genade van den tweeden Adam weer is opengesteld. De erekroon is ons voorgesteld als de prijs onzer hoge roeping, voor welken wij moeten lopen om hem te verkrijgen.
2. Iedereen kan die kroon verkrijgen. Dit Evangelie moet gepredikt, deze aanbieding gedaan worden aan allen, en niemand kan zeggen: het is niet voor mij, Openbaring 22:17.
3. Dit eeuwige leven is verzekerd aan allen, die geloven in Christus, en alleen aan hen. Die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, zal zalig worden. Sommigen verstaan dit aanschouwen als ene beperking in de voorwaarde tot zaligheid alleen tot hen, aan wie die openbaring van Christus en Zijne genade gedaan is. Iedereen, die de gelegenheid heeft om met Christus bekend ie worden, en er zulk een goed gebruik van maakt, dat hij in Hem gelooft, zal het eeuwige leven hebben, zodat niemand veroordeeld zal worden wegens ongeloof (hoe ook om andere zonden) dan zij, aan wie het Evangelie gepredikt is, die, gelijk deze Joden hier, vers 36, Christus aanschouwd hebben, maar toch niet in Hem hebben geloofd, Hem hebben gekend, en toch niet op Hem hebben vertrouwd. Ik houd het er echter voor, dat dit aanschouwen hier hetzelfde betekent als geloven, want het is theoroon, hetgeen niet zozeer betekent het zien der ogen, zoals vers 36, heoorakate me -gij hebt Mij gezien, als wel ene aanschouwing van den geest. Een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, dat is: in Hem gelooft, ziet Hem met het oog des geloofs, waardoor wij bekend worden met de leer des Evangelies omtrent Hem. Het is op Hem te zien zoals de Israëlieten, die door de vurige slangen gebeten waren, op de koperen slang zagen. Christus eist geen blind geloof, Hij eist niet, dat wij ons de ogen zullen laten uitsteken om Hem te volgen, maar dat wij Hem zullen zien. zien op welken grond wij in Hem geloven. Het geloof is dan eerst goed, als wij niet geloven van horen zeggen (geloven zoals de kerk gelooft) maar als het het gevolg is van nadenken over, en inzicht in, de redenen der geloofwaardigheid. Nu ziet U mijn oog. Wij zelven hebben Hem gehoord.
4. Zij, die in Jezus Christus geloven om het eeuwige leven te verkrijgen, zullen door Zijne macht opgewekt worden ten uitersten dage. Hij had dit, als Zijns Vaders wil, in opdracht, vers 39, en hier verklaart Hij dit plechtig als Zijne onderneming, Ik zal hem opwekken, hetgeen betekent, niet de terugkeer van het lichaam tot het leven, maar het stellen van den gehelen mens in het volle bezit van het beloofde eeuwige leven. 2. Laat ons nu zien, welke opmerkingen er door Christus' hoorders gemaakt zijn naar aanleiding van Zijn spreken van zich zelven als van het brood des levens, dat van den hemel gekomen is.
a. Toen zij hoorden van het brood Gods, dat leven geeft, hebben zij er van harte om gebeden, vers 34. Heere! geef ons altijd dit brood. Ik kan niet denken, dat zij dit spottend gezegd hebben, zoals de meeste schriftverklaarders dit opvatten: "Geef ons zulk brood, indien gij het kunt, laat ons er mede gespijzigd worden, niet met een enkelen maaltijd, zoals met de vijf broden, maar altijd, " alsof dit gebed van geen beter gehalte was dan dat van den onboetvaardigen moordenaar: Indien gij de Christus zijt, behoud uzelven en ons. Ik houd het er voor, dat dit verzoek wel in onwetendheid, maar toch ook in oprechtheid gedaan is, want zij noemen Hem Heere, en begeren deel te hebben in hetgeen Hij geeft, wat Hij er dan ook mede moge bedoelen. Algemene en verwarde begrippen omtrent Goddelijke dingen brengen in vleselijkgezinde harten ene soort van begeerte er naar teweeg, zoals Bileams wens om den dood des rechtvaardigen te sterven. Zij, die een vage, onduidelijke kennis hebben van de dingen Gods, die mensen zien wandelen als bomen, doen een onduidelijk gebed om geestelijke zegeningen. Zij denken, dat de gunst van God iets goeds is, dat de hemel heerlijk is, en zij kunnen niet anders dan wensen Gods gunst deelachtig te worden en in den hemel te zullen komen, terwijl zij toch volstrekt gene waardering hebben voor, noch begeerte naar, de heiligheid, welke voor die beide noodzakelijk is. Laat dit de begeerte onzer ziel zijn: hebben wij gesmaakt, dat de Heere goedertieren is, zijn wij gespijzigd met het Woord Gods en in het Woord met Christus? zo laat ons zeggen: "Heere, geef ons altijd dit brood, laat het brood des levens ons dagelijks brood zijn, het hemelse manna ons voortdurend feestmaal, en laat ons nooit het gebrek er aan kennen.
