24. En die nu, naardien hij in Jezus Christus gelooft en volgens diens voorbeeld de broeders liefheeft, Zijn geboden, die van de Vader en van Christus (
Vers 23) bewaart, blijft in Hem, zowel in God als ook in Christus en hij God de Vader, in de gemeenschap met Christus in deze
Hoofdstuk 1:3,
6;
2:24;
4:12 v, 16). En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest, die Hij, de Vader, met de Zoon ons gegeven heeft (
Hoofdstuk 4:13 Johannes 14:16 v. ; 15:26
Geheel zoals het eerste deel (Hoofdstuk 2:7), sluit ook dit met een bijzonder op de voorgrond plaatsen van de broederlijke liefde uit de hele omvang van goddelijke geboden, waarvan het houden de voorwaarde is van onze voortdurende levensgemeenschap met God. Is nu de eis, dat er zo'n broederliefde is, dat deze gelijk is aan de liefde, waarmee Christus ons heeft liefgehad, dan veronderstelt dit bepaald het geloof in Christus als de Zoon van God; alleen zo kunnen wij Zijn liefde bepaald afmeten en Zijn eis in Johannes 13:34 v. verstaan. En zo gaat de apostel hier iets verder terug dan vroeger en laat aan het gebod, dat wij van Christus hebben ontvangen, om elkaar lief te hebben, zoals Hij ons heeft liefgehad, het gebod van God voorafgegaan, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus. Deze geboden zijn echter voor hem geen twee geboden, maar naar het wezen van de zaak slechts één. Tot dat een leidt hij dan de veelheid van Gods geboden terug, waarvan hij te voren gesproken heeft en baant hij zich zo tevens de weg, om in het volgende derde hoofddeel nader te handelen over de tegenstelling van de dwaalleraar, tegen het hoofdgebod van God in het Nieuwe Testament. Omdat God Zijn eengeboren Zoon heeft gegeven, opdat wij in het geloof in Hem zouden leven, zo merkt hier Besser op, zo is het Oud-Testamentische gebod: "u zult liefhebben de Heere uw God van heler harte" verhoogd tot de Nieuw-Testamentische boodschap: "laat ons Hem liefhebben, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. " En met het tweede gebod, dat aan het eerste gelijk is: "en uw naaste als u zelf", komt de belijdenis overeen: "wij hebben de broeders lief. " Intussen verheft zich nu de vraag: Hoe kan Johannes dit, dat wij geloven in de naam van de Zoon van God, Jezus Christus, een gebod noemen? Is zo'n geloof niet integendeel een zaak van vrije overtuiging? Het staat toch niet in de macht van de mensen, het hangt volstrekt niet alleen van een besluit van de wil af, of iemand gelooft of niet. Dan kan, zo zou men kunnen denken, God het geloof ook niet gebieden, dat het aanwezig is en kan degene niet straffen, die het zover niet kan brengen, omdat juist tegengestelde overtuigingen, zoals hij beweert, zich met alle macht aan hem opdringen. Op die vraag geeft Neander met het oog op Christus' woord tot de Joden in Johannes 6:26, ongeveer het volgende antwoord: God zou zo'n gebod niet stellen, als niet Hij, op wie dat geloof zich moet richten, in Zijn openbaring en in Zijn leven Zich had geopenbaard als iemand, die echt aan de behoefte van alle waarheidlievende, heilbegerige zielen voldoet en alles geeft wat de natuur van de mensen zelf, zo die niet tot het onnatuurlijke gekomen is, verlangt. Zo is Gods gebod, dat geloof in de naam van God eist, geen willekeurige eis, maar als uitwendig gebod vertoont zich hier alleen datgene, wat door de waarheid zelf, door de goddelijke feiten in de geschiedenis en haar overeenstemmen met de aanleg en de wetten van de menselijke natuur, voor de behoeften, die in deze diep zijn ingeplant, verlangd wordt. En Johannes 14:4 komt de eis van het geloof in Christus voor als een eis, die Hij zelf de discipelen doet. Ook liggen in dit 14de en de volgende hoofdstukken van het Evangelie van Johannes, die de laatste reden van de Heere bevat, vele punten, waarmee het slot aan dit tweede hoofddeel van onze brief veel aanrakingspunten heeft. Daar wordt het echter meer van Christus gezegd (bijvoorbeeld Johannes 15:4 : "Blijf in Mij in Ik in u. Maar God en Christus zijn voor de apostel zo één, dat ook wij niet mogen scheiden en daarom ons op onze plaats de strijd van de uitleggers of bij het "Hij" en "Hem" aan God of aan Christus moet worden gedacht, weinig belang inboezemt. Johannes heeft daarbij niet in de gedachte God zonder Christus en ook niet Christus zonder God, maar beide onafgescheiden van elkaar (vgl. Hoofdstuk 5:20). En nu komt tot deze beiden in de slotzin ook de derde in het heilig verbond, de Geest. Dit geeft echter de toon aan tot een nieuw derde hoofddeel, terwijl vroeger ook wel reeds aan de Heilige Geest was gedacht, maar niet zozeer persoonlijk als wel zakelijk, omdat wij bij de uitdrukking "de zalving" (Hoofdstuk 2:20, 27) aan Hem werden herinnerd.
