Jesaja 54:11-17
Zeer kostbare beloften worden hier gedaan aan Gods kerk in haar lage staat, dat God niet alleen Zijn liefde voor Zijn volk zal doen voortduren onder hun droefenissen, gelijk vroeger, maar dat Hij hen zal herstellen in hun vorige voorspoed, ja, dat Hij hen tot groter voorspoed zal brengen dan ooit tevoren. In het vorige hoofdstuk hadden wij de vernedering en verhoging van Christus, hier is de vernedering en verhoging van de kerk, want wij lijden met Hem, opdat wij met Hem verheerlijkt worden.
I. De bedroevende toestand van de kerk wordt hier door de voorzienigheid Gods verminderd. Gij verdrukte, gij arme en verachte groep, gij door onweer voortgedrevene, gelijk een schip dat van de ankers geslagen en door de orkaan heen en weer geslingerd wordt, op het punt van door de golven verslonden te worden, gij in deze toestand ongetrooste, door niemand vertrooste, die geen medelijdenden vriend hebt om met u te gevoelen of u enigen moed in te spreken, Prediker 4:2, niet vertroost door enige hulp in uw beproevingen of door enig vooruitzicht op verlossing daaruit. Zo was de toestand van de Joden in Babel en later gedurende enige tijd onder Antiochus, het is dikwijls de toestand van de Christelijke kerken en van bijzondere gelovigen, van buiten aanvechting, van binnen vrees, gelijk de discipelen in de storm in verwachting van te zullen vergaan, en waar is hun geloof?
II. De heerlijke toestand van de kerk wordt hier door de belofte van God op de voorgrond geplaatst. God neemt kennis van de bedrukte, bedroevende toestand van Zijn kerk, en vertroost haar wanneer zij ontroostbaar schijnt en geen vertrooster heeft. Het volk van God moet, wanneer het bedroefd en heen en weer geslingerd wordt er aan denken dat het God deze troostwoorden tot zich hoorde spreken, dat Hij van hun zorgen en angsten kennis neemt, hoe hun beproevingen ook zijn, welke gevaren hen ook bedreigen en welke troost hun toestand ook nodig heeft. Wanneer zij zichzelf beklagen, beklaagt God hen en spreekt medelijdend met hen, O gij verdrukte, door onweer voortgedrevene, ongetrooste, want in al hun benauwdheden is Hij benauwd. Maar dit is niet alles, Hij wekt haar op om op te staan uit haar droefenis, en moedigt haar aan met de verzekering van de grote dingen, die Hij voor haar doen zal, zowel voor haar voorspoed als voor de verzekering van die voorspoed.
1. Terwijl zij nu in verachting neerligt belooft God haar hetgeen haar schoonheid en eer zijn zal, hetgeen haar aangenaam zal maken in eigen ogen en in die van anderen.
A. Hier wordt het haar beloofd door een gelijkenis, ontleend aan een stad. En deze gelijkenis is zeer gepast, want de kerk is de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, terwijl Jeruzalem nu verwoest lag, een hoop puin, zal het niet alleen herbouwd, maar verfraaid worden, schitterender dan ooit tevoorschijn komen. De stenen zullen niet alleen zeker, maar ook schoon gelegd worden, versierd met heerlijke kleuren, zij zullen glinsterende stenen zijn, 1 Kronieken 29:2. De fundamenten zullen gelegd worden of versierd met saffieren, de oostelijkste van alle edelgesteenten die hier genoemd worden, want Christus, het fundament van de kerk en de grondslagen gelegd door de apostelen en profeten zijn kostbaarder dan enig ander ding. De vensters van het huis de tempel in de stad, zullen kristallijnen zijn de poorten robijnstenen, en de gehele landpalen, dat is de muur die de stad geheel omsluit, of de marktstenen, die de grenzen aangeven zullen van aangename stenen zijn, vers 12. Nooit werd dit letterlijk vervuld, maar het duidt aan, a. Dat, nu God genadiglijk ondernomen heeft Zijn kerk te bouwen, wij mogen verwachten dat hetgeen God in haar stichten zal, zeer groot en ongewoon zijn zal.
b. Dat de heerlijkheid van de kerk van het nieuwe testament die van de Joodse kerk ver overtreffen zal, niet in uitwendige pracht en glans, maar in die gaven en genaden van de Geest welke oneindig meer waard zijn, in de wijsheid die verre boven de robijnen gaat, Spreuken 3:15, dan de kostelijke onyx en saffier, en bij welke het fijne goud van Ofir en de topaas van Morenland niet te vergelijken zijn, Job 28:16,19
c. Dat al de rijkdommen van de wereld, en al deze dingen die als het kostbaarst beschouwd worden, door alle ware levende leden van de kerk gering geacht worden, omdat zij geen waarde en heerlijkheid hebben in vergelijking met hetgeen daar ver boven verheven is. Van hetgeen de kinderen van de wereld in hun schatkameren en zeer dikwijls ook in hun harten opleggen, maken de kinderen Gods voetpaden, waarlangs zij hun weg vervolgen.