b. Maar toen zij verstonden, dat Jezus met dit brood des levens zichzelf bedoelde, hebben zij het veracht. Of het dezelfde personen waren, die er om gevraagd hadden, vers 34, of anderen uit de menigte, blijkt niet, het schijnen anderen geweest te zijn, want zij worden Joden genoemd. Nu wordt gezegd, vers 41:De Joden dan murmureerden over Hem. Dit volgt terstond na die plechtige verklaring van Christus omtrent Gods wil en Zijn eigen onderneming betreffende de zaligheid der mensen, vers 39, 40, en voorzeker waren dit sommigen van de meest-gewichtige en genaderijke woorden, die ooit uit den mond van onzen Heere Jezus zijn voortgekomen, en ten hoogste alle aanneming waardig zijn. Men zou gedacht hebben, dat zij, evenals Israël in Egypte, toen zij hoorden, dat God hen aldus had bezocht, hun hoofd zouden hebben gebogen om te aanbidden, maar integendeel, in plaats van het hun gedane aanbod aan te nemen, murmureerden zij. Zij hebben Zijne woorden wel niet openlijk tegengestaan en tegengesproken, maar onder elkaar fluisterden zij minachtend, en zochten elkaar er tegen te bevooroordelen. Er zijn velen, die de leer van Christus niet openlijk tegenspreken (hun aanmerkingen er tegen zijn zo zwak en ongegrond, dat zij of zich schamen om er voor uit te komen, of bevreesd zijn om tot zwijgen te worden gebracht) maar in hun hart zeggen zij, dat zij er niet van houden. Wat hen nu ergerde, was: Dat Christus verklaarde, dat Hij van den hemel gekomen was, vers 41, 42. Zij hadden gehoord van engelen, die van den hemel gekomen zijn, maar nooit van een mens, de bewijzen voorbijziende, die Hij hun had gegeven, dat Hij meer dan mens was. Wat, naar zij dachten, hen hierin rechtvaardigde, was, dat zij Zijn aardse afkomst kenden.
Is deze niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Zij namen het kwalijk, dat Hij zei van den hemel gekomen te zijn, terwijl Hij toch een hunner was. Zij spreken minachtend van Zijn gezegenden naam, Jezus: Is deze niet Jezus? Zij nemen als bewezen aan, dat Jozef wezenlijk Zijn vader was, terwijl deze slechts Zijn vermeende vader was. Vergissingen omtrent den Persoon van Christus, alsof Hij bloot Mens is, ontvangen en geboren door gewone generatie, veroorzaken de ergernis, die men neemt aan Zijne leer en Zijn ambt. Zij, die Hem op ene lijn stellen met de andere kinderen der mensen, wier vader en moeder wij kennen, zullen natuurlijkerwijs afdoen aan de ere Zijner genoegdoening, en aan de verborgenheid van Zijne onderneming, en, evenals deze Joden hier, murmureren zij wegens Zijne belofte van ons te zullen opwekken ten uitersten dage. 3. Gesproken hebbende van geloof als het grote werk Gods, vers 29, spreekt Hij nu verder uitvoerig over dat werk, om er ons in te onderrichten en te bemoedigen.
a. Hij toont wat het is in Christus te geloven. In Christus te geloven is tot Christus te komen. Die tot Mij komt, is dezelfde, als die in Mij gelooft, vers 35, en wederom, vers 37, die tot Mij komt, en zo ook in vers 44 en 45. Bekering tot God is tot Hem komen, Jeremia 3:22, als tot ons hoogste goed en ons hoogste doel, en zo is geloof in onzen Heere Jezus Christus een komen tot Hem als tot onzen Vorst en Zaligmaker, en onzen Weg tot den Vader. Het geeft een uitgaan te kennen van onze genegenheid naar Hem, want dat zijn de bewegingen der ziel en welbehaaglijke daden. Het is een wegkomen van al die dingen, die Hem tegenstaan, of in mededinging met Hem willen komen, en een komen tot de voorwaarden, waarop ons leven en zaligheid door Hem worden aangeboden. Toen Hij hier op aarde was, bestond het tot Hem komen in meer dan een bloot heengaan naar de plaats, waar Hij was, en zo is het thans meer dan een bloot komen tot Zijn woord en Zijne inzettingen. Het is zich te voeden met Christus, vers 51. Zo iemand van dit brood eet. Het eerste duidt aan een zich wenden tot Christus, dit duidt aan het toepassen van Christus op ons, ons Hem toe te eigenen met lust en liefde, opdat wij leven van Hem ontvangen, en kracht, en vertroosting. Het is ons met Hem te voeden, zoals de Israëlieten zich met het manna hebben gevoed, de vleespotten van Egypte hebbende verlaten, en niet steunende op den arbeid hunner handen (om daarvan te eten) maar zuiver levende van het brood, dat hun van den hemel was gegeven.
b. Hij toont wat verkregen wordt door in Christus te geloven. Wat zal Hij ons geven, als wij tot Hem komen? In welk opzicht zal het ons beter gaan, als wij ons met Hem voeden? Gebrek en dood zijn de dingen, die wij het meest vrezen, zo wij slechts verzekerd kunnen zijn van de geriefelijkheden van ons leven, en het voortduren van ons leven te midden dier geriefelijkheden, dan hebben wij genoeg, deze twee zaken nu zijn hier aan de ware gelovigen verzekerd. Zij zullen nooit gebrek hebben, nooit hongeren en nooit dorsten, vers 35. Begeerten hebben zij, ernstige begeerten, maar die zijn zo goed en zo tijdig en zo ruim vervuld, dat het geen honger of dorst kan genoemd worden, want honger en dorst zijn pijnlijk. Zij, die van het manna aten en van de rots dronken, hebben daarna wederom gehongerd en gedorst. Het manna stond hen tegen, het water uit de rots faalde. Maar er is in Christus zulk ene overvloeiende volheid, dat zij nooit uitgeput kan worden en er komen zulke immer vloeiende mededelingen van Hem, dat zij nooit kunnen ophouden. Zij zullen nooit sterven, niet eeuwig sterven, want: Ten eerste. Hij, die in Christus gelooft, heeft het eeuwige leven, vers 47, hij heeft er de verzekerdheid van, hij heeft er het onderpand van, hij heeft het in de belofte en in de eerstelingen, den voorsmaak. Vereniging met Christus en gemeenschapsoefening met God in Christus zijn het begin van het eeuwige leven. Ten tweede. Terwijl zij, die van het manna aten gestorven zijn, is Christus zulk brood, dat de mens er van kan eten en nooit sterven, vers 49, 50.