Besluit Johannes dit voorstel met de herinnering aan het gebed van het geloof en van de liefde, zoals hetzelfde door de Heere gegeven is en door Zijn gelovigen behoort betracht te worden, de verdient het onze bijzondere opmerking, dat hij niet spreekt van te geloven in de Zoon van God, maar bepaaldelijk van te geloven in de naam van Zijn Zoon. Is toch iemands naam de aanwijzing van de hele persoon, zoals hij is en bestaat, dan ligt in Jezus naam ook de algehele ontdekking van zijn bestaan als God en mens, van Zijn bestemming als Middelaar van God tot onze zaligheid, zoals God Zichzelf in al Zijn volmaaktheden en door Hem heeft geopenbaard. Dat is het, dat God wil dat wij geloven zullen; in Jezus Christus moeten wij ons heil zoeken, niet slechts in één betrekking, maar in de hele Christus en dit geloof moet in de onderlinge en aaneensluitende liefde blijkbaar zijn; dan alleen zijn wij in gemeenschap met Christus en door Hem met God, wanneer wij betonen de Heilige Geest te bezitten die een Geest van het geloof, van de liefde en van de godzaligheid is, die zich naar buiten kenbaar maakt. Alleen in deze weg zijn wij voor God welbehaaglijk en leven wij in de gemeenschap met God, zodat wij met blijdschap zeggen kunnen: de Heere is mijn deel! Zalig elk, die daarnaar staat en jaagt; zalig elk, die dit bezit zijn geluk is eeuwig zeker en zeker.
Hij, die aldus Christus volgt, woont in Hem als Zijn ark, schuilplaats en rustplaats en in de Vader door Hem. Christus woont in hem als de Heer van zijn liefde, Zijn macht uitoefenend en Zijn roem vertonend. De vereniging tussen Christus en de zielen van de gelovigen bestaat door de Geest, die Hij hun heeft gegeven. Deze kon niet op de wonderlijke gaven zien, die geen bewijs waren van de liefderijke inwoning van deze Heilige Geest, maar op de nieuw geschapen geestkracht, die heilige liefde voortbrengt en het beeld van Christus in hun zielen vernieuwt, en aldus met hun geesten getuigt, dat zij kinderen van God waren. Dan zijn een vrije behoudenis en een heilige gehoorzaamheid van de liefde onafscheidelijk verbonden; evenals de hoofdzaak van het bevel van God aan zondaars geloof in Zijn Zoon Jezus Christus is en liefde tot elkaar voor Zijn wil. Deze gehoorzaamheid, ofschoon uiterlijk onvoldoende voor onze rechtvaardiging, bewijst, dat wij in Hem wonen en Hij in ons. De Heilige Geest, die Hij ons heeft gegeven, toont dat wij kinderen van God zijn, terwijl Zijn vertroostingen voorsmaken zijn van ons eeuwig geluk.