1 Johannes 4:7-13
Gelijk de Geest der waarheid gekend wordt aan Zijne leer, (en daaraan moeten de geesten beproefd worden) zo is Hij ook te kennen aan de liefde. En daarom volgt hier een sterke en vurige aanmaning tot Christelijke liefde. Geliefden, laat ons elkaar liefhebben, vers 7. De apostel wilde hen in zijne liefde verenigen, opdat hij hen met elkaar een kon doen worden door de liefde. Geliefden, ik smeek u door de liefde, welke ik u toedraag, dat gij voor elkaar ongeveinsde wederkerige liefde hebt. Deze vermaning wordt aangedrongen met een verscheidenheid van bewijsgronden.
I. De hoge en heerlijke oorsprong van de liefde. De liefde is uit God. Hij is de fontein, bewerker, vader en gebieder van de liefde, zij is de hoofdsom van Zijne wet en Zijn Evangelie.
En een iegelijk, die liefheeft, (wiens geest geneigd is tot oordeelkundige, heilige liefde) die is uit God geboren, vers 7. De Geest van God is de Geest der liefde. De nieuwe natuur in Gods kinderen is de afstammelinge van Zijne liefde, en haar gesteldheid is liefde. De vrucht des Geestes is de liefde, Galaten 5:22. De liefde daalt uit den hemel.
II. De liefde geeft de ware en juiste waardering van de goddelijke natuur. Die liefheeft, kent God, vers 7. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, vers 8. Geen eigenschap van de goddelijke Majesteit schijnt zo duidelijk door de gehele wereld, als Zijn mededelende liefde, Zijne goedheid die liefde is. De wijsheid, de grootheid, de harmonie, het nut van de gehele schepping, die zo heerlijk Zijn wezen openbaren, vertonen en bewijzen terzelfder tijd Zijne liefde, en de natuurlijke rede, nagaande de natuur en de uitnemendheid van den volmaakte, moet tot de erkentenis komen dat Hij het hoogste goed is, en dat hij, die niet liefheeft, God niet kent. Hij wordt niet levend gemaakt door de kennis, die hij van God heeft, om Hem lief te hebben en dat door daden te tonen. Het is een overtuigend bewijs dat de gezonde en betamelijke kennis Gods in zulk een ziel niet woont, want die liefde behoort onder de eerste en noodzakelijkste deugden. Want God is liefde, vers 8, Zijn natuur en Zijn bestaan zijn liefde, Zijn wil en Zijn werken zijn oorspronkelijke liefde. Dat is trouwens niet de enige voorstelling, welke wij van Hem hebben, wij hebben gezien dat Hij een licht is zowel als liefde, Hoofdstuk 1:5. Boven alles is God liefde in zich zelven, en Hij heeft zulke volkomenheden als ontspringen uit de noodzakelijke liefde, die Hij Zijn bestaan, voortreffelijkheid en heerlijkheid moet toedragen, maar de liefde is ook natuurlijk en onafscheidelijk van de goddelijke Majesteit. God is liefde. Dit wordt ontleend aan de tentoonspreiding en openbaring, die Hij er van heeft gegeven, en wel:
1. Dat Hij zulke als wij zijn heeft liefgehad: Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, vers 9, jegens ons, stervelingen, ondankbare opstandelingen. God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren, Romeinen 5:8. Hoe wonderlijk dat God ons liefgehad heeft, onrein, ijdel, slecht, stof en as als wij zijn.
2. Dat Hij ons heeft liefgehad in die mate, en zulk een onvergelijkelijk hogen prijs voor ons gegeven heeft, Hij heeft Zijn eigen, eniggeliefden, gezegenden Zoon voor ons gegeven: Dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem, vers 9. Hij is op bijzondere, onderscheidende wijze de Zoon van God, Hij is de eniggeborene. Wij kunnen in Hem niet den eniggeborene zien, wanneer wij Hem beschouwen als een schepsel. Maar is Hij de natuurlijke noodzakelijke uitstraling van des Vaders heerlijkheid, van diens heerlijke wezen of zelfstandigheid, dan moet Hij de eniggeborene zijn, en dan is het een geheim en een wonder van goddelijke liefde, dat zulk een Zoon voor ons in de wereld gezonden werd. Wel mag gezegd worden: Alzo (zo wonderbaar, zo verbijsterend, zo ongelooflijk) heeft God de wereld liefgehad.
3. Dat God eerst, en onder zulke omstandigheden, heeft liefgehad. Hierin is de liefde (de ongewone liefde zonder voorbeeld), niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad, vers 10. Hij heeft ons liefgehad, toen wij nog geen liefde hadden voor Hem, toen wij lagen in onze schuld, in onze ellende, in ons bloed, toen wij onverdienstelijk, besmet en onrein waren, en nodig hadden van onze zonden gewassen te worden in Zijn heilig bloed.
4. Dat God Zijn Zoon overgaf tot zulk een dienst en zulk een doel.
A. Tot zulk een dienst, tot ene verzoening voor onze zonden, bijgevolg om te sterven voor ons, te sterven onder den vloek der wet Gods, om onze zonden te dragen in Zijn eigen lichaam, om te worden gekruisigd, in de ziel gewond, in de zijde doorstoken, te sterven en begraven te worden voor ons, en:
B. Met zulk een doel, zulk een voor ons goed en gezegend doel: opdat wij zouden leven door Hem, vers 9, zouden leven voor eeuwig door Hem, zouden leven in den hemel, leven met God, en leven in eeuwige heerlijkheid en gelukzaligheid met en door Hem. o Welke liefde is hier!