Merk hier op:
1. De ongenoegzaamheid van het typische manna: Uwe vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven. Er kan dikwijls goed gebruik gemaakt worden van den dood onzer vaders, hun graven spreken tot ons, en hun monumenten zijn onze gedenktekenen, tekenen om ons inzonderheid hieraan te herinneren, dat de grootste overvloed van de keurigste spijze onzen levensdraad niet zal verlengen en den dood niet zal afweren. Zij, die het manna, het engelenbrood, hebben gegeten, zijn, evenals andere mensen, gestorven. Er kon in hun spijs niets verkeerds zijn, waardoor hun dagen verkort werden, hun dood kon ook niet verhaast zijn door de vermoeienis van het leven (want zij hebben noch gezaaid noch gemaaid) en toch zijn zij gestorven.
a. Velen hunner stierven, door den onmiddellijken slag van Gods wrake over hun ongeloof en hun murmureren, want, ofschoon zij die geestelijke spijze hebben gegeten, heeft God in velen van hen toch geen welgevallen gehad, want zij zijn in de woestijn ter neer geslagen, 1 Corinthiërs 10:3-5. Hun eten van het manna was hun gene beveiliging tegen den toorn Gods, zoals het geloof in Christus het ons is.
b. De overigen van hen stierven in den loop der natuur, en hun dode lichamen vielen onder een Goddelijk vonnis in die woestijn, waarin zij het manna gegeten hadden. In diezelfden tijd, toen wonderen het dagelijks brood waren, werd het menselijk leven teruggebracht tot den duur, dien het nu heeft, gelijk blijkt uit Psalm 90:10. Laten zij dus niet zo roemen op het manna.
2. De algenoegzaamheid van het ware manna, waarvan het eerste het type geweest is: Dit is het brood, dat uit den hemel nederdaalt, de ware Goddelijke en hemelse spijze, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve, dat is: niet valle onder den toorn Gods, die dodelijk is voor de ziel, niet sterve den tweeden dood, neen, noch den eersten dood finaal en onherstelbaar. Niet sterve, dat is: niet omkome, niet fale om het hemelse Kanaän te bereiken, zoals de Israëlieten gefaald hebben om het aardse Kanaän te bereiken uit gebrek aan geloof, hoewel zij van het manna hebben gegeten. Dit wordt nog verder verklaard door de belofte in de volgende woorden: Zo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven, vers 51. Dat is de betekenis van dit niet sterven, hij gaat wel af naar den dood, maar hij zal er door heengaan naar die wereld, waar geen dood meer zijn zal. Eeuwig te leven is niet slechts eeuwig te bestaan (de veroordeelden in de hel zullen eeuwig bestaan, de ziel des mensen is geschapen voor een eeuwigen staat), maar om eeuwig gelukkig te bestaan. En omdat het lichaam moet sterven, als water moet wezen, dat ter aarde wordt uitgestort, neemt Christus hier op zich om ook dat weer te vergaderen, (zoals te voren in vers 44. Ik zal hem opwekken ten uitersten dage) en ook dat zal eeuwig leven.
c. Hij toont welke bemoedigingen wij hebben om in Christus te geloven. Christus spreekt hier van sommigen, die Hem gezien hebben en toch niet geloofden, vers 36. Zij zagen Zijn Persoon en Zijne wonderen, en hoorden Hem prediken, en toch werd er geen geloof in hen gewrocht. Geloof is niet altijd het uitwerksel van zien, de krijgslieden waren ooggetuigen van Zijne opstanding, en toch, in plaats van in Hem te geloven, hebben zij Hem belogen, zodat het moeilijk is de mensen tot geloof in Christus te brengen, en, door de werking van den Geest der genade, hebben zij, die niet gezien hebben, toch geloofd. Ter bemoediging van ons geloof, worden wij hier verzekerd van twee dingen: Ten eerste. Dat de Zoon allen welkom zal heten, die tot Hem komen, vers 37:"die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", Hoe welkom moest dit woord niet zijn aan onze ziel, dat ons welkom heet aan Christus! Die tot Mij komt, het staat in het enkelvoud, gunst aanduidende, niet slechts voor alle gelovigen in het algemeen, maar voor iedere particuliere ziel, die zich tot Christus wendt. De plicht, die hier geëist wordt, is een zuivere Evangelieplicht: tot Christus te komen, opdat wij door Hem tot God komen. Zijne schoonheid en Zijne liefde, deze twee aantrekkelijke hoedanigheden, moeten ons tot Hem trekken, de bewustheid van nood, en vrees, en gevaar, moeten ons tot Hem uitdrijven. Deze belofte is ene zuivere Evangeliebelofte: zal Ik geenszins uitwerpen, ou mê ekbagoo exoo. Er zijn twee ontkenningen Ik zal niet, neen, Ik zal niet.
