Leviticus 21:16-24
Daar het priesterschap beperkt was tot één bijzondere familie, en erfelijk overging op al de mannelijke nakomelingen van die familie in al hun geslachten, was het wel waarschijnlijk, dat in latere eeuwen, die een of ander aan die priesterschap geboren zou worden met een natuurlijk gebrek of een mismaaktheid, de eer van het priesterschap zal hen niet beveiligen tegen de rampen, die aan alle mensen gemeen zijn. Onderscheidene gebreken worden hier genoemd, sommigen, die gewoonlijk levenslang duurden, zoals blindheid, anderen, die tijdelijk konden wezen, zoals droge of etterige schurftheid. Als zij daarvan genezen waren, dan hield ook hun onbevoegdheid op.
De wet nu voor priesters, die een gebrek hadden, was:
1. Dat zij van het altaar mochten leven, vers 22. Hij zal eten van de offers met de andere priesters, zelfs van de allerheiligste dingen, zoals van de tienden en eerstelingen van de vruchten, en het deel van de priester van de dankoffers. De gebreken waren van zo'n aard dat zij aan geen schuld van hen te wijten waren, en daarom mochten zij wel niet werken, maar moesten toch niet verhongeren. Niemand moet beledigd of liefdeloos behandeld worden om een lichaamsgebrek. Zelfs het mismaakte kind van het gezin moet zijn kindsdeel hebben.
2. Maar zij moeten niet aan het altaar dienen, aan geen van de altaren, noch toegelaten worden om bij de andere priesters te zijn, of deze behulpzaam te wezen bij het offeren van slachtoffers of reukwerk vers 17, 21, 23. Voorname mannen willen zulke dienaren om zich heen hebben, die schoon van aanzien zijn, en het was voegzaam, dat de grote God de zodanigen zou hebben in Zijn huis, toen het Hem behaagde er Zijn heerlijkheid te openbaren in uitwendige tekenen er van. Maar het was inzonderheid nodig dat mannen van een aangenaam voorkomen gekozen zouden worden om in de heilige zaken te dienen om ter wille van het volk, die in hun oordeel op het uitwendig voorkomen letten, en geneigd zijn om gering te denken van de dienst, hoe heerlijk die ook gemaakt was door Goddelijke inzetting, indien zij, die hem verrichtten een verachtelijk aanzien hadden, of er links en onhandig bij te werk gingen. Die voorziening heeft God gemaakt voor de eer van Zijn altaar, opdat dit nooit in minachting zou komen. Het was voor de eer van het heiligdom, dat daar niemand zou verschijnen, die door de natuur of door een ongeval misvormd was.
Onder het Evangelie nu hebben zij, die onder zodanig gebrek lijden, reden om God te danken, dat zij er niet door buitengesloten worden, om Gode geestelijke offeranden te offeren, noch van het ambt van de bediening, indien zij er overigens bekwaam en bevoegd toe zijn. Menige gezonde, schone ziel huist in een zwak misvormd lichaam.
b. Hieruit kunnen wij afleiden, hoe onbekwaam diegenen zijn om Gode welbehaaglijk te dienen, wier ziel een gebrek heeft, misvormd is door een heersende ondeugd. Diegenen zijn onwaardig Christenen genoemd te worden en als leraren te worden gebruikt die geestelijk blind, en lam, en verdraaid zijn, zodat de offeranden des Heeren om hunnentwil verfoeid worden. De mismaaktheden van Hofni en Pinehas waren erger dan welk gebrek ook van de hier genoemden. Laat dus dezulken die openlijk slecht zijn, verwijderd worden uit de priesterschap, als verontreinigde personen, en laat allen, die Gode tot geestelijke priesters gemaakt zijn, heilig en onberispelijk voor Hem zijn, en zich hiermede vertroosten, dat zij, hoewel zij in onvolmaakter toestand zijn vlekken hebben, die de vlekken zijn van Gods kinderen maar weldra voor de troon Gods zullen verschijnen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.