III. De goddelijke liefde voor de broederen moet dus onze liefde aanvaren. Geliefden (ik smeek u bij de liefde, die ik voor u gevoel, u te herinneren) indien God ons alzo heeft liefgehad, zo zijn wij ook schuldig elkaar lief te hebben, vers 11. Dat moet een onoverwinnelijke drangreden zijn. Het voorbeeld van God moet ons aanvuren. Wij moeten Zijne navolgers zijn, als geliefde kinderen. De voorwerpen van de goddelijke liefde moeten ook de voorwerpen van onze liefde zijn. Zullen wij weigeren hen lief te hebben, die de eeuwige God liefgehad heeft? Wij behoren bewonderaars van Zijne liefde te zijn, en liefhebbers van Zijne liefde (van haar welwillendheid en overvloedigheid) en daarom ook liefhebbers van hen, die Hij liefheeft. De algemene liefde van God voor de wereld moet ons een liefde voor de gehele mensheid schenken. Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is: want Hij doet Zijne zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Mattheus 5:45. De bijzondere liefde Gods voor de gemeente en de heiligen behoort een bijzondere liefde voor hen in ons te wekken. Indien God ons zo heeft liefgehad, zijn ook wij schuldig (is het betamelijk) elkaar lief te hebben.
IV. De Christelijke liefde is een verzekering van de goddelijke inwoning: Indien wij elkaar liefhebben, zo blijft God in ons, vers 12. God woont in ons, niet door enige zichtbare tegenwoordigheid of onmiddellijke verschijning voor het oog (niemand heeft ooit God gezien) maar door Zijn Geest, vers 13. Of: niemand heeft ooit God aanschouwd, vers 12. Hij maakt zich hier niet kenbaar voor het oog of voor onze onmiddellijke waarneming en dus vraagt en bepaalt Hij onze liefde niet op die wijze, maar Hij verlangt en verwacht die op dezelfde wijze, die Hem goedgedocht heeft om haar bekend te maken, en dat is door de mededeling van de liefde en van Zijn beminnenswaardigheid tevens, in de algemene kerk, en met name in de broederen, de bijzondere leden van die kerk. In hen, en in Zijne openbaring voor en in hen, moet God geliefd worden, en daarom: indien wij elkaar liefhebben, zo blijft God in ons. De geheiligde liefhebbers van de broederen zijn de tempels van God, de heilige goddelijke Majesteit vindt in hen zijn bijzondere woonplaats.
V. Hierin bereikt de goddelijke liefde in ons haar doel en vervulling. En Zijne liefde is in ons volmaakt, vers 12. Daardoor heeft zij in ons haar volmaking bereikt. Gods liefde wordt niet in Hem, maar in en met ons volkomen gemaakt. Zijne liefde kon niet op ons zonder uitwerking en vruchteloos zijn, wanneer haar eigenaardig en vanzelf sprekend doel bereikt en bewerkt is, dan kan gezegd worden dat zij volmaakt is, zo wordt het geloof volmaakt door de werken en de liefde door haar werkzaamheid. Wanneer de goddelijke liefde ons heeft veranderd naar hetzelfde beeld, tot de liefde Gods en daardoor tot de liefde voor de broederen, de kinderen Gods, om Zijnentwil, is daarin en voorzover de liefde volmaakt geworden, ofschoon deze onze liefde thans nog niet volmaakt is, en niet het laatste doel van de goddelijke liefde voor ons is. Hoe naijverig behoren wij dus te zijn naar deze Christelijke broederlijke liefde, wanneer God rekent dat Zijn eigen liefde voor ons daardoor volmaakt wordt. Na deze hoge gunst van het blijven Gods in ons, vermeld te hebben, voegt de apostel er een beschrijving van haar kenmerk bij: Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijnen Geest gegeven heeft. Zeker: dit wederkerig bij elkaar blijven is groter en edeler dan wij ons wel kunnen voorstellen. Men zou denken dat het blijven van God bij ons en van ons bij Hem iets was, te groot en te hoog om door stervelingen zelfs besproken te worden, indien God ons daarin niet was voorgegaan. Wat deze inwoning eigenlijk betekent is in den brede besproken in Hoofdstuk 3:24. Wat zij volkomen is, blijft over om geopenbaard te worden hiernamaals. Maar wij weten dat zij bestaat, wij kennen haar, zegt de apostel, omdat Hij ons van Zijnen Geest gegeven heeft. Hij gaf het beeld en de vrucht van Zijnen Geest in onze harten, vers 13. En de Geest, dien Hij gegeven heeft, bewijst zich Zijn Geest te zijn, omdat Hij is de Geest der sterkte, van ijver en verheerlijking voor God, van liefde tot God en de mensen, en van een verstand, dat wèl onderwezen is in de zaken van God en godsdienst en van Zijn koninkrijk onder de mensen, 2 Timotheus 1:7.