1. Er wordt hier zeer veel gunst te kennen gegeven. Wij hebben reden te vrezen, dat Hij ons zal uitwerpen. Als wij denken aan onze nietigheid, aan onze onwaardigheid om te komen, en onze zwakheid in het komen, dan kunnen wij met recht verwachten door Hem met toornige blikken aangezien te worden, dat Hij Zijne deur voor ons zal sluiten, maar Hij voorkomt die vreze met deze verzekering, dat Hij dat niet doen zal, ons niet om onze geringheid zal versmaden, ons niet zal verstoten of verwerpen, hoewel wij zondig zijn. Komen arme leerlingen tot Hem om onderwezen te worden? Hoewel zij stompzinnig en traag van begrip zijn, zal Hij hen toch niet uitwerpen. Komen arme kranken tot Hem om genezen te worden, arme cliënten om raad van Hem te ontvangen? Hoewel hun toestand, of hunne zaak, slecht staat, en hoewel zij met ledige handen komen, zal Hij hen toch geenszins uitwerpen. Maar,
2. Er ligt nog meer gunst in opgesloten dan uitgedrukt is, als er gezegd wordt, dat Hij hen geenszins zal uitwerpen, dan betekent dit, dat Hij hen zal ontvangen en onthalen, hun alles zal geven waarvoor zij tot Hem komen. Gelijk Hij hen bij hun eerste komen niet zal afwijzen, zo zal Hij hen daarna wegens geen misnoegen uitwerpen. Zijne "genadegiften en roeping zijn onberouwelijk". Ten tweede. Dat de Vader ter bestemder tijd allen, die Hem gegeven waren, tot Hem zal brengen. In de verbondshandelingen tussen den Vader en den Zoon, welke betrekking hebben op des mensen verlossing, heeft de Zoon de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en zaliging op Zich genomen van allen, die tot Hem komen, en zo heeft de Vader, de Bron en Oorsprong van bestaan, van leven en genade op Zich genomen, om allen, die Hij Hem gegeven heeft, tot Hem te brengen. In de eerste plaats nu, verzekert Hij ons, dat dit geschieden zal: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, vers 37. Christus had geklaagd, vers 36, over hen, die, schoon zij Hem gezien hadden, toch niet in Hem wilden geloven, en dan voegt Hij er dit bij,
A. Ter hunner overtuiging, duidelijk te kennen gevende, dat, zo zij volharden in hun niet komen tot Hem, en niet geloven in Hem dit een stellig teken zal wezen, dat zij niet behoorden tot de uitverkiezing der genade, want hoe kunnen wij denken, dat God ons aan Christus heeft gegeven, indien wij ons zelven aan de wereld geven en aan het vlees? 2 Petrus 1:10.
B. Tot Zijne eigene vertroosting en bemoediging. "Israël zal zich niet verzamelen laten, nochtans zal Ik verheerlijkt worden." De verkiezing is geschied en is blijvend, hoewel zeer velen verblind en verhard worden, Romeinen 11:7. Hoewel Hij velen Zijner schepselen verliest, verliest Hij toch niemand van hen, die Hem toevertrouwd werden. Al wat de Vader Hem gegeven heeft, zal tot Hem komen. Hier hebben wij:
a. De verkiezing beschreven. Al wat Mij de Vader geeft, pan ho didoosi -alles wat de Vader Mij geeft, de personen der uitverkorenen en alles wat hun behoort, al hun diensten, al hun belangen. Gelijk alles wat Hij heeft het hun is, zo is alles wat zij hebben het Zijne, en Hij spreekt van hen als van Zijn alles, zij zijn Hem in vollen loon gegeven voor Zijne onderneming. Niet slechts alle personen, maar alle dingen zijn vergaderd in Christus, Efeze 1:10, en verzoend, Colossenzen 1:20. Van het geven van het verkoren overblijfsel aan Christus wordt gesproken, vers 39, als van iets dat gedaan is, Hij heeft ze gegeven, omdat, toen de Eengeborene in de wereld gebracht werd, de schenking, als het ware, vernieuwd werd, Hebreeën 10:5, en verder. Thans zal God Hem de Heidenen geven tot Zijn erfdeel Psalm 2:8, ten einde Hem in het bezit te stellen van "de verwoeste erfenissen", Jesaja 49:8, en Hem "een deel te geven van velen", Jesaja 53:12. En hoewel de Joden, die Hem zagen, niet in Hem geloofden, zullen dezen toch (zegt Hij) tot Mij komen, de andere schapen, die niet van dezen stal zijn, zullen toegebracht worden, Hoofdstuk 10:15, 16, zie ook Handelingen 13:45-48.
b. De uitwerking er van verzekerd. Zij zullen tot Mij komen. Dit is geen belofte maar een voorzegging: zo velen als er in den raad Gods ten leven verordineerd waren, zullen tot het leven gebracht worden door tot Christus gebracht te worden. Zij zijn verstrooid, vermengd onder de volken, toch zal niemand hunner worden vergeten, geen korrel van Gods koren zal teloor gaan, gelijk beloofd is in Amos 9:9. Van nature zijn zij vervreemd van Christus, en hebben zij een afkeer van Hem, en toch zullen zij komen. Gelijk Gods alwetendheid verbonden is om ze allen te ontdekken, zo is Zijne almacht verbonden om ze allen in te brengen. Niet: zij zullen tot Mij gedreven worden, maar, zij zullen vrijwillig komen, zij zullen gewillig gemaakt worden.
Ten tweede. Hij maakt ons hier bekend met de wijze waarop het gedaan zal worden. Hoe zullen zij, die aan Christus gegeven zijn, tot Hem gebracht worden?
A. Hun verstand zal verlicht worden, dit is beloofd in vers 45, 46. Er is geschreven in de profeten, die van deze dingen tevoren hebben gesproken: Zij zullen allen van Godgeleerd zijn, dit vinden wij in Jesaja 54:14, en Jeremia 31:34.
Zij zullen Mij allen kennen. Om in Jezus Christus te geloven is het nodig, dat wij van God geleerd zijn, dat is:
a. Dat ons een Goddelijke openbaring gedaan is, dat ons ontdekt is wat wij aangaande Christus hebben te geloven, en waarom wij het moeten geloven. Er zijn dingen, die zelfs de natuur ons leert, maar om ons tot Christus te brengen, daarvoor is een hoger licht nodig. b. Dat er een werk Gods in ons gewrocht wordt, waardoor wij instaat gesteld worden om die geopenbaarde waarheden te verstaan en aan te nemen. Door ons verstand te geven, maakt God ons geleerder dan de dieren der aarde, maar door ons geloof te geven leert Hij ons meer dan aan den natuurlijken mens. Aldus zijn al de kinderen der kerk, allen, die oprecht zijn, van God geleerd, Hij heeft hun opvoeding op zich genomen. Hieruit kan dus de gevolgtrekking worden afgeleid, dat een iegelijk, die van den Vader gehoord en geleerd heeft, tot Christus komt, vers 45. Hierin ligt opgesloten, dat niemand tot Christus zal komen dan zij, die van den Vader gehoord en geleerd hebben. Nooit zullen wij tot Christus gebracht worden dan onder Goddelijk geleide. Tenzij God door Zijne genade ons verstand verlicht, ons oordeel onderricht, onze dwalingen herstelt, en ons de waarheid, gelijk zij is in Jezus, niet slechts zegt, opdat wij horen, maar ons onderwijst, opdat wij leren, zullen wij er nooit toe gebracht worden om in Christus te geloven. Dat dit Goddelijk onderwijs zo noodwendig het geloof van Gods uitverkorenen teweegbrengt, dat wij tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat zij, die niet tot Christus komen, den Vader nooit gehoord, noch van Hem geleerd hebben, want, hadden zij dit wèl. dan zouden zij ongetwijfeld tot Christus zijn gekomen. Te vergeefs zeggen de mensen. dat zij van God geleerd zijn, indien zij niet in Christus geloven, want Hij onderwijst niets anders, Galaten 1:8, 9. Zie, hoe God met de mensen handelt als met redelijke wezens, hen trekt met mensenzelen, eerst hun verstand opent, en dan daar door, op regelmachtige wijze, invloed uitoefent op de mindere vermogens, aldus in komt door de deur, terwijl Satan, als een dief, van elders inklimt. Opdat nu niemand zou dromen van ene zichtbare verschijning van God, den Vader, voegt Hij er bij, vers 46. Niet dat iemand den Vader gezien heeft, of-gelijk hier tevens in ligt opgesloten-dat iemand Hem zien kan met lichamelijke ogen, of verwachten kan van Hem te leren zoals Mozes van Hem geleerd heeft, met wie Hij van aangezicht tot aangezicht heeft gesproken, maar door der mensen ogen te verlichten en hen te onderwijzen werkt God op geestelijke wijze. De Vader der geesten heeft toegang tot, en invloed op, den geest der mensen, zonder dat zij het bemerken. Zij, die Zijn aangezicht niet hebben gezien, hebben Zijne macht gevoeld. En toch is er Een. die gemeenzaam bekend is met den Vader, Hij, die van God is, Christus zelf, heeft den Vader gezien, Hoofdstuk 1:18. Jezus Christus is van God op bijzondere wijze, Hij is God uit God, Licht uit Licht, niet slechts van God gezonden, maar uit God geboren voor dat de werelden geschapen waren. Het is het voorrecht van Christus om den Vader gezien te hebben, Hem en Zijne raadsbesluiten volkomen te kennen. Zelfs die verlichting, welke de toebereiding is tot geloof. komt tot ons door Christus. Zij, die van den Vader leren, moeten, daar zij zelven Hem niet kunnen zien, van Christus leren, die alleen Hem gezien heeft. Gelijk alle Goddelijke ontdekkingen door Christus gedaan worden, zo wordt door Hem alle Goddelijke macht uitgeoefend.
B. Hun wil zal geneigd worden. Indien de ziel des mensen thans hare oorspronkelijke rechtheid bezat, dan zou er om invloed te oefenen op den wil niets meer nodig zijn dan de verlichting van het verstand. maar in de verdorvene ziel des mensen is de wil in opstand tegen de rechte voorschriften van het verstand, een bedenken des vlezes, dat vijandschap is tegen God, en vijandschap is tegen het Goddelijk licht en de Goddelijke wet. Daarom wordt een werk der genade vereist, dat werkt op den wil en dat hier trekken wordt genoemd, vers 44. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. De Joden murmureerden tegen de leer van Christus, niet alleen wilden zij zelven haar niet aannemen, maar het vertoornde hen, dat anderen haar aannamen. Christus hoorde hun verborgen fluisteren, en zei, vers 43, Murmureert niet onder elkaar. "Geeft elkaar niet de schuld, dat gij een af keer hebt van Mijne leer, alsof die afkeer algemeen was, neen, het is uwe schuld, de schuld van uwe verdorvene gezindheid, die zo groot is, dat zij met zedelijke onmacht gelijk staat, en de schuld van uwe antipathie tegen de waarheden Gods, en uwe vooroordelen er tegen, die zo sterk zijn, dat niets anders dan de kracht Gods ze kan overwinnen". En zo staat het met het gehele mensdom. Niemand kan tot Mij komen, kan er zich toe brengen om de Evangelie voorwaarden aan te nemen, tenzij, de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, vers 44. Merk op:
a. Den aard van het werk, het is trekken, hetgeen niet ene kracht aanduidt, die op den wil wordt geoefend, maar ene verandering, die in den wil wordt teweeggebracht, waardoor wij van onwillig gewillig worden gemaakt en aan de ziel ene nieuwe neiging wordt gegeven, waardoor zij zich naar God buigt. Dit schijnt meer dan ene zedelijke overreding, want door deze is het in de macht des mensen om te trekken, en het moet toch gene fysieke aandrift genoemd worden, want het ligt buiten den weg der natuur, maar Hij, die door Zijne scheppende macht den geest des mensen in zijn binnenste heeft geformeerd, en het hart des mensen formeert door den invloed Zijner voorzienigheid, weet aan de ziel ene nieuwe neiging of gezindheid te geven, haar in overeenstemming te brengen met Zijn wil, zonder evenwel aan hare natuurlijke vrijheid geweld te doen. Het is een trekken, dat niet slechts onderwerping, maar ene blijmoedige instemming teweegbrengt, een welgevallen er in: Trek ons, en wij zullen u nalopen.
b. De noodzakelijkheid er van.