B. Hier wordt in bijzonderheden van deze dingen beloofd dat zij de schoonheid en eer van de kerk zullen zijn, dat is kennis, heiligheid en liefde, het beeld Gods waarin de mens geschapen vaas, vernieuwd en hersteld. En deze zijn de karbonkels en saffieren, de aangename en edele stenen waarmee de tempel van het Evangelie zal versierd en verrijkt worden en worden gewrocht door de kracht en de invloed van die leringen welke de apostel vergelijkt bij goud, zilver en edelgesteenten welke op het fundament gebouwd worden, Corinthiers 3:12. Dan is de kerk geheel verheerlijkt.
Ten eerste. Wanneer zij vol is van de kennis Gods en dat wordt hier beloofd in vers 13 :Al uw kinderen zullen van van de Heere geleerd zijn. De kinderen van de kerk, uit God geboren, zullen door God geleerd worden, daar Hij hen als kinderen aangenomen heeft, zal Hij voor hun opvoeding zorgdragen. In vers 1 was beloofd dat de kinderen van de kerk velen zullen zijn, maar opdat wij niet zouden denken dat zij, omdat zij zovelen zijn, gelijk in grote gezinnen wel meer het geval is, zullen verwaarloosd worden en hun onderricht niet zo zorgvuldig zal gegeven worden als met weinigen het geval kan zijn, neemt God hier het werk zelf ter hand, zij zullen allen door de Heere onderwezen worden, en wie is een leraar gelijk Hij?
a. Het is een belofte omtrent de middelen van het onderricht, en deze middelen krijgen machtiging door een goddelijke instelling, zij zullen allen van God geleerd zijn, dat is: zij zullen onderwezen worden door hen, die God daartoe aanstellen zal, en deze zullen arbeiden onder Zijn leiding en zegen. Hij zal de wijze van onderricht instellen, door Zijn woord en instellingen zal Hij veel meer licht schenken dan de kerk van het oude testament had. Er zal zorg gedragen worden voor het onderwijzen van de kinderen van de kerk, zodat de kennis zal overgeplant worden van geslacht op geslacht en dat allen er door verrijkt worden van de kleinste tot de grootste.
b. Het is een belofte van de Geest van de verlichting. Onze Zaligmaker haalt deze belofte aan met toepassing op de genade van het evangelie, en zegt dat zij haar vervulling heeft in allen, die er toe gebracht werden om in Hem te geloven, Johannes 6, 45. "Er is in de profeten geschreven: zij zullen allen van God geleerd zijn," waaruit Hij afleidt dat allen, maar alleen zij, door het geloof tot Hem komen, die het gehoord en geleerd hebben van de Vader "die geleerd zijn zoals de waarheid in Jezus is," Efeziers 4:21. Daar zal een overvloedige uitstorting van de Geest van de genade zijn om de Christenen alle dingen te onderwijzen, Johannes 14:26. Ten tweede. de kinderen van de kerk in liefde en eensgezindheid onder elkaar leven, zal de vrede van die kinderen groot zijn. Vrede kan hier genomen worden voor alle goed. Waar geen kennis van God is kan geen goed verwacht worden, maar zij die door God onderwezen zijn om Hem te kennen, zijn op de rechten weg om in beide werelden voorspoedig te zijn. "Grote vrede hebben zij, die Gods wet kennen en beminnen," Psalm 119:165. Maar dikwijls wordt met vrede bedoeld liefde en eensgezindheid, en zo kunnen wij het hier opvatten. Allen, die van God geleerd zijn, hebben geleerd "elkaar lief te hebben," 1 Thessalonicenzen 4:9, en daardoor zal de vrede onder de kinderen van de kerk bewaard blijven en voorkomen worden dat zij de rechte weg verlaten.
Ten derde. Wanneer de heiligheid regeert, dat is boven alles de schoonheid van de kerk, vers 14. Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden, de hervorming van gewoonten, het herstel van zedelijkheid, de juiste bediening van het publieke recht, de heerschappij van eerlijkheid en oprechten handel met de mensen zijn de sterkte en vastheid van elke kerk en elke staat. Het koninkrijk Gods, gesticht door het Evangelie van Jezus Christus, is niet spijs en drank, maar gerechtigheid, vrede, heiligheid en liefde.
2. Terwijl zij nu in gevaar verkeerde, beloofde God haar veiligheid en bescherming. God verzekert haar dat, ofschoon er in de dag van haar beproeving van buiten aanvechting en van binnen vrees was, zij nu voor beide veilig zijn zou.
A. Daar zal van binnen geen vrees meer zijn. Wees verre van verdrukking. Zij die u verdekt hebben zijn verwijderd, zij die u zouden willen verdekken, zullen tegengehouden worden, en daarom behoeft gij niet te vrezen, maar gij moogt op de verdrukking zien als op iets dat lang voorbij is en waarvoor nu geen gevaar meer bestaat. Gij zult verre zijn van verschrikking niet alleen van het kwade maar van vrees voor het kwade, want het zal tot u niet genaken, zelfs niet om u enige vrees aan te jagen. Zij, die ver zijn van verschrikking, zijn ver van verdrukking, want het is een van de grootste ellende voor een volk indien de scepter van de regering veranderd wordt in een stok van verdrukking omdat daar geen verdediging tegen en geen ontkomen aan is.
B. Er zal geen bestrijding van buiten zijn ofschoon daartoe pogingen aangewend zullen worden om hen te beledigen, in hun land te vallen, hun steden te belegeren, maar ze zullen alle vergeefs zijn en geen daarvan zal gelukken vers 15. Erkend wordt: zij zullen zich zeker tegen u vergaderen, dat moet gij verwachten, de verenigde machten van aarde en hel zullen hun aanvallen hernieuwen. Zolang als er een duivel in de hel regeert en een vervolger op aarde is, moet Gods volk regelmatig aanvechting verwachten, maar:
a. Het is niet uit God, Hij geeft hun geen opdracht of welslagen, zij vergaderen en gaan hand in hand, maar het is niet uit Mij. God heeft hun geen bevel gegeven zoals aan Sanherib om de buit te halen en zich tot de roof te spoeden, Jesaja 10:6. En daarom
b. Zullen hun pogingen eindigen in hun eigen ondergang. Allen die zich tegen u vergaderen, zullen om uwentwil vallen, al zijn zij nog zo talrijk en machtig, zij zullen teleurgesteld worden en om uwentwil vallen, en zij zullen vallen voor uw ogen, hetgeen de rechtvaardige straf zal zijn voor hun vijandschap: tegen u. God zal hen doen vallen terwille van de liefde, die Hij Zijn kerk toedraagt en de zorg, die Hij voor haar heeft, in antwoord op de gebeden van Zijn volk, en de vervulling van Zijn belofte. Zij zullen vallen, opdat gij moogt staande blijven, Psalm 27:2. Opdat wij nu met de grootste verzekerdheid op God zullen vertrouwen voor de veiligheid van Zijn kerk hebben wij hier:
I. De macht, die God over de vijanden van de kerk uitoefent, vers 16. De waarheid is dat zij geen macht hebben dan die hun van boven gegeven is. En Hij, die hun deze macht gaf, kan haar ook beperken of intrekken. Tot hiertoe en niet verder!
a. Zij kunnen deze voornemens niet uitvoeren zonder oorlogswapenen. De smid, die deze wapenen maakt, is een schepsel Gods, die gaf hem ook de bekwaamheid om in koper en ijzer te werken, Exodus 31:3,4, en dus ook om gereedschappen voor oorlogsdoeleinden te vervaardigen. Het is bedroevend om te denken, dat de mensen zo vindingrijk en scherpzinnig zijn om werktuigen voor verderf uit te vinden en altijd middelen en wegen op te zoeken om elkaar te vernielen, alsof de mensen niet spoedig genoeg hun natuurlijke dood stierven. De smid blaast de kolen in het vuur op, om het ijzer handelbaar te maken, het eerst te verweken opdat het zoveel harder en tot staal worde, en zo brengt hij het instrument voort om zijn vernielingswerk te volbrengen. De ijzeren eeuw is de eeuw van oorlog. Maar God heeft de smid geschapen en kan hem derhalve de handen binden, zodat het voornemen van de vijand mislukt, gelijk zo menigmaal geschied is, door gebrek aan wapenen en schietvoorraad. Of met de smid, die de wapenen vervaardigt, wordt hier misschien de krijgsraad bedoeld, die de plannen ontwerpt, de kolen van ontevredenheid aanblaast, ook deze kan niet meer doen, dan God hem toelaat.
b. Die plannen zijn bovendien niet uitvoerbaar zonder mensen, er zijn soldaten voor nodigt. Welnu, God heeft de verderver geschapen om te vernielen. Krijgslieden verheffen zich op dappere daden en grootse titels, zelfs de gewone soldaten houden zich voor iets bijzonders, maar God roept de verderver om te vernielen, want vernielen en verwoesten is hun werkt Zij denken dat hun eigen vindingrijkheid, moeite en ondervinding hen tot krijgslieden maakt, maar het is God, die hen schiep en hun de kracht en de moed voor die gevaarlijke bezigheid gaf, en daarom kan Hij niet alleen hen aan banden leggen, maar gebruikt hen tot zijn eigen doeleinden.