Niemand, die zich in zulk een zwakken, hulpelozen staat bevindt, kan, zonder dat trekken, tot Christus komen. Gelijk wij gene natuurlijke werking kunnen verrichten zonder de medewerking der gewone voorzienigheid, zo kunnen wij gene daad doen, die zedelijk goed is, zonder den invloed van bijzondere genade, waarin de nieuwe mens leeft, zich beweegt, en is, evenzeer als de bloot natuurlijke mens in de Goddelijke voorzienigheid.
c. De Werker er van: De Vader, die Mij gezonden heeft. De Vader, Christus gezonden hebbende, zal Hem doen welslagen, want Hij zou Hem op gene vruchteloze boodschap hebben uitgezonden. Christus, ondernomen hebbende om zielen tot de heerlijkheid te brengen, heeft God Hem daarvoor beloofd, ze tot Hem te brengen, en Hem aldus bezit te geven van hen, op wie Hij Hem recht gegeven heeft. Daar God het rijk van Israël door ene belofte aan David gegeven heeft, heeft Hij ten laatste het hart des volks tot hem geneigd, en evenzo, Christus gezonden hebbende om zielen te behouden, zendt Hij de zielen tot Hem om door Hem behouden te worden.
d. De kroon en volmaking van dat werk: En Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Dit wordt vier maal gezegd in deze rede, en ongetwijfeld zijn er al de tussenliggende en voorbereidende werkingen der Goddelijke genade in begrepen. Als Hij hen opwekt ten uiterste dage, dan zal Hij de laatste hand leggen aan Zijne onderneming, dan zal Hij den hoofdsteen voortbrengen. Indien Hij dit op zich neemt, dan voorzeker, kan Hij alles, en dan zal Hij alles doen wat er voor nodig is. Laten onze verwachtingen dan gericht zijn op die zaligheid, welke bewaard wordt voor den uitersten dag, wanneer al de jaren van den tijd ten volle voleindigd zullen zijn. 4. Christus, van zich zelven gesproken hebbende als van het brood des levens, en van het geloof, als van het werk van God, gaat er nu toe over om meer bijzonder te tonen wat van Hem dit brood is, namelijk, Zijn vlees, en dat het geloven is daarvan te eten, vers 51-58, waar Hij nog steeds bij het beeld blijft van spijze. Merk hier op de toebereiding van die spijze: Het brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, vers 51, het vlees des Zoons des mensen, en Zijn bloed, vers 53, Zijn vlees is waarlijk spijs, en Zijn bloed is waarlijk drank, vers 55. Let ook op het delen in die spijze. Wij moeten het vlees des Zoons des mensen eten, en Zijn bloed drinken, vers 53, en wederom, vers 54, die Mijn vlees eten Mijn bloed drinkt, en dezelfde woorden, vers 56, 57, die Mij eet. Dit is ongetwijfeld een gelijkenis, of overdrachtelijke zegswijze, waarin de werkingen der ziel op geestelijke en Goddelijke dingen voorgesteld worden door lichamelijke dingen omtrent waarneembare dingen, waardoor de waarheden van Christus voor sommigen meer, en voor anderen minder verstaanbaar werden, Markus 4:11-12.
a. Laat ons nu zien, hoe deze rede van Christus vatbaar was om misverstaan en verkeerd uitgelegd te worden, opdat zij ziende zien, en niet bemerken. Zij werd verkeerd uitgelegd door de vleselijk gezinde Joden, voor wie zij het eerst was uitgesproken, vers 52. Zij streden onder elkaar, zij fluisterden elkaar hun misnoegen toe: Hoe kan ons deze zijn vlees te eten geven? Christus sprak, vers 51, van het geven van Zijn vlees voor ons, van Zijn lijden en sterven, maar zonder er behoorlijk over na te denken, verstonden zij het als een geven aan ons, om te eten, hetgeen aanleiding gaf aan Christus om hun te zeggen, dat, hoewel hetgeen Hij gezegd had anders bedoeld was, ook dit eten van Zijn vlees, als het slechts goed begrepen werd, niet zo ongerijmd was, als het hun op den eersten aanblik wel toescheen. Het is uiterst verkeerd uitgelegd door de kerk van Rome ter ondersteuning van hare gedrochtelijke leer der transsubstantiatie, die onze zintuigen logenstraft, den aard van het sacrament tegenspreekt, en elk overtuigend bewijs omverwerpt. Evenals deze Joden hier verstaan zij het van een lichamelijk en vleselijk eten van Christus' lichaam, zoals Nicodemus, Hoofdstuk 3:3, 4. Des Heeren Avondmaal was nog niet ingesteld, en dus kon het daarop geen betrekking hebben, het is een geestelijk eten en drinken, waarvan hier gesproken wordt, geen sacramenteel eten en drinken. Het wordt verkeerd begrepen door vele onwetende, vleselijk gezinde mensen, die daaruit afleiden, dat, zo zij op het ogenblik van sterven slechts het sacrament gebruiken, zij stellig naar den hemel zullen gaan, hetgeen velen, die zwak zijn, zonder grond of reden ongerust maakt, als zij er van verstoken zijn, en aan anderen, die slecht en goddeloos zijn, een even ongegronde gerustheid geeft, als zij er wèl gebruik van kunnen maken. Daarom:
b. Laat ons zien, hoe deze rede van Christus verstaan moet worden. Wat. wordt bedoeld met het vlees en bloed van Christus? Het wordt genoemd, vers 53, het vlees des Zoons des mensen, en Zijn bloed, het Zijne, als Messias en Middelaar: het vlees en bloed, dat Hij heeft aangenomen bij Zijne Menswording, dat Hij deelachtig is geworden, Hebreeën 2:14, en dat Hij in Zijn lijden en dood heeft overgegeven, Mijn vlees, hetwelk Ik overgeven zal om gekruisigd en gedood te worden. Het wordt gezegd gegeven te zijn voor het leven der wereld, dat is: Ten eerste, in plaats van het leven der wereld, dat verbeurd was door de zonde. Christus geeft Zijn eigen vlees als losprijs. Christus was onze Borg, Hij heeft voor ons ingestaan, en daarom moet Hij Zijn leven geven voor het onze. Hier ben Ik, laat dezen heengaan. Ten tweede. Opdat de wereld zou leven, om ene algemene aanbieding van eeuwig leven te verkrijgen voor de wereld en de bijzondere verzekering er van voor alle gelovigen. Zodat door het vlees en bloed des Zoons des mensen de Mens geworden en stervende Verlosser wordt aangeduid, Christus en dien gekruisigd, en de verlossing door Hem teweeggebracht met al de kostelijke weldaden der verlossing: vergeving van zonde, welbehaaglijk zijn voor God, de aanneming tot kinderen, toegang tot den troon der genade, de beloften des verbonds, en het eeuwige leven, dezen worden genoemd het vlees en bloed van Christus.
1. Omdat zij door Zijn vlees en bloed zijn verkregen, door het verbreken Zijns lichaams en het vergieten van Zijn bloed. Wèl mogen de verkregene voorrechten genoemd worden naar den prijs, die er voor betaald werd, want hij duidt er de waardij van aan, geeft er dit opschrift aan: pretium sanguinis -de prijs des bloeds.
2. Omdat zij spijs en drank zijn voor onze ziel. Vlees met het bloed was verboden, Genesis 9:4, maar de voorrechten des Evangelies zijn als vlees en bloed voor ons, bereid tot spijziging onzer ziel. Te voren had Hij zich vergeleken bij brood, dat noodzakelijk voedsel is, hier bij vlees, dat ene aangename spijze is. Het is een maaltijd vol vet en mergs, Jesaja 25:6. De ziel is verzadigd met Christus als met smeer en vettigheid, Psalm 63:5. Het is waarlijk spijs en waarlijk drank, het is dit in waarheid en wezenlijkheid, dat is geestelijk, zegt Dr. Whitby, gelijk Christus de ware wijnstok, of waarlijk spijze genoemd wordt, in tegenstelling met den schijn en de schaduw, waarmee de wereld hen bedriegt, die er zich mede voeden. In Christus en Zijn Evangelie is ene wezenlijke voorziening, volkomene verzadiging, dat is waarlijk spijs en waarlijk drank, Jeremia 31:25, 26. Wat bedoeld is met het eten van dat vlees en het drinken van dat bloed, hetwelk zo noodzakelijk en zo weldoend is. Het is zeker, dat het niets meer en niets minder betekent dan in Christus te geloven. Gelijk wij door eten en drinken de spijs en drank deelachtig worden, zo worden wij Christus en Zijne weldaden deelachtig door het geloof: en in Christus geloven sluit deze vier zaken in, die ook in eten en drinken begrepen zijn. Ten eerste: het duidt een hongeren aan naar Christus. Dit geestelijk eten en drinken begint met hongeren en dorsten, Mattheus 5:6, ernstige en dringende begeerten naar Christus, een met niets minder tevreden zijn dan met aan Hem deel te hebben. "Geef mij Christus, of ik sterf." Ten tweede. Onze toe-eigening van Christus. Spijze die wij slechts aanzien, zal ons niet voeden, maar spijze, die wij tot ons nemen, waar wij ons mede voeden, wordt een met ons. Wij moeten Christus zo aannemen, dat Hij de onze wordt: "Mijn Heere, en mijn God", Hoofdstuk 20:28. Ten derde. Ene verlustiging in Christus en Zijn heil. De leer van Christus gekruisigd moet ons spijs en drank zijn, die ons uiterst aangenaam en liefelijk is. Wij moeten ons voeden met de keurspijzen van het Nieuwe Testament in Zijn bloed, een even groot behagen hebben in de methode, welke de Oneindige wijsheid gevolgd heeft om ons te verlossen en zalig te maken, als wij ooit gehad hebben in de noodzakelijkste voorzieningen of in wat het liefelijkst en strelendst voor ons is in de natuur. Ten vierde. Ene ontlening van voedsel aan Hem en een afhankelijkheid van Hem voor het onderhoud en de vertroosting van ons geestelijk leven en de kracht en wasdom van den nieuwen mens. Zich met Christus te voeden, dat is alles te doen in Zijn naam, in vereniging met Hem, en door kracht ontleend aan Hem, het is op Hem te leven en te teren, zoals wij leven en teren op ons voedsel. Hoe ons lichaam gevoed wordt door ons voedsel, kunnen wij niet beschrijven of aanduiden, maar dat het gevoed wordt, weten wij en ervaren wij, en evenzo is het met het geestelijk voedsel. Onze Heiland schiep zoveel behagen in deze overdrachtelijke uitdrukking (daar zij zo vol van betekenis is) dat, toen Hij later uitwendige tekenen wilde instellen om ons deel hebben aan de weldaden van Zijn dood voor te stellen, Hij eten en drinken daartoe koos, en ze tot sacramentele handelingen maakte.