II. De belofte van God ten aanzien van de veiligheid van de kerk wordt plechtig gegeven, als de erve van de knechten des Heeren, vers 17, zodat zij zich daarop verlaten en er op vertrouwen kunnen. God zal hen beschermen tegen hun vijanden, zowel in de oorlog als in de staatkunde.
1. Tegen hun vijanden te velde, die menen hen door kracht en geweld, met de scherpte van het zwaard te overwinnen. Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal Ziet gelukken, al is het ook nog zo kunstig gemaakt door de smid, die de kolen in het vuur aanblaast, vers 16, en al wordt het nog zo goed gehanteerd door de verderven. Het zal blijken niet sterk genoeg te zijn om het volk van God enig kwaad te doen, het zal zijn doel missen, het zal uit de hand vallen, en wellicht zich keren tegen hem die het gebruikt. Dat is het geluk van de kerk dat geen wapen dat tegen haar bereid wordt lang voorspoedig zijn zal. Tenslotte zal de dwaasheid van haar tegenstanders blijken voor allen, want zij bereiden slechts werktuigen om zichzelf te vernielen.
2. Tegen haar staatkundige tegenstanders, die beproeven haar tenonder te krijgen onder de schijn van recht en gerechtigheid. Indien de oorlogswapenen niet voorspoedig zijn, zullen hun tongen in het gericht tegen haar opslaan. Beide staan in dienst van de poorten van de hel die trachten de kerk te overweldigen. Zij hebben zowel hun gerechtshoven als hun magazijnen van krijgswapenen. De tongen, die in het gericht tegen de kerk opstaan, zijn die, welke trachten heerschappij over haar te verkrijgen alsof Gods kinderen hun wettige gevangenen waren en die dus voorwenden dat zij het recht hebben om hun gewetens te dwingen. Of het zijn tongen die trachten haar in ongerustheid te brengen, door haar vals te beschuldigen en door allerlei lasteringen in verdenking te brengen bij het volk en bij de regering. Dit deden de vijanden en Joden om hen bij de koningen van Perzië in ongenade te doen vallen. Ezra 4:12, Esth. 3:8 Maar al deze dreigende, beledigende tongen zult gij verdoemen, gij zult iets hebben te antwoorden op hun onbeschaamde aanvallen, en om hun kwaadaardige aantijgingen tot zwijgen te brengen. "Gij zult dat doen door wel te doen, door het goede te doen", 1 Petrus 2:15. Daardoor zal het ook in de gewetens van uw tegenstanders openbaar worden dat gij niet zijt zoals men u afgeschilderd heeft. Gij zult die verdoemen, dat is: God zal ze voor u verdoemen. "Hij zal uw gerechtigheid voortbrengen als het licht", Psalm 37:6. Gij zult hen verdoemen, dat is: veroordelen zoals Noach de oude wereld veroordeeld heeft, die hem smaadde, toen hij de ark bouwde en zo zijn geslacht redde ten spijt van hun verachting. De dag komt, waarop God zal afrekenen met al de goddelozen voor de harde woorden, die zij tegen de zijnen gesproken hebben, Judas: 15.
De laatste woorden van dit hoofdstuk hebben betrekking niet alleen op deze belofte, maar op alles wat er aan voorafgegaan is: Dit is de erve van de knechten des Heeren. Gods knechten zijn Zijn zonen, want Hij heeft voor hen een rijke, onvergankelijke en eeuwige erfenis bereid. Gods beloften zijn hun erfenis tot in eeuwigheid, Psalm 119:111. "En hun gerechtigheid is uit mij, spreekt de Heere." God zal de rechtvaardigheid van hun zaak voor de mensen aan het licht brengen, zij is uit Hem, Hij kent haar, zij is uit Hem, Hij zal haar verdedigen. Of wel, de beloning voor hun gerechtigheid en voor al wat zij onrechtvaardig geleden hebben, is uit God, de God die de aarde zal richten en bij Wien er vergelding is voor de rechtvaardige. Of hun gerechtigheid zelf, alles wat in hen goed is en recht, is uit God, die het in hen werkt, en Christus tot hun gerechtigheid gemaakt heeft. Wien God hier namaals een erfenis bereid heeft, in die zal Hij hier gerechtigheid werken.