c. De algemene betekenis verklaard hebbende van dit deel van Christus' rede, kunnen de bijzonderheden er van onder twee hoofden gebracht worden: De noodzakelijkheid om ons met Christus te voeden, vers 53. Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in u zelven. Dat is: Ten eerste. Het is een stellig teken, dat gij geen geestelijk leven in u hebt, gene begeerte naar Christus, en gene verlustiging in Hem. Indien de ziel niet hongert en dorst, dan voorzeker leeft zij niet. Het is een teken dat wij dood zijn, indien wij voor zodanige spijs en drank dood zijn. Toen, naar men verhaalt, kunstbijen, die door vernuftige uitgedachte, machines heen en weer konden bewogen worden, van natuurlijke bijen onderscheiden moesten worden, heeft men honing er bij neergelegd, waar de natuurlijke bijen op afkwamen, maar die door de kunstmatige bijen niet eens opgemerkt werd, want zij hadden geen leven in zich. Ten tweede. Het is zeker, dat gij geen geestelijk leven kunt hebben, tenzij gij het door het geloof ontleent aan Christus, buiten Hem kunt gij niets doen. Geloof in Christus is de primum vivens -het eerste levende beginsel der genade, zonder geloof hebben wij de waarheid niet van geestelijk leven, noch enig recht op het eeuwige leven, ons lichaam zou evengoed kunnen leven zonder spijs, als onze ziel zonder Christus. Het voordeel daarvan in tweeërlei opzicht: Ten eerste. Wij zullen een zijn met Christus, zoals ons lichaam met het voedsel, als het verteerd is, vers 56:Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die leeft door geloof in Christus gekruisigd (er wordt van gesproken als van ene voortdurende handeling) die blijft in Mij, en Ik in hem. Door het geloof zijn wij innig en nauw met Christus verenigd, Hij is in ons, en wij zijn in Hem, Hoofdstuk 17:21-23, 1 Johannes 3:24, Gelovigen zijn in Christus' als in hun burcht, hun schuilplaats, Christus woont in hen als de Heer des huizes, om het te besturen en van het nodige te voorzien. Zodanig is de eenheid tussen Christus en de gelovigen, dat Hij deelt in hun smart, hun verdrietelijkheden, en zij delen in Zijne genade en Zijne genietingen, Hij houdt avondmaal met hen op hun bittere kruiden, en zij met Hem op Zijne keurprijzen. Het is ene onafscheidelijke eenheid, zoals van het lichaam en het verteerde voedsel, Romeinen 8:35, 1 Johannes 4:13.
Ten tweede. Wij zullen leven, eeuwig leven door Hem, zoals ons lichaam leeft door ons voedsel.
A. Wij zullen leven door Hem, vers 57:"Gelijkerwijs Mij de levende vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader, alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij". Wij hebben hier de volgorde van het Goddelijke leven.
a. God is de levende Vader, Hij heeft leven in en door zich zelven. Ik ben, die Ik ben is Zijn naam tot in eeuwigheid.
b. Jezus Christus als Middelaar, leeft door den Vader, Hij heeft leven in zich zelven, Hoofdstuk 5:26, maar Hij heeft het van den Vader. Hij, die Hem gezonden heeft, heeft Hem niet slechts met dat leven bekwaam gemaakt voor zo groot ene onderneming, maar Hem ook voor ons ten schatkamer gesteld van het Goddelijk leven, Hij heeft den tweeden Adam den adem des geestelijken levens ingeblazen, zoals aan den eersten Adam den adem des natuurlijken levens.
c. Ware gelovigen ontvangen dit Goddelijk leven uit kracht van hun eenheid met Christus, afgeleid uit de eenheid tussen den Vader en den Zoon, gelijk het er ook bij vergeleken wordt, Hoofdstuk 17:21. Want daarom zal hij, die Mij eet, of zich met Mij voedt, door Mij leven, zij, die van Christus leven, zullen door Christus leven. Het leven der gelovigen hebben zij van Christus, Hoofdstuk 1:16, het is met Christus verborgen, Colossenzen 3:3, wij leven door Hem, zoals de leden door het hoofd, de takken door den wortel, omdat Hij leeft, zullen ook wij leven.
B. Wij zullen eeuwig door Hem leven, vers 54.
Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, als toebereid in het Evangelie om het voedsel der ziele te zijn, heeft het eeuwige leven, hij heeft het thans, zoals vers 40. Hij heeft datgene in zich wat is: het eeuwige leven begonnen, hij heeft er den voorsmaak, het onderpand van, hij zal eeuwig leven, Zijne zaligheid zal evenwijdig lopen met de langste lijn der eeuwigheid zelf. Eindelijk. De geschiedschrijver besluit met een bericht, hetwelk vermeldt waar Christus deze rede voor de Joden heeft gehouden, vers 59, in de synagoge, lerende te Kapernaum, te kennen gevende, dat Hij hun, behalve dezen, nog vele andere dingen leerde, maar dit was hetgeen in Zijne rede nieuw was. Hij voegt er dit bij, dat Hij deze dingen zei in de synagoge om aan te tonen:
1. Het aanzien, waartoe Christus' leer was gekomen. Zijne waarheden zochten naar gene hoeken, maar werden openlijk gepredikt voor een gemengd gehoor, daar zij het nauwkeurigst onderzoek konden doorstaan. Christus heeft hierop gewezen bij Zijn verhoor, Hoofdstuk 18:20.
Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge.
2. Het geloofwaardige van dit verhaal er van. Om u er van te verzekeren dat die rede zuiver meegedeeld is, beroept hij zich op de synagoge te Kapernaum, waar een onderzoek er naar kan ingesteld